Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9649

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2007
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
44/07 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afhandeling boedel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Bij vervroeging

Beslissing van 12 juli 2007 in de zaak onder rekestnummer 44/07 NOT van:

IR. [A],

wonende te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

MR. [X],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. J.F.M.J. Mathijsen.

1. Het geding in hoger beroep

Van de zijde van appellant, verder te noemen klager, is bij een op 12 januari 2007 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Maastricht, verder te noemen de kamer, van 5 december 2006, verzonden op 14 december 2006, waarbij de klacht van klager gericht tegen geïntimeerde, hierna te noemen de notaris, ongegrond is verklaard.

1.2. Namens de notaris is op 20 februari 2007 een verweerschrift – met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Op 12 juni 2007 zijn nog aanvullende stukken van de zijde van klager ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 14 juni 2007. Klager, de notaris en diens gemachtigde zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd, klager en de gemachtigde van de notaris aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat. Het hof voegt er aan toe dat ook de broer van klager contact heeft opgenomen met de notaris.

4. Het standpunt van klager

4.1. Klager verwijt de notaris dat hij bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden betreffende de afhandeling van de nalatenschap van de erflater partijdig, onzorgvuldig en nalatig is geweest.

De partijdigheid blijkt onder meer hieruit dat de notaris zich te veel heeft laten leiden door K.L. [B], verder te noemen: [B]. De notaris heeft klager in eerste instantie meegedeeld dat de samenlevingsovereenkomst tussen erflater en [B] niet meer van toepassing was. Hiervan is de notaris na een gesprek met [B] teruggekomen. Ook was [B] wel bij het opmaken van de inventaris aanwezig in de woning van erflater, terwijl er van de erfgenamen niemand aanwezig mocht zijn.

Volgens klager is de notaris onzorgvuldig geweest bij het verwerken van de gegevens in de dadingovereenkomst en door op de inventarislijst niet alles te beschrijven.

De nalatigheid van de notaris zou onder meer blijken uit het weigeren van de notaris om de fouten in de dading te herstellen, om de abonnementen op te zeggen en voorts om een aantal financiële kwesties af te handelen.

Ook is de notaris toezeggingen en afspraken niet nagekomen. Zo is, ondanks de mededeling van de notaris dat geen goederen uit de woning zouden kunnen verdwijnen, de ring van erflater nimmer te voorschijn gekomen. Daarenboven verwijt klager de notaris onnodig grievend en kwetsend te zijn geweest door klager niet op de hoogte te stellen van de datum van de uitstrooiing van de as van erflater.

4.2. De notaris wordt ten slotte verweten dat hij heeft nagelaten te voldoen aan zijn verplichting ondanks het beperkte budget toch een minimale dienstverlening te verstrekken.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris heeft de stellingen van klager betwist en verweert zich als volgt.

5.2. De notaris heeft betoogd dat hij in de netelige situatie gerezen tussen klager en zijn familie enerzijds en [B] anderzijds heeft gekozen voor een oplossingsgerichte aanpak om de conflicten niet op de spits te drijven en om de kosten in de hand te houden. Dit heeft geresulteerd in het opmaken van een inventarislijst van de zaken in de woning van erflater en [B] en het opstellen van een overeenkomst van dading en een verklaring van erfrecht. Daarbij heeft de notaris welbewust aanvaard dat hij zijn gewerkte uren niet alle zou kunnen declareren.

6. De beoordeling

6.1. Klager richt in de onderhavige zaak een groot aantal verwijten aan het adres van de notaris, die hiervoor gecomprimeerd zijn weergegeven. Het hof is van oordeel dat de klachten van klager geen doel treffen. De notaris is er in geslaagd met de familie en [B] tot een vaststellingsovereenkomst (door hen aangeduid als dading) te komen in een situatie die minst genomen als moeizaam gekenschetst kan worden. De notaris heeft vóór de aanvang van zijn werkzaamheden voorgesteld dat hij de afwikkeling van de nalatenschap éénmaal zo goed mogelijk zou bekijken om vervolgens op grond van een beperkt advies tot afronding ineens van de boedel te kunnen overgaan. Hiertegenover zou staan dat het honorarium van de notaris slechts € 250,-- zou bedragen. Hiermee is klager akkoord gegaan.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de boedel omvangrijker was dan de notaris had verwacht, waardoor de afhandeling ervan langere tijd in beslag heeft genomen dan was voorzien. In dat licht bezien is het hof van oordeel dat de notaris zich binnen de aan hem verstrekte opdracht naar vermogen heeft ingespannen. Wel was het op zijn plaats geweest als de notaris van meet af aan duidelijk naar voren zou hebben gebracht wat klager van hem – gelet op zijn beperkte opdracht – kon verwachten. Ondanks de constatering dat de notaris hierin enigszins nalatig is gebleven, kan het handelen van de notaris niet als klachtwaardig worden bestempeld. Dit klachtonderdeel acht het hof ongegrond.

6.2. Dit geldt evenzeer voor het klachtonderdeel met betrekking tot de verplichting tot minimale dienstverlening. De kamer heeft zich onbevoegd verklaard ten aanzien van dit klachtonderdeel, aangezien de kamer het klachtonderdeel heeft uitgelegd als een klacht gericht tegen de hoogte van de declaratie van de notaris. Ter terechtzitting van dit hof heeft klager nogmaals naar voren gebracht dat eerder vermeld klachtonderdeel niet ziet op de hoogte van het honorarium van de notaris, maar op verplichting van de notaris tot het verlenen van minimale dienstverlening. De kamer heeft zich dan ook ten onrechte onbevoegd verklaard, wat er overigens ook zij van de bevoegdheid van de kamer om in voorkomende gevallen te beoordelen of de hoogte van het honorarium van de notaris in overeenstemming is met hetgeen een behoorlijk notaris of kandidaat-notaris betaamt. Het hof zal de beslissing van de kamer op dit punt vernietigen en het klachtonderdeel ongegrond verklaren, nu het hof van oordeel is dat de notaris met zijn dienstverlening ten minste heeft voldaan aan hetgeen de hem verstrekte opdracht inhield.

6.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.4. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer van 5 december 2006 voor zover het betreft rubriek 4.2. en – in zoverre - opnieuw rechtdoende:

- verklaart de hiervoor onder 6.2. weergegeven klacht ongegrond;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper. J.C.W. Rang en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 12 juli 2007 door de rolraadsheer.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET

ARRONDISSEMENT MAASTRICHT

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen voormeld heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van

[A],

wonende te [plaats]

hierna te noemen: klager,

en:

MR. [X]

notaris te [plaats],

hierna te noemen: de notaris

1. Het verloop van de procedure

Bij schrijven van 17 maart 2006, met bijlagen, heeft klager bij de Kamer van Toezicht te Roermond een klacht ingediend tegen de notaris.

Aangezien de notaris deel uitmaakt van de Kamer van Toezicht te Roermond heeft de president van het Gerechtshof te Amsterdam bij beslissing ex artikel 98, lid 3 Wna. van 5 april 2006 de Kamer van Toezicht te Maastricht belast met de behandeling van de klachten.

Bij brief van 6 juni 2006, met bijlagen, heeft de notaris op de klacht gereageerd.

Op 23 oktober 2006 heeft de Kamer de klacht behandeld in aanwezigheid van klager en de notaris.

Na afloop van de behandeling is medegedeeld dat partijen zo spoedig mogelijk de beslissing van de Kamer tegemoet kunnen zien.

2. De vaststaande feiten

Op 9 december 2003 hebben klager en zijn moeder contact opgenomen met de notaris nadat bij hem de huissleutel van de woning van de op 3 december 2003 overleden K.G.J. [A] (hierna te noemen: erflater), vader van klager, was afgegeven.

Op 21 januari 2004 had klager een tweede bespreking met de notaris.

Op 3 mei 2004 heeft klager de overeenkomst van dading van de notaris ontvangen.

Op 27 mei 2004 heeft de notaris alle volmachten ontvangen.

Op 6 september 2004 is de inboedel door klager c.s. afgehaald.

Op 25 oktober 2004 heeft klager de notaris schriftelijk laten weten niet tevreden te zijn met de afwikkeling van het dossier.

Bij brieven van 9 en 24 november 2004 heeft klager bij de notaris geklaagd over de afrekening, waarop door de notaris bij brief van 31 december 2004 is gereageerd.

3. De inhoud van de klacht en de reactie van de notaris daarop

3.1 Klager verwijt de notaris - zakelijk weergegeven - dat hij bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden betreffende de afhandeling van de nalatenschap van de erflater partijdig, onzorgvuldig en nalatig is geweest. Ook is de notaris zijn toezeggingen en afspraken niet nagekomen en verwijt klager de notaris onnodig grievend en kwetsend te zijn geweest.

De partijdigheid van de notaris blijkt volgens klager onder meer uit het volgende. Nadat de notaris in eerste instantie had aangegeven dat het door erflater opgemaakte testament en het samenlevingscontract van erflater en diens partner, mevrouw K.L.[B], niet geldig waren, kwam hij daarop terug na daarover met mevrouw [B] gesproken te hebben en haar beweringen ten aanzien van het feitelijk samenleven van erflater en mevrouw [B] overgenomen te hebben. Datzelfde geldt met betrekking

tot het bezit van de auto van erflater. Bij het opmaken van de inventaris in de woning van erflater was wél mw. [B] aanwezig maar van de erfgenamen mocht niemand aanwezig zijn. De notaris was ook partijdig met betrekking tot het aannemen van het exclusieve bezit van meerdere goederen.

Onzorgvuldig was de notaris onder meer door in de dading onjuiste gegevens op te nemen, door op de inventarislijst niet alles te beschrijven en door in zijn schrijven van 24 oktober 2004 te beweren een brief van de erflater te hebben ontvangen.

De nalatigheid van de notaris blijkt volgens klager uit de volgende feiten:

- hij weigerde de omissies in de dading aan te passen, de abonnementen op te zeggen en het ten onrechte geïnde terug te vorderen, het voorschot energiekosten, de autofinanciering en de wegenbelasting van erflater correct af te handelen,

- hij weigerde zijn dienst inzake het terugvorderen van de ten onrechte geïnde premie voor een begrafenisverzekering van erflater,

- hij weigerde te reageren op de incorrecte inning van de huurgelden.

Ook is de notaris toezeggingen en afspraken niet nagekomen. Ondanks zijn toezegging heeft de notaris de nalatenschap niet snel afgehandeld. De notaris had toegezegd dat geen spullen zouden kunnen verdwijnen, zoals bijvoorbeeld een zegelring, omdat hij een inventaris van alle spullen zou opstellen. Maar de inventarislijst blijkt onvolledig en een aantal spullen zoals de zegelring, is verdwenen.

Onnodig grievend en kwetsend was de notaris omdat hij de datum en het tijdstip van de uitstrooiing van de as van erflater nooit aan klager heeft medegedeeld, omdat hij pas na veel discussie de laatste rustplaats van de erflater wilde mededelen en omdat hij de nalatenschap zeer traag heeft afgehandeld waardoor klager al die tijd geconfronteerd werd met het overlijden van de erflater.

Tot slot is klager van mening dat de notaris, ondanks het beperkte budget, toch verplicht was een minimale dienstverlening te verstrekken.

3.2 De notaris heeft tegen de klachten gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Klager verwijt de notaris dat hij bij het uitoefenen van zijn werkzaamheden betreffende de afhandeling van de nalatenschap van de erflater partijdig, onzorgvuldig en nalatig is geweest. Ook is de notaris toezeggingen en afspraken niet nagekomen en verwijt klager de notaris onnodig grievend en kwetsend te zijn geweest.

De Kamer overweegt hierover als volgt.

Niet weersproken is dat klager c.s. akkoord gegaan zijn met het voorstel van de notaris dat hij de afhandeling van de nalatenschap eenmaal zo goed mogelijk zou bekijken en op basis van zijn bevindingen, zonder verdere uitgebreide bespreking met partijen, een advies aan de belanghebbenden zou voorleggen om daarmee ineens alles af te kunnen ronden. Het honorarium van de notaris zou een symbolisch bedrag zijn omdat er geen financiële middelen waren voor een normale boedelafhandeling. Dat deze beperkte opdracht aan de notaris ook gevolgen zou hebben voor de eisen welke gesteld konden worden aan de (snelheid van) afhandeling, zoals de notaris stelt, acht de Kamer niet onredelijk of onbillijk; maar gezien de opmerkingen/klachten in de brieven van klager aan de notaris had de notaris er mogelijk beter aan gedaan om zijn beperkte opdracht bij de afhandeling van de nalatenschap aan klager duidelijk(er) te maken. De Kamer acht de handelwijze van de notaris in dezen echter niet van dien aard dat de notaris hiermee klachtwaardig gehandeld heeft. De klacht is dan ook ongegrond.

4.2 Voor zover klager zich wenst te beklagen over het door de notaris gedeclareerde honorarium dient de kamer zich onbevoegd te verklaren om daarover te oordelen. Immers ingevolge het bepaalde in artikel 55, lid 2 Wna kan een geschil over een declaratie door de meest gerede partij worden voorgelegd aan de voorzitter van het bestuur van de ring van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie in het arrondissement waar de notaris gevestigd is, in dit geval het arrondissement Roermond.

5. De beslissing

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Maastricht:

- verklaart de klacht onder 4.1 tegen de notaris ongegrond.

- verklaart zich onbevoegd terzake de klacht onder 4.2

Aldus gegeven te Maastricht op 5 december 2006 door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. R.P.G. Houterman en mr. C.L.J.R.Douven, kroonleden, mr. M.M.L.H. Voncken en mr. C.J. Leussink, notarisleden, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.Chr.H.M.Geurts, secretaris.