Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9699

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
01/90217 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het onderhavige product is bestemd voor gebruik in fotokopieerapparaten, waarbij de toner wordt gebruikt als chemisch preparaat in het fotografische proces.

Belanghebbendes betoog komt er in het kort op neer dat het product een deel of toebehoren is van de in post 9009 bedoelde fotokopieerapparaten, omdat de cartridges speciaal vervaardigd worden voor en gebezigd bij een bepaald soort kopieerapparaten. De bijzondere, aan het apparaat aangepaste vorm en de bijzondere aanwendingsmogelijkheden zijn naar het oordeel van de Douanekamer echter onvoldoende om het product als deel of toebehoren van de betreffende fotokopieerapparaten aan te kunnen merken.

Voor het aanmerken van goederen als deel of toebehoren is het nodig dat goederen een integrerende functie hebben bij de werking van het apparaat. In casu is dit niet het geval.

De cartridges, als aangehaald sub ..., vervullen geen functionele rol bij de werking van het kopieerapparaat. Zij hebben geen andere functie dan het verschaffen van toner aan het apparaat, zodat zij niet als delen of toebehoren van de fotokopieerapparaten kunnen worden aangemerkt. Uit het Turbon-arrest valt af te leiden dat dit niet anders wordt, wanneer de cartridge alleen maar geschikt is voor één speciaal apparaat.

Aan de cartridge - als goed dat toner bevat - kent de Douanekamer, ondanks de aanwezigheid van bepaalde voorzieningen als groeven en twee schoepen, geen zelfstandige betekenis toe. Aan algemene regel 3 voor de interpretatie van de GN, zoals door het Hof van Justitie toegepast in het Turbon-arrest, wordt derhalve in deze zaak niet toegekomen.

De conclusie uit het voorgaande is dat het product als ”toner” moet worden ingedeeld onder post 3707 90 30 van de GN. De cartridge volgt deze post met behulp van interpretatieregel 5b: hoewel het product een eenvoudige functie vervult bij de dosering van de toner in het apparaat, functioneert het toch in hoofdzaak als verpakkingsmateriaal; het eenmalige gebruik (wegwerpgoed) bevestigt dat.

Ten overvloede overweegt de Douanekamer, dat ook indien regel 3b van toepassing zou zijn, de toner - conform het Turbon-arrest - de indeling van de cartridge zou bepalen.

Het beroep op de BTI en de sub ... vermelde tariefbeslissingen

In de sub ... vermelde bindende tariefinlichting, wordt een goed genoemd met de handelsbenaming “…”; onder het kopje “Omschrijving van het goed” is onder meer vermeld dat het product is voorzien van een kuststof tandwiel. Op basis van deze omschrijving heeft de inspecteur te Rotterdam een beslissing over de indeling in de GN genomen.

Het beroep van belanghebbende op deze BTI treft daarom geen doel, aangezien het goed, genoemd in de BTI, niet vergelijkbaar is met het onderhavige product.

Ook de sub 4.3. vermelde tariefbeslissingen uit de Verenigde Staten en Canada met betrekking tot soortgelijke goederen, werpen voor de Douanekamer geen ander licht op de zaak. Hetzelfde geldt voor de sub ... genoemde adviezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 01/90217 DK (voorheen nr. 0217/2001 TC)

de dato 26 juni 2007

1. De procedure

1.1. Op 16 oktober 2001 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van mr. N te E, gemachtigde, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid K B.V. te G, belanghebbende. Het beroepschrift is aangevuld door mr. A en L bij brief van 29 april 2002.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur, van 10 september 2001, kenmerk …. Bij deze uitspraak werd het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 1 maart 2001, kenmerk …, vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 8.606,40 (€ 3.905,41), afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is een griffierecht van f 450,-- (€ 204,20) geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van de Douanekamer van 28 oktober 2003, alwaar gezeten

waren mr. F.H.M. Possen, voorzitter, en mr. J.J.A.M. Kennis en mr. A. Bijlsma, leden. Namens belanghebbende zijn verschenen mr. A en L als gemachtigden, vergezeld van J, werkzaam bij belanghebbende. Namens de inspecteur is verschenen mr. B. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De pleitnota is voorzien van een bijlage. De inspecteur heeft van deze bijlage kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. De Douanekamer rekent deze pleitnota en de bijlage tot de stukken van het geding. De gemachtigden hebben tevens een monster van het product overgelegd, een tonercartridge van het merk Ricoh, type … met artikelnummer 16352 (hierna ook: het product).

1.5. De Douanekamer heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Belanghebbende heeft dit gedaan bij brief van 17 december 2003. Bij deze brief zijn tevens een drietal voorbeelden van vergelijkbare goederen overgelegd. De inspecteur heeft van deze brief en de daarbij overgelegde goederen kennis kunnen nemen en heeft erop gereageerd bij brief van 26 januari 2004, waarop de gemachtigde heeft geantwoord bij brief van 24 februari 2004. Hierop heeft de inspecteur weer gereageerd bij brief van 23 maart 2004.

1.6. De Douanekamer heeft partijen bij brief van 19 oktober 2005 medegedeeld, dat de zaak zou worden aangehouden in verband met de bij het Hof van Justitie aanhangige procedure C-250/05.

1.7. Op 26 oktober 2006 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in zaak

C-250/05 (Turbon International GmbH), hierna: Turbon-arrest. Partijen zijn vervolgens schriftelijk in de gelegenheid gesteld zich over het arrest uit te laten. De inspecteur heeft gereageerd bij brief van 15 november 2006; belanghebbende bij brief van 4 december 2006.

1.8. De Douanekamer heeft het onderzoek ter zitting hervat op 6 maart 2007. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende mr. A en L, en namens de inspecteur P en T. Partijen hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De pleitnota van de inspecteur is voorzien van een bijlage. Belanghebbende heeft van deze bijlage kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s en de bijlage tot de stukken van het geding.

1.9. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de zaken met de nummers 01/90218 DK en 01/90219 DK.

2. De feiten

2.1. Belanghebbende houdt zich onder meer bezig met de import en verkoop van tonercartridges uit de Verenigde Staten van Amerika. Zij maakt voor de aangiften voor het vrije verkeer gebruik van de haar geboden mogelijkheid tot het doen van maandaangiften. In de maandaangifte over de periode december 2000 heeft belanghebbende tonercartridges van het merk Ricoh, type 450 met artikelnummer 16352 onder post 9009 90 00 van de Gecombineerde Nomenclatuur van het Gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GN) aangegeven. In december 2000 gold voor goederen van post 9009 90 00, oorsprong Verenigde Staten van Amerika, een tarief van 0%.

2.2. Op 24 november 2000 heeft belanghebbende een monster van het betreffende product ter beschikking gesteld aan de inspecteur.

2.3. De inspecteur heeft na onderzoek besloten dat het sub 2.2. genoemde monster moet worden ingedeeld onder post 3707 10 00 van de GN, waarvan het bijbehorende tarief van douanerechten destijds 6% bedroeg. Daarop heeft de inspecteur aan belanghebbende ter zake van de sub 2.1. vermelde maandaangifte op 1 maart 2001 een uitnodiging tot betaling uitgereikt voor

f 8.606,40 aan douanerechten.

2.4. Op 26 maart 2001 heeft belanghebbende bij de inspecteur een bezwaarschrift ingediend tegen de uitnodiging tot betaling, hetwelk de inspecteur met zijn sub 1.1. vermelde uitspraak heeft afgewezen. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de goederen onder post 3707 90 30 van de GN moeten worden ingedeeld, waarvoor een tarief van 6% aan douanerechten gold.

2.5.1. Ter zitting heeft belanghebbende een monster van het product getoond en overgelegd (1.4.), dat door de inspecteur als representatief is erkend.

Het product is een tonercartridge, bestaande uit een kunststofbehuizing in de vorm van een cilinder (afmetingen ca. 23 cm in lengte en ca. 9 cm in dwarsdoorsnede) die gevuld is met poeder, de toner. De bovenkant van het product loopt taps toe en heeft aan het uiteinde een nauwe vulopening, die wordt afgesloten door middel van een schroefdop. Onder deze schroefdop in de monding bevindt zich nog een afsluitdop. De onderkant van het product is aan de buitenzijde voorzien van groeven (“agigator ramps”) in de breedte die ervoor zorgen dat de toner uit de cartridge kan stromen. Het product kan uitsluitend worden gebruikt in de volgende typen kopieerapparaten van Ricoh: FT 4022, 4027, 4127, 4522, 4527, 4622, 4822, 5035, 5135, 5535, 5632, 5640, 5732, 5740, 5832, 5840 en de Spirio 2700, 2750, 3500 en 3550.

2.5.2. Alvorens het product in het kopieerapparaat kan worden geplaatst, dient de schroefdop te worden verwijderd. Vervolgens moet het product in horizontale richting in een speciale fitting van het kopieerapparaat worden geplaatst. De bovenkant is daarvoor uitgerust met twee bevestigingspunten.

Na het plaatsen van de cartridge wordt de afsluitdop door een intern in het kopieerapparaat aanwezig mechaniek verwijderd. De afsluitdop blijft tijdens het gebruik van de cartridge in het kopieerapparaat achter en houdt de hoeveelheid toner bij die vanuit de cartridge in het apparaat stroomt. Als de cartridge leeg is wordt de afsluitdop op de cartridge teruggeplaatst. De bovenkant is voorzien van twee schoepen die vastzitten aan de binnenzijde. Deze schoepen zorgen ervoor dat de toner, ongeacht de in de cartridge nog aanwezige hoeveelheid toner, gelijkmatig in het kopieerapparaat verdeeld wordt.

2.5.3. In het kopieerapparaat bevindt zich een groene beugel. Deze houdt de cartridge in het kopieerapparaat vastgeklemd. Door de oneffenheden aan de buitenzijde van de cartridge hamert deze beugel tijdens het draaien op de cartridge zodat de toner eruit kan stromen. Door middel van een zich in het kopieerapparaat bevindende elektrische motor beweegt de cartridge rechtsdraaiend in het kopieerapparaat. Door het ronddraaien blijft de zich in de cartridge bevindende toner in beweging, zodat deze gelijkmatig wordt afgegeven aan de magnetische rol.

2.5.4. Tijdens het proces van uitstromende toner uit de cartridge in het kopieerapparaat, vindt er luchtverplaatsing plaats. Het kopieerapparaat heeft een speciaal ontwikkeld systeem van luchtdichte pakkingen, dat voorkomt dat toner kan wegvloeien als gevolg van deze luchtverplaatsing. Dit mechanisme is zodanig ontwikkeld dat de lucht zich in tegengestelde richting van de toner zal verplaatsen. De in de lucht zwevende deeltjes toner komen dan weer in de cartridge en kunnen zodoende niet vrijkomen.

2.5.5. Op het moment dat de voorraad toner in het kopieerapparaat een zodanig niveau heeft bereikt dat geen goede kopieën meer kunnen worden gemaakt, zal het kopieerapparaat de gebruiker waarschuwen om een nieuwe tonercartridge te plaatsen in het apparaat.

2.5.6. Het product heeft geen bewegende delen of elektronische onderdelen en is niet ontworpen voor hergebruik of navulling.

2.6. Tot de gedingstukken behoort een door de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Rotterdam aan belanghebbende op 15 maart 2000 verstrekte bindende tariefinlichting, nummer NL-RTD-2000-000854 (hierna: de BTI). De BTI heeft betrekking op een tonercartridge met de handelsbenaming “…”. Die tonercartridge is ingedeeld in post 9009 90 10. Het goed is in vak 7 van de BTI als volgt omschreven:

“Tonerpatroon (“cartridge”) voor een fotokopieerapparaat, bestaande uit een speciaal aan een bepaald model fotokopieerapparaat aangepast cilindervormig bergingsmiddel van kunststof (afmetingen lengte ca. 42 cm, dwarsdoorsnede ca. 9 cm), gevuld met “toner” (een chemisch preparaat voor fotografisch gebruik) in de vorm van poeder. De patroon, onder andere voorzien van geleidegleuven in de lengterichting aan de buitenzijde en een kunststof tandwiel, is van de soort die normaal als verpakking voor “toner” wordt gebruikt.”.

3. Het geschil

3.1. In geding is het antwoord op de vraag of de sub 2.5.1. tot en met 2.5.6. omschreven tonercartridge moet worden ingedeeld onder post 3707 90 30 van de GN, hetgeen de inspecteur voorstaat, dan wel onder post

9009 90 00, zoals belanghebbende bepleit.

3.2. Voormelde posten luiden als volgt:

Post 3707 90 30

“3707 Chemische preparaten voor fotografisch gebruik, andere dan vernis, lijm en dergelijke preparaten; ongemengde producten die met het oog op fotografisch gebruik, hetzij voorkomen in afgemeten hoeveelheden, hetzij gebruiksklaar zijn opgemaakt voor de verkoop in het klein:

(…)

3707 90 - andere:

- - ontwikkel- en fixeermiddelen:

(…)

3707 90 30 - - - andere”.

Post 9009 90 00

“9009 Fotokopieerapparaten werkend met een optisch systeem of voor contactdruk, alsmede thermokopieerapparaten:

- elektrostatische fotokopieerapparaten:

(…)

- andere fotokopieerapparaten:

(...)

9009 90 00 - delen en toebehoren”.

3.3. De Douanekamer heeft mede de volgende Aantekeningen in de beschouwingen betrokken:

Aantekening 2 op afdeling VI

“2. Behoudens het bepaalde in aantekening 1 hiervoor, moeten alle producten die behoren tot een der posten 3004, 3005, 3006, 3212, 3303, 3304, 3305, 3306, 3307, 3506, 3707 of 3808, hetzij omdat ze zijn opgemaakt voor de verkoop in het klein, hetzij omdat ze voorkomen in afgemeten hoeveelheden, worden ingedeeld onder die posten en niet onder een andere post van de nomenclatuur.”.

Aantekening 2, aanhef, onderdeel b, op hoofdstuk 90

“2. Behoudens het bepaalde in aantekening 1 hiervoor, worden delen en toebehoren van de bij dit hoofdstuk bedoelde machines, apparaten, toestellen, instrumenten of artikelen ingedeeld met inachtneming van de volgende regels:

a) (…)

b) delen en toebehoren niet bedoeld onder a) hiervoor, waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor een bepaalde machine of voor een bepaald instrument, apparaat of toestel, dan wel voor verschillende onder eenzelfde post vallende machines, instrumenten, apparaten of toestellen (die bedoeld bij de posten 9010, 9013 en 9031 daaronder begrepen), worden ingedeeld onder de post waaronder deze machines, instrumenten, apparaten of toestellen vallen;”.

3.4. De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in een indelingsadvies het hierna beschreven product onder post 3707 ingedeeld:

Tonercassette (“cartridge”) voor laserprinter

Zogenaamde tonercassettes voor laserprinters, bestaande uit een speciaal, aan een bepaald model laserprinter aangepast bergingsmiddel van kunststof (afmetingen ca. 32 x 19 x 11 cm) gevuld met toner.

De toner moet worden aangemerkt als een chemisch preparaat voor fotografisch gebruik.

De cassette is van de soort die normaal als verpakking voor toner wordt gebruikt.

3.5. De Wereld Douane Organisatie (WDO) heeft in een tweetal indelingsadviezen de hierna beschreven producten onder post 9009 ingedeeld:

Inktpatronen

Patronen, met of zonder inkt, bestaande uit een cilinder van karton met op elk uiteinde een dop van kunststof, en met op één van de uiteinden een as voor het draaien van een speciaal geplooide draad van onedel metaal, en op het ander uiteinde tandwielen voor het omkeren van de draaiinrichting van de draad. De draad, die op drie plaatsen omsloten is door een buis van kunststof, draait rond in het patroon om te voorkomen dat de inkt in poedervorm samenklontert. De patronen hebben een gleuf in de lengterichting waardoor de inkt in poedervorm kan verdwijnen onder invloed van de elektrostatische aantrekking. Zij zijn ontworpen om te worden geplaatst in fotokopieermachines en worden vervangen indien ze leeg zijn.

Inktpatronen

Patronen, met of zonder inkt, bestaande uit een cilinder van karton met op elk uiteinde een dop van kunststof. De ene dop steunt een speciaal geplooide draad van onedel metaal en de andere dient voor het draaien van de draad. De draad, die op twee plaatsen is omsloten door een buis van kunststof, draait rond in het patroon om te voorkomen dat de inkt in poedervorm samenklontert. De patronen hebben een gleuf in de lengterichting waardoor de inkt in poedervorm kan verdwijnen onder invloed van elektrostatische aantrekking. Zij zijn ontworpen om te worden geplaatst in fotokopieermachines en worden vervangen indien ze leeg zijn.

3.6. Het dictum van het sub 1.7. genoemde Turbon-arrest luidt als volgt:

“Bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1734/96 van de Commissie van 9 september 1996, dient aldus te worden uitgelegd dat een inktcartridge zonder geïntegreerde printkop, die is samengesteld uit een kunststofbehuizing, schuimstof, een metaalzeef, dichtingen, een zegelfolie, een etiket, inkt en verpakkingsmateriaal en die, zowel wat de inktcartridge als wat de inkt betreft, enkel kan worden gebruikt in een printer met de kenmerken van de inktjetprinters van het merk Epson Stylus Color, moet worden ingedeeld onder postonderverdeling 3215 90 80 van de gecombineerde nomenclatuur.”

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De tonercartridge is een deel van het kopieerapparaat. Het kopieerapparaat kan niet werken met algemene, in de handel verkrijgbare tonercartridges. Alleen specifiek voor apparaten van Ricoh ontwikkelde toner van een bepaalde samenstelling kan worden toegevoegd. Speciaal voor deze kopieerapparaten is een manier ontwikkeld om de toner in aan te brengen en te transporteren. Voor de uitoefening van de functie van de kopieerapparaten vormt het product derhalve een noodzakelijk onderdeel daarvan.

4.2. Indien de onderhavige tonercartridge niet als deel kan worden aangemerkt, dan is er in ieder geval sprake van een toebehoor. De tonercartridge is immers specifiek voor het hoofdproduct, het kopieerapparaat, gefabriceerd en maakt het hoofdproduct volledig.

4.3. Het product moet met toepassing van indelingsregel 1 en met inachtneming van aantekening 2, onderdeel b, op hoofdstuk 90, worden ingedeeld in post 9009 90 00 van de GN. Steun hiervoor wordt gevonden in de sub 3.5. vermelde indelingsadviezen van de WDO. Hoewel beide adviezen zien op cartridges met bewegende delen, blijkt dat de WDO de indeling van cartridges onder post 9009 van de GN niet afhankelijk stelt van de vraag of deze al dan niet toner omvatten. De toner als zodanig is klaarblijkelijk van ondergeschikt belang en dus niet bepalend voor de indeling van een specifieke cartridge.

Tevens wordt steun gevonden voor indeling onder post 9009 van de GN in een uitspraak van het “Canadian International Trade Tribunal” van 7 juni 2000, nummer AP-98-92 en in een uitspraak van de “United States Court of Appeals for the Federal Circuit” van 6 november 1998, nummer 98-1203.

4.4. Indeling onder post 9009 van de GN kan ook op basis van indelingsregel 3a. Deze regel schrijft voor dat de post met de meest specifieke omschrijving voorrang heeft boven posten met een meer algemene omschrijving. In post 3707 van de GN komt alleen de toner tot uitdrukking. Dit is dus niet de post die de meest specifieke omschrijving geeft. Post 9009 van de GN daarentegen heeft betrekking op het onderhavige product als zodanig, dus op het gehele artikel als onderdeel van het kopieerapparaat.

Indeling onder tariefpost 9009 van de GN kan ook nog op basis van indelingsregel 3c, hetgeen neerkomt op de laatste post in volgorde van nummering.

4.5. De toner moet als een “chemisch preparaat voor fotografisch gebruik” als bedoeld in post 3707 van de GN worden aangemerkt. De kopieerapparaten waarvoor de onderhavige cartridges worden vervaardigd moeten worden ingedeeld in post 9009 van de GN.

4.6. Belanghebbende heeft indertijd een BTI aangevraagd voor een tonercartridge van het merk Ricoh, type 610 met artikelnummer 016944. Op 15 maart 2000 heeft de inspecteur te Rotterdam voor deze cartridge een BTI verstrekt, waarbij het goed is ingedeeld onder post 9009 90 10 van de GN. Op 24 september 1999 had de betreffende inspecteur voor dit product al een BTI afgegeven, waarbij het product was ingedeeld onder post 3707 90 30 van de GN. Na hiertegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur het bezwaar toegewezen.

4.7. Het Turbon-arrest ziet niet op het onderhavige product. De afdruktechniek (inkjet versus xerografie), de substantie (inkt versus toner) en de apparaten waarin deze zaken toepassing vinden (printer versus kopieerapparaten) verschillen allemaal. Toner en inkt zijn verschillend en hebben elk hun eigen karakter. Ook een inkjetprinter verschilt wezenlijk van de onderhavige kopieerapparaten. Bij inkjettechniek wordt vloeibare inkt gebruikt, die als het ware op het papier wordt gespoten. Door xerografie verkregen afdrukken ontstaan door toner met een gelijke elektrostatische lading op papier aan te brengen, waarbij voor het projecteren van het beeld lasertechniek wordt gebruikt. In dit opzicht zijn het leveren van de toner, het terugwinnen van de meer dan benodigde hoeveelheid toner en het terugwinnen van ontwikkelingsdeeltjes, allemaal functies die door de

tonercartridge worden bewerkstelligd. Het zijn deze functies die ervoor zorgdragen dat de printfunctie correct wordt uitgevoerd en dat het overschot aan toner het kopieerapparaat niet van binnen aantast. De overbrenging van de toner op het papier wordt niet door de cartridge uitgevoerd, maar door het samenspel van de verschillende functies. Dit samenspel ontbreekt bij een inktcartridge die veel meer een passieve rol heeft in de printer, en eigenlijk niet veel meer is dan een omhulsel met inkt daarin.

4.8. Indien het arrest onverhoopt wel van toepassing zou zijn, dan wordt het volgende standpunt ingenomen. Uit rechtsoverweging 24 van het arrest kan worden afgeleid dat het Hof van Justitie de mening is toegedaan dat inktcartridges met geïntegreerde printkop onder post 8473 moeten worden ingedeeld. Hierbij zal een rol hebben gespeeld dat de printkop op de cartridge als een mechanisch deel aangemerkt moet worden, welk deel onmisbaar is voor de printer om te functioneren. Voor een cartridge met geïntegreerde printkop zou de conclusie dan kunnen zijn dat deze met toepassing van indelingsregel 3b moet worden ingedeeld, waarbij aan de cartridge zelf het wezenlijk karakter wordt ontleend. Deze redenering zou ook ten aanzien van de onderhavige cartridge kunnen worden gehanteerd, die eveneens over mechanische delen beschikt.

4.9. Ter zitting van 28 oktober 2003 heeft belanghebbende

- samengevat - het volgende aangevoerd.

Voor een andere, hier niet in geschil zijnde type tonercartridge is door de douaneautoriteiten te Rotterdam aan belanghebbende een BTI met het nummer NL-RTD-2000-000854 afgegeven. Dit type cartridge dient blijkens de BTI te worden ingedeeld onder goederencode 9009 90 10. Het enige verschil met de in het geding zijn cartridge is dat deze een tandwiel heeft dat ervoor zorgt dat de cartridge in het kopieerapparaat kan ronddraaien. De in het geding zijnde cartridge heeft weliswaar geen bewegende delen maar kan ook ronddraaien. De cartridge is hiervoor uitgerust met bevestigingspunten. De bevestigingspunten vervullen in wezen dezelfde functie als het tandwiel. Beide mechanismen zorgen ervoor dat de cartridge kan ronddraaien. Op basis van het gelijkheidsbeginsel dient het in het geding zijnde product op dezelfde wijze te worden ingedeeld als de cartridge voor welke een BTI is afgegeven, te weten in post 9009 90 10 van de GN.

Er is een wisselwerking tussen het kopieerapparaat en het product. Het apparaat zorgt ervoor dat zodra de cartridge leeg is de dop teruggeplaatst wordt op de bus, waarna de bus uit het apparaat kan worden gehaald. Door het ronddraaien blijft de toner constant in beweging en kan de bus helemaal worden geleegd.

4.10. Ter zitting van 6 maart 2007 heeft belanghebbende - samengevat - het volgende aangevoerd.

De schoepen aan de bovenkant van het product zorgen ervoor dat de toner op gelijkmatige wijze wordt verdeeld.

De cartridge kan niet worden hergebruikt of nagevuld.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Tonercartridges kunnen voorkomen in twee soorten. De eerste soort is voorzien van mechanische delen en is daardoor een meer gecompliceerd apparaat. Gelet op de indelingsadviezen van de WDO (sub 3.5.) moeten cartridges met mechanische delen (met of zonder inkt) als deel van het apparaat onder post 9009 worden ingedeeld. De tweede soort is verpakkingsmateriaal. Hiertoe behoort de onderhavige cartridge. Het Europese standpunt luidt dat tonercartridges zonder mechanische delen onder tariefpost 3707 van de GN ingedeeld dienen te worden.

5.2. Hoewel het onderhavige product een bepaalde vorm kan hebben en ook voor één of meer specifieke apparaten bedoeld kan zijn, heeft het product geen mechanische of elektronische delen zodat dit niet als een deel of toebehoren van een kopieerapparaat kan worden aangemerkt.

5.3. De bus is in casu een normaal verpakkingsmiddel voor het product (toner) dat daarmee wordt verkocht. Het betreft hier een noodzakelijk en in de handel gebruikelijk bergingsmiddel voor toner. Het product is verpakt

(per stuk) voor de verkoop in het klein en wordt in afgemeten hoeveelheden (één vulling) aan de gebruiker verkocht Op grond van indelingsregel 5b moet dit bergingsmiddel als verpakking met de verpakte goederen worden ingedeeld.

Er is overigens geen verschil van mening over dat de toner op zichzelf onder post 3707 moet worden ingedeeld.

5.4. De functies, die volgens belanghebbende aan het product zijn toe te kennen, bevinden zich niet aan of in de cartridge zelf. De cartridge heeft weliswaar een bepaalde vorm zodat deze goed past in het apparaat, doch de draaiende beweging wordt aan de cartridge gegeven door het mechanisme van het apparaat waar het in past. Dat daarbij groeven in de verpakking zijn aangebracht om deze volledig te ledigen maakt niet dat die groeven zijn aan te merken als een specifieke voorziening, noodzakelijk voor de werking van het apparaat. De tonercartridge dient als verpakking van het product dat zich erin bevindt en heeft verder geen eigen functie in het apparaat.

5.5. Indien het product wel als een afzonderlijk deel of toebehoren van het apparaat gezien moet worden, dan is ingevolge indelingsregel 3 sprake van een samengesteld product, bestaande uit een cartridge en toner. Het is dan van belang met toepassing van indelingsregel 3b vast te stellen wat het wezenlijke karakter is van de gevulde cartridge. De toner is voor het gebruik en het functioneren van het kopieerapparaat onmisbaar. Het wezenlijke karakter van de gevulde cartridge wordt dan ook bepaald door de toner. Zonder de toner kan het apparaat niet afdrukken c.q. kopiëren en zijn functie vervullen.

5.6. De cartridge van het merk Ricoh, type 610, waarvoor door de inspecteur te Rotterdam op 15 maart 2000 een BTI is afgegeven, is uitgerust met een tandwiel, een bewegend deel, waardoor aan het goed een mechanische functie kon worden toebedeeld. Dezerzijds wordt het standpunt ingenomen dat dit onjuist is.

5.7. Het sub 1.7. vermelde arrest bevestigt dat het in deze ingenomen standpunt juist is. Het Hof van Justitie oordeelt dat de betreffende inktcartridge als een “deel” van de printer zou kunnen worden aangemerkt, maar ook dat dit niet geldt ten aanzien van de inkt in de cartridge. Op grond hiervan komt het Hof tot de conclusie dat indelingsregel 3b uitkomst moet bieden voor de indeling. Het Hof vervolgt dan met de overweging dat, ook als een printer niet werkt zonder de cartridge, de inkt van doorslaggevend belang is. De inkt verleent de inktcartridge aldus het wezenlijk karakter en is bepalend voor de indeling. Met betrekking tot de onderhavige zaak, waarbij de toner cartridges in het kopieerapparaat worden geplaatst, betekent het arrest dat de toner met toepassing van indelingsregel 3b het wezenlijk karakter bepaalt van de tonercartridge. Daarom is de goederencode waaronder de toner is ingedeeld, te weten 3707 90 30, juist.

5.8. Ter zitting van 28 oktober 2003 heeft de inspecteur - samengevat - het volgende aan zijn stellingen toegevoegd.

Er is geen verschil van mening dat de toner op zichzelf moet worden aangemerkt als een “ander chemisch preparaat voor fotografische doeleinden” als bedoeld in post 3707.

De bus wordt weliswaar op een bijzondere wijze in het apparaat geopend, maar dit is niet doorslaggevend. Ook een pak melk moet je op een speciale manier open maken.

De tonercartridge waarvoor de bindende tariefinlichting is afgegeven heeft een tandwiel en een schoepenrad. Ook deze tonercartridge doet niets zelf. Het is een op een melkfles gelijkende bus die in wezen niets meer is dan een verpakkingsmiddel voor de toner. De inspecteur die de BTI heeft afgegeven moet hebben gedacht dat het product wezenlijk anders is of heeft een fout gemaakt. Er valt veel voor te zeggen dat deze bus met toner ook onder post 3707 had moeten worden ingedeeld.

Het kopieerapparaat zorgt zelf voor de toevoer van de juiste hoeveelheid toner. De tonercartridge speelt daarbij geen enkele rol. Het ronddraaien is om samenklonteren te voorkomen en ervoor te zorgen dat de bus wordt geleegd, hoewel het nooit lukt om de bus helemaal leeg te krijgen. Door de ribbeltjes op de bus wordt de toner naar voren geschoven. De bus heeft in wezen als enige functie ervoor te zorgen dat de toner in het apparaat komt.

5.9. Ter zitting van 6 maart 2007 heeft de inspecteur - samengevat – nog het volgende naar voren gebracht.

Het product is niet voor hergebruik of navulling bestemd; de cartridge wordt na afloop weggegooid.

De mechanische delen zitten allemaal aan of in het kopieerapparaat. Het product zelf heeft geen mechanische delen.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De indeling in de GN

6.1.1. Het onderhavige product is bestemd voor gebruik in fotokopieerapparaten, waarbij de toner wordt gebruikt als chemisch preparaat in het fotografische proces.

6.1.2. Belanghebbendes betoog komt er in het kort op neer dat het product een deel of toebehoren is van de in post 9009 bedoelde fotokopieerapparaten, omdat de cartridges speciaal vervaardigd worden voor en gebezigd bij een bepaald soort kopieerapparaten. De bijzondere, aan het apparaat aangepaste vorm en de bijzondere aanwendingsmogelijkheden zijn naar het oordeel van de Douanekamer echter onvoldoende om het product als deel of toebehoren van de betreffende fotokopieerapparaten aan te kunnen merken.

6.1.3. Voor het aanmerken van goederen als deel of toebehoren is het nodig dat goederen een integrerende functie hebben bij de werking van het apparaat. In casu is dit niet het geval.

De cartridges, als aangehaald sub 2.5.1. tot en met 2.5.6., vervullen geen functionele rol bij de werking van het kopieerapparaat. Zij hebben geen andere functie dan het verschaffen van toner aan het apparaat, zodat zij niet als delen of toebehoren van de fotokopieerapparaten kunnen worden aangemerkt. Uit het Turbon-arrest valt af te leiden dat dit niet anders wordt, wanneer de cartridge alleen maar geschikt is voor één speciaal apparaat.

6.1.4. Aan de cartridge - als goed dat toner bevat - kent de Douanekamer, ondanks de aanwezigheid van bepaalde voorzieningen als groeven en twee schoepen, geen zelfstandige betekenis toe. Aan algemene regel 3 voor de interpretatie van de GN, zoals door het Hof van Justitie toegepast in het Turbon-arrest, wordt derhalve in deze zaak niet toegekomen.

6.1.5. De conclusie uit het voorgaande is dat het product als ”toner” moet worden ingedeeld onder post 3707 90 30 van de GN. De cartridge volgt deze post met behulp van interpretatieregel 5b: hoewel het product een eenvoudige functie vervult bij de dosering van de toner in het apparaat, functioneert het toch in hoofdzaak als verpakkingsmateriaal; het eenmalige gebruik (wegwerpgoed) bevestigt dat.

6.1.6. Ten overvloede overweegt de Douanekamer, dat ook indien regel 3b van toepassing zou zijn, de toner - conform het Turbon-arrest - de indeling van de cartridge zou bepalen.

6.2. Het beroep op de BTI en de sub 4.3. vermelde tariefbeslissingen

6.2.1. In de sub 2.6. vermelde bindende tariefinlichting, wordt een goed genoemd met de handelsbenaming “…”; onder het kopje “Omschrijving van het goed” is onder meer vermeld dat het product is voorzien van een kuststof tandwiel. Op basis van deze omschrijving heeft de inspecteur te Rotterdam een beslissing over de indeling in de GN genomen.

Het beroep van belanghebbende op deze BTI treft daarom geen doel, aangezien het goed, genoemd in de BTI, niet vergelijkbaar is met het onderhavige product.

6.2.2. Ook de sub 4.3. vermelde tariefbeslissingen uit de Verenigde Staten en Canada met betrekking tot soortgelijke goederen, werpen voor de Douanekamer geen ander licht op de zaak. Hetzelfde geldt voor de sub 3.5. genoemde adviezen.

6.3. Conclusie

Gelet op al het vorenoverwogene heeft de inspecteur het product terecht onder post 3707 90 30 van de GN ingedeeld, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 26 juni 2007 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, en mr. M.E. van Hilten en mr. M.J. Kuiper, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.G. van Aalst, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

De Douanekamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.