Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9695

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
05/1340 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Douanekamer stelt voorop dat de onderwerpelijke inktcartridges zijn bestemd om te worden gebruikt in machines (inkjetprinter) als bedoeld bij post 8471.

Voor het aanmerken van goederen als deel of toebehoren is het nodig dat goederen een integrerende functie hebben tijdens de werking van het apparaat, waarvan zij deel of toebehoren zijn. In casu is dit het geval, omdat de cartridge, als weergegeven sub ..., noodzakelijk is voor het functioneren van de printer. De cartridge zou op zichzelf dan ook als “deel of toebehoren” kunnen worden gekwalificeerd en daarom onder postonderverdeling 8473 30 90 kunnen worden ingedeeld.

Daarnaast bevat de cartridge inkt. Deze inkt in de cartridge kan evenwel niet als deel of toebehoren van de printer worden aangemerkt, maar valt onder de omschrijving van postonderverdeling 3215 19 00.

De conclusie uit de overwegingen is dat in casu sprake is van een samengesteld werk als bedoeld in algemene regel 2b voor de interpretatie van de GN, waarvan de indeling dient te geschieden aan de hand van regel 3.

Ofschoon een inktcartridge als in het geding zo vervaardigd is dat de printer zonder deze cartridge niet werkt, is de inkt in deze cartridge van doorslaggevend belang voor het gebruik van het betrokken product. De inktcartridge wordt immers niet in de printer geplaatst om deze te doen werken als zodanig, maar juist met het doel hem van inkt te voorzien. Hieruit volgt

- in navolging van het Turbon-arrest - dat de inkt een inktcartridge als in het geding zijn wezenlijk karakter verleent. Op grond van regel 3b moet het product daarom worden ingedeeld onder de post van de inkt, te weten post 3215 19 00 van de GN.

Het beroep op de BTI’s en op indelingen van andere documenten

Het beroep van belanghebbende op de sub ... vermelde BTI’s verwerpt de Douanekamer. Deze BTI’s zien op een ander product met andere kenmerken, terwijl bovendien belanghebbende daarvan niet de rechthebbende is.

Ook de sub ... vermelde tariefbeslissing uit het Verenigd Koninkrijk en het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Ruma, reeds aangehaald sub ..., waarin een wezenlijk anders samengesteld product aan de orde is, werpen voor de Douanekamer met betrekking tot het litigieuze product geen ander licht op de zaak. Hetzelfde geldt voor de sub ... genoemde adviezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 05/1340 DK

uitspraak van de Douanekamer van 26 juni 2007

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak nr. AWB 05/1263 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 24 november 2005 in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. te B, belanghebbende,

gemachtigden mr. H en mr. J

en

de inspecteur.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 17 maart 2005 aan belanghebbende onder nummer … een bindende tariefinlichting (hierna: BTI) afgegeven, waarbij het hierna sub 3.3.1. tot en met 3.3.4. omschreven product is ingedeeld onder post 3215 19 00 van de Gecombineerde Nomenclatuur van het Gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GN).

1.2. Op 21 maart 2005 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de BTI. Bij uitspraak van 1 april 2005 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

Op 8 april 2005 is belanghebbende van dit besluit in beroep gekomen bij de rechtbank.

1.3. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 24 november 2005, verzonden op 29 november 2005, het beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het product waarvoor de BTI is afgegeven dient te worden ingedeeld onder post 8473 30 90 van de GN, daartoe overwegende

“dat de mechanische en elektronische werking van de printer afhangt van de aanwezigheid van de cartridge en deze daarmee een deel is van de printer. Voor de werking van de printer is immers de cartridge noodzakelijk. De chip op de cartridge bestuurt samen met de chip op de printkop en de controller in de printer de printer. De chip op de cartridge, en daarmee de cartridge, is nodig om de printer te laten functioneren. Zonder de cartridge kan er geen printopdracht door de computer aan de printer worden gegeven, terwijl dat wel mogelijk is indien er geen papier aanwezig is. De printer is dan in werking en de controller van de printer zal aan de computer melden dat er papier bijgevuld moet worden. De chip op de cartridge houdt tevens, door middel van een sensor, bij hoeveel inkt aanwezig is in de cartridge, zodat droog printen, waardoor de printkop zou beschadigen, voorkomen wordt.”

2. De procedure voor de Douanekamer

2.1. Tegen de sub 1.2. vermelde uitspraak van de rechtbank heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 21 december 2005, ingekomen bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: Douanekamer) op 28 december 2005. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 23 januari 2006.

2.2. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. Op 30 mei 2006 is van de inspecteur een conclusie van repliek ingekomen; op 27 juni 2006 een conclusie van dupliek van belanghebbende.

2.4. De Douanekamer heeft de behandeling van het beroep aangehouden in verband met de bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg (hierna: het Hof van Justitie) aanhangige procedure C-250/05.

2.5. Het Hof van Justitie heeft op 26 oktober 2006 arrest gewezen in de zaak

C-250/05, Turbon International GmbH (hierna: het Turbon-arrest), waarvan het dictum als volgt luidt:

“Bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1734/96 van de Commissie van 9 september 1996, dient aldus te worden uitgelegd dat een inktcartridge zonder geïntegreerde printkop, die is samengesteld uit een kunststofbehuizing, schuimstof, een metaalzeef, dichtingen, een zegelfolie, een etiket, inkt en verpakkingsmateriaal en die, zowel wat de inktcartridge als wat de inkt betreft, enkel kan worden gebruikt in een printer met de kenmerken van de inktjetprinters van het merk Epson Stylus Color, moet worden ingedeeld onder postonderverdeling 3215 90 80 van de gecombineerde nomenclatuur.”

2.6. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk over het arrest uit te laten. De inspecteur heeft gereageerd bij brief van 17 november 2006, belanghebbende bij brief van 6 december 2006.

2.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2007. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende mr. H en mr. J, vergezeld van M en H, beiden van A B.V., en namens de inspecteur W, vergezeld van mr. ing. D. Partijen hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De pleitnota van belanghebbende is voorzien van een bijlage. De inspecteur heeft van deze bijlage kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s en de bijlage tot de stukken van het geding.

2.8. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de zaken met de nummers

05/1339 DK, 05/1341 DK en 05/1342 DK.

3. De feiten

3.1. Op 8 november 2004 heeft belanghebbende schriftelijk een verzoek ingediend voor verstrekking van een BTI, voor een in de aanvraag als “… model X” aangeduid product.

Het product is in vak 8 van de aanvraag, onder het kopje “Omschrijving van de goederen”, omschreven als:

“Inktjet cartridge bevattende inkt, met geïntegreerde mechanische en electronische componenten”.

In de aanvraag is voor de indeling post 8473 30 90 van de GN voorgesteld. Bij de aanvraag is een monster overgelegd.

3.2. Het product is in vak 7 van de sub 1.1. vermelde BTI, onder het kopje “Omschrijving van het goed”, als volgt omschreven:

“Een inktreservoir van kunststof met een inhoud van 350 ml. Het inktreservoir wordt aangesloten op een druk/stroombesturingsmechanisme van een inkjetprinter, welke de toevoer van de inkt naar de printkop regelt. Het inktreservoir heeft aan de onderzijde twee aansluitbuisjes en een “Acumen Chip”. Het reservoir heeft afmetingen van ongeveer 165x98x50 mm (hxbxd).”

De inspecteur heeft de indeling van het goed als volgt gemotiveerd:

“Toepassing algemene regel 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, de tekst van de GN-codes 3215, 3215 19 en 3215 19 00.”

3.3.1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting is over het product het volgende komen vast te staan.

Het betreft een inktcartridge met de handelsnaam … model X, zonder geïntegreerde printkop die is samengesteld uit een kunststofbehuizing, onder meer voorzien van een pompmechanisme (ballon) met drukpeddels, een phobisch filter, een lekkagesensor en aan beide zijden van het pompmechanisme zogenaamde weerstandsdraden, en een zogeheten acumenchip. De cartridge heeft een hoogte, diepte en breedte van respectievelijk 165, 98 en 50 milliliter en bevat 350 milliliter inkt. Het product kan uitsluitend worden gebruikt in de printers van A B.V..

3.3.2. De printers uit deze serie werken volgens de zogeheten thermische inkjettechniek. Bij deze techniek wordt bij hoge temperatuur een druppel inkt verhit op een klein oppervlak, hetgeen leidt tot de uitstoot van een druppel inkt. De printers zijn ook uitgerust met een inkttoevoersysteem, dat ervoor zorgt dat de printkop een constante toevoer van inkt krijgt.

3.3.3. Het inktreservoir heeft aan de onderzijde twee aansluitbuisjes en de acumen-chip. De acumen-chip slaat gegevens over de printer op en ook over de nog aanwezig zijnde inktvoorraad en de hoeveelheid inkt die de printer verbruikt en gaat verbruiken voor een printopdracht. De ballon met drukpeddels zorgt ervoor, door middel van lucht afkomstig van een compressor in de printer, dat de inkt op de juiste wijze naar de printkop wordt gevoerd. Het phobisch filter zorgt ervoor dat er geleidelijk lucht uit de cartridge ontsnapt zodat deze niet door de druk lek raakt. De weerstandsdraden bevinden zich aan beide zijden van de ballon, en zorgen halverwege de levensduur van de cartridge voor een nauwkeurigere meting van het inktverbruik. Met de gegevens van deze draden alsmede met de gegevens van de acumenchip op de printkop wordt de acumenchip op de cartridge gevoed. De acumenchip op de cartridge geeft deze informatie vervolgens door aan de controller van de printer. Ook bevat de cartridge een lekkagesensor die het printproces kan stopzetten.

3.3.4. Na plaatsing van de cartridge moet de acumenchip op de cartridge eerst aan het besturingsboard doorgeven dat aan alle voorwaarden om te printen wordt voldaan, alvorens de printer een printopdracht kan vervullen.

De printer functioneert met een lege cartridge, maar geeft dan geen afdrukken. Zonder de acumenchip of bij een defecte acumenchip valt de printer volledig stil, ongeacht of de cartridge vol of leeg is.

3.4. Tot de gedingstukken behoort een door de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Rotterdam op 15 mei 2002 verstrekte BTI, nummer

NL-RTD-2000-001420. Deze BTI heeft betrekking op een product omschreven als:

“Onderdeel van een inktstraal drukker (afdrukeenheid) in de vorm van een kleuren inkjet cartridge met een speciaal gevormde behuizing van kunststof. De cartridge bevat drie kleuren inkt, elk in een hoevelheid van 6,5 milliliter. De cartridge is aan één breedtezijde voorzien van een koperkleurige gedrukte schakeling, met 56 contactpunten. Aan de onderzijde bevindt zich de opening voor de afgifte van inkt, die verbonden is met de drie compartimenten, waarin zich de inkt bevindt. De opening is met het oog op het transport afgeplakt om het weglopen van de inkt te voorkomen. De behuizing heeft een maximale hoogte, breedte en lengte van ongeveer 70, 30 en 50 millimeter en wordt met het oog op de verkoop in het klein aangeboden in een kartonnen bedrukte verpakking.”

Het product is met behulp van de indelingsregels 1 en 6 onder post

8473 30 90 ingedeeld.

3.5. Tot de gedingstukken behoort nog een door de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Rotterdam op 7 maart 2005 verstrekte BTI, nummer

NL-RTD-2000-000582. Deze BTI heeft betrekking op een product omschreven als:

“Inkcartridge”, een patroon gevuld met zwarte inkt, een onderdeel van een inktstraal drukker (afdrukeenheid). De inkt zit in een speciaal gevormde kunststof behuizing welke voorzien is van een bevestigingselement, een verwijderbaar label, een printkop en een gedrukte schakeling welke dient voor de aansturing van de inktpatroon.”

Het product is met behulp van de indelingsregels 1 en 6 ingedeeld in post

8473 30 90.

4. Het geschil en de relevante wetsbepalingen

4.1. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het product waarvoor de BTI is afgegeven, dient te worden ingedeeld onder post 8473 30 90 en niet - zoals de inspecteur heeft gedaan - onder post 3215 90 80 van de GN. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend.

4.2. Vorenvermelde posten luiden als volgt:

Post 3215 19 00:

“3215 Drukinkt, schrijfinkt, tekeninkt en andere inktsoorten, ook indien

geconcentreerd of in vaste vorm:

- drukinkt:

(...)

3215 19 00 - - andere”.

Post 8473 30 90

“8473 Delen en toebehoren (andere dan koffers, hoezen en dergelijke)

waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of

hoofdzakelijk bestemd zijn voor machines en toestellen bedoeld

bij de posten 8469 tot en met 8472:

(..)

8473 30 - delen en toebehoren van de machines bedoeld bij post 8471:

8473 30 10 - - elektronische assemblages

8473 30 90 - - andere”.

4.3. De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in een indelingsadvies het hierna beschreven product onder post 3707 ingedeeld:

Tonercassette (“cartridge”) voor laserprinter

Zogenaamde tonercassettes voor laserprinters, bestaande uit een speciaal, aan een bepaald model laserprinter aangepast bergingsmiddel van kunststof (afmetingen ca. 32 x 19 x 11 cm) gevuld met toner.

De toner moet worden aangemerkt als een chemisch preparaat voor fotografisch gebruik.

De cassette is van de soort die normaal als verpakking voor toner wordt gebruikt.

4.4. De Wereld Douane Organisatie (WDO) heeft in een tweetal indelingsadviezen de hierna beschreven producten onder post 9009 ingedeeld:

Inktpatronen

Patronen, met of zonder inkt, bestaande uit een cilinder van karton met op elk uiteinde een dop van kunststof, en met op één van de uiteinden een as voor het draaien van een speciaal geplooide draad van onedel metaal, en op het ander uiteinde tandwielen voor het omkeren van de draaiinrichting van de draad. De draad, die op drie plaatsen omsloten is door een buis van kunststof, draait rond in het patroon om te voorkomen dat de inkt in poedervorm samenklontert. De patronen hebben een gleuf in de lengterichting waardoor de inkt in poedervorm kan verdwijnen onder invloed van de elektrostatische aantrekking. Zij zijn ontworpen om te worden geplaatst in fotokopieermachines en worden vervangen indien ze leeg zijn.

Inktpatronen

Patronen, met of zonder inkt, bestaande uit een cilinder van karton met op elk uiteinde een dop van kunststof. De ene dop steunt een speciaal geplooide draad van onedel metaal en de andere dient voor het draaien van de draad. De draad, die op twee plaatsen is omsloten door een buis van kunststof, draait rond in het patroon om te voorkomen dat de inkt in poedervorm samenklontert. De patronen hebben een gleuf in de lengterichting waardoor de inkt in poedervorm kan verdwijnen onder invloed van elektrostatische aantrekking. Zij zijn ontworpen om te worden geplaatst in fotokopieermachines en worden vervangen indien ze leeg zijn.

5. Standpunten van partijen

5.1. De inspecteur

5.1.1. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het onderhavige product moet worden ingedeeld onder post 8473 30 90 van de GN. In de BTI is het product terecht onder post 3215 90 80 van de GN gebracht.

De cartridge moet worden ingedeeld naar de inhoud van cartridge, te weten de inkt. De acumenchip is niets meer dan een doseringssysteem. Het systeem geeft slechts de hoeveelheid gebruikte inkt door aan de controller van de printer. De mechanische en elektronische werking van de printer hangt niet af van de aanwezigheid van de cartridge. Deze is geen deel van de printer.

Voorts is de cartridge de gebruikelijk verpakking voor inkt ten behoeve van de onderhavige typen printers. De feitelijk functie van de cartridge wijzigt niet door de toevoeging van een elektronisch element, de acumenchip.

Ook uit het arrest van het Hof van Justitie van 7 februari 2002, Turbon International, C-276/00, volgt dat de onderhavige cartridge moet worden ingedeeld in post 3215. Dat de printer zonder cartridge niet werkt, is niet het gevolg van een gebrekkige werking van de printer maar van het ontbreken van inkt.

Een cartridge zonder mechanische delen kan geen deel zijn van een printer.

Betwist wordt dat belanghebbende schade heeft geleden door het door de inspecteur ingenomen standpunt.

Het tweede Turbon-arrest bevestigt nog eens de juistheid van het dezerzijds ingenomen standpunt.

5.1.2. Ter zitting heeft de inspecteur, zakelijke weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd.

De cartridge vervult geen functie in het printproces. Als de acumenchip aangeeft dat de cartridge leeg is, dan stopt de printer. Gaat er vervolgens een cartridge in van een ander merk, dan geeft de printer aan dat hij die niet kent. Voor de eigenlijke werking van de printer is dit zonder betekenis.

Een cartridge met geïntegreerde printkop is een heel ander goed. Een dergelijke cartridge voert zelf het printproces uit en kan daarom wel als deel of toebehoren worden aangemerkt.

De indeling van de cartridge dient plaats te vinden met behulp van de indelingsregels 1 en 6. Als dit niet zou kunnen dan dient de indeling met behulp van regels 1, 3b en 6 plaats te vinden. In beide gevallen is de inkt bepalend.

De acumenchip op het controllerboard regelt de printsnelheid. De acumenchip op de cartridge houdt slechts de hoeveelheid inkt in de cartridge bij en regelt de toevoer van de hoeveelheid inkt en alles wat daarmee te maken heeft. Meer functies heeft hij niet. In wezen is de acumenchip een soort voorraadadministratie. Dit standpunt is dezerzijds van meet af ingenomen.

De cartridge is eenvoudig na te vullen. Bij videoverhuurbedrijven houdt men zich onder meer bezig met het navullen van cartridges.

5.2. Belanghebbende

5.2.1. De uitspraak van de rechtbank is juist. Het product moet worden ingedeeld onder post 8473 30 90 van de GN. De cartridge is deel van een printer, nu deze vanwege de werking van de daarop aangebrachte elektronische elementen, onontbeerlijk is voor de werking van de printer als geheel. De cartridge vormt een geïntegreerd onderdeel van de printer. Zonder cartridge functioneert de printer niet. De chip doet meer dan het meten van de inkt. De signalen die over en weer door de acumenchiptechnologie worden verstuurd, zijn bepalend voor het gehele printproces. De noodzaak tot vervanging van de onderhavige cartridge is niet zozeer het gevolg van het ontbreken van inkt, maar van het gegeven dat de chip aan de printer doorgeeft dat er niet geprint kan worden. Steun voor dit standpunt wordt gevonden in het hiervoor sub 5.1.1. eerstgenoemde arrest.

Bestreden wordt dat de printsnelheid eenzijdig door de controller van de printer wordt bepaald. Doordat de chip op de cartridge bepalend is voor de afdruksnelheid, moet deze ook bepalend worden geacht voor de doorvoersnelheid van het papier. De printer kan zijn functies niet vervullen als de cartridge met inkt gevuld is, maar de chip verwijderd is.

In Nederland worden, zo blijkt uit raadpleging van de BTI-database op 19 juni 2006, cartridges voorzien van elektronische assemblages gewoonlijk onder post 8473 ingedeeld.

Het standpunt van belanghebbende vindt steun in een uitspraak van het Manchester Tribunal Centre van 19 mei 2006, waarin is beslist dat een van elektronische assemblages voorziene cartridge onder tariefpost 8473 moet worden ingedeeld.

5.2.2. Ter zitting heeft belanghebbende, zakelijke weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd.

De cartridge kan met behulp van indelingsregels 1 en 6 worden ingedeeld. Als dit niet zou kunnen, dan valt te denken aan indelingsregels 1,3a en 6 of 1, 3b en 6. Zelfs zou nog kunnen worden gedacht aan regels 1, 3c en 6.

De cartridge is vergelijkbaar met een cartridge met geïntegreerde printkop. De sub 2.4. en 2.5. vermelde BTI’s zijn overgelegd om dit standpunt te ondersteunen.

De cartridges inclusief acumenchip zijn voor eenmalig gebruik en worden als ze leeg zijn in hun geheel vervangen.

De acumenchip regelt de printsnelheid en geeft de printsnelheid door aan het controllerboard. De testresultaten die dit bevestigen zijn destijds bij de aanvraag van de BTI bijgevoegd.

Het inkttoevoersysteem maakt deel uit van de printer. De acumenchip op de cartridge stuurt het systeem aan. In wezen houdt het inkttoevoersysteem het hele proces van printen in.

Het standpunt van belanghebbende vindt steun in het arrest van het Hof van Justitie van 15 februari 2007, Ruma, C-183/06. In dit arrest ging het om de indeling van delen van mobiele telefoons, door het Hof van Justitie ingedeeld in post 8525 van de GN. Daarbij nam het Hof als uitgangspunt de functionele eenheid die het betreffende onderdeel vormde met de andere samenstellende delen.

6. De overwegingen van de Douanekamer

6.1. De indeling in de GN

6.1.1. De Douanekamer stelt voorop dat de onderwerpelijke inktcartridges zijn bestemd om te worden gebruikt in machines (inkjetprinter) als bedoeld bij post 8471.

6.1.2. Voor het aanmerken van goederen als deel of toebehoren is het nodig dat goederen een integrerende functie hebben tijdens de werking van het apparaat, waarvan zij deel of toebehoren zijn. In casu is dit het geval, omdat de cartridge, als weergegeven sub 3.3.1. tot en met 3.3.4., noodzakelijk is voor het functioneren van de printer. De cartridge zou op zichzelf dan ook als “deel of toebehoren” kunnen worden gekwalificeerd en daarom onder postonderverdeling 8473 30 90 kunnen worden ingedeeld.

6.1.3. Daarnaast bevat de cartridge inkt. Deze inkt in de cartridge kan evenwel niet als deel of toebehoren van de printer worden aangemerkt, maar valt onder de omschrijving van postonderverdeling 3215 19 00.

6.1.4. De conclusie uit de overwegingen 6.1.2. en 6.1.3. is dat in casu sprake is van een samengesteld werk als bedoeld in algemene regel 2b voor de interpretatie van de GN, waarvan de indeling dient te geschieden aan de hand van regel 3.

6.1.5. Ofschoon een inktcartridge als in het geding zo vervaardigd is dat de printer zonder deze cartridge niet werkt, is de inkt in deze cartridge van doorslaggevend belang voor het gebruik van het betrokken product. De inktcartridge wordt immers niet in de printer geplaatst om deze te doen werken als zodanig, maar juist met het doel hem van inkt te voorzien. Hieruit volgt

- in navolging van het Turbon-arrest - dat de inkt een inktcartridge als in het geding zijn wezenlijk karakter verleent. Op grond van regel 3b moet het product daarom worden ingedeeld onder de post van de inkt, te weten post 3215 19 00 van de GN.

6.2. Het beroep op de BTI’s en op indelingen van andere documenten

6.2.1. Het beroep van belanghebbende op de sub 3.4. en 3.5. vermelde BTI’s verwerpt de Douanekamer. Deze BTI’s zien op een ander product met andere kenmerken, terwijl bovendien belanghebbende daarvan niet de rechthebbende is.

6.2.2. Ook de sub 5.2.1. vermelde tariefbeslissing uit het Verenigd Koninkrijk en het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Ruma, reeds aangehaald sub 5.2.2., waarin een wezenlijk anders samengesteld product aan de orde is, werpen voor de Douanekamer met betrekking tot het litigieuze product geen ander licht op de zaak. Hetzelfde geldt voor de sub 4.3. en 4.4. genoemde adviezen.

6.3. Conclusie

De afgegeven BTI en de uitspraak op bezwaar zijn juist: het hoger beroep van de inspecteur is gegrond.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een vergoeding van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet berstuursrecht.

7.2. Nu de inspecteur hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven, wordt ingevolge artikel 27l, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van de Staat geen griffierecht geheven.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- handhaaft de uitspraak van de inspecteur van 1 april 2005.

De uitspraak is vastgesteld op 26 juni 2007 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, en mr. M.E. van Hilten en mr. M.J. Kuiper, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.G. van Aalst, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

De Douanekamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.