Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9617

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2007
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
28/07 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Kamer is van oordeel dat daar waar de klacht zich richt op de ­ volgens klaagster ­ onjuistheden in het deskundigenbericht klaagster haar bezwaren hiertegen in de civielrechtelijke procedure naar voren heeft kunnen brengen. Naar het oordeel van de Kamer treft de notaris met betrekking tot de totstandkoming en de inhoud van het deskundigenbericht geen tuchtrechtelijk verwijt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BIJ VERVROEGING

Beslissing van 12 juli 2007 in de zaak onder rekestnummer 28/07 NOT van:

DRS. [A],

wonende te [plaats],

APPELLANTE,

t e g e n

MR. [X],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: jhr. mr. F.C. van Spengler.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Door appellante, verder te noemen klaagster, is bij een op 10 januari 2007 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Gravenhage, verder te noemen de kamer, van 13 december 2006, waarbij de klacht van klaagster tegen geïntimeerde, hierna te noemen de notaris, ongegrond is verklaard.

1.2. Op 8 februari 2007 is van de zijde van de notaris een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 14 juni 2007. Klaagster en de notaris, vergezeld van haar gemachtigde, zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd, klaagster aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de notaris het volgende. Bij het uitvoeren van de opdracht van de rechtbank heeft de notaris een inhoudelijk onjuist deskundigenbericht opgesteld. Ook de conclusie die de notaris heeft opgenomen in het deskundigenbericht is onjuist. In hoger beroep heeft klaagster er nadrukkelijk op gewezen dat de notaris in het deskundigenbericht onder meer concludeert dat klaagster en een van haar zussen uit de nalatenschap en de legaten ƒ 188.934,43 zouden hebben verkregen, hetgeen onjuist is omdat aan hen geen legaten zijn toegekend en zij bovendien nog geen enkele betaling uit de nalatenschap hebben ontvangen. De rechtbank te `s-Hertogenbosch heeft op grond van het deskundigenbericht van de notaris het aan ieder der erfgenamen toekomend erfdeel vastgesteld, maar geen betalingsveroordeling uitgesproken. Klaagster heeft zich genoodzaakt gezien om hoger beroep aan te tekenen tegen dit vonnis.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris heeft de stellingen van klaagster betwist en verweert zich als volgt.

In de eerste plaats stelt de notaris dat zij door de rechtbank ’s-Hertogenbosch niet in haar hoedanigheid van notaris is benoemd doch als deskundige vanwege haar wetenschappelijke kennis op het desbetreffende rechtsgebied. Voorts stelt de notaris dat zij het deskundigenbericht heeft uitgebracht aan de rechtbank en niet aan de bij de desbetreffende procedure betrokken partijen. De notaris meent dat zij aan genoemde partijen geen verantwoording verschuldigd is en dat partijen deze verantwoording ook niet kunnen afdwingen in een procedure als deze. Het is aan de rechtbank en het hof in de desbetreffende civiele zaak om de conclusies uit het deskundigenbericht al dan niet over te nemen.

5.2. Ten overvloede is de notaris ingegaan op de inhoudelijke argumenten van klaagster ten aanzien van de juistheid van het deskundigenbericht. Voor zover nodig zal het hof hierop ingaan bij de beoordeling.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent de klacht dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.2. Nu klaagster in hoger beroep heeft benadrukt dat het haar vooral gaat om de zinsnede uit het deskundigenbericht waarin wordt geconcludeerd dat klaagster “uit de nalatenschap met daarbij opgetelde legaten” een zeker bedrag zou hebben “verkregen”, voegt het hof aan het voorgaande nog toe dat de gewraakte zinsnede binnen de gegeven context niet anders kan worden uitgelegd dan dat daarmee wordt bedoeld de erfrechtelijke aanspraak, waar dat van toepassing is met bijtelling van toegekende legaten, zonder toepassing van de inkorting en zonder dat hierbij reeds sprake hoeft te zijn van het daadwerkelijk hebben ontvangen van gelden uit de nalatenschap.

6.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.4. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, J.C.W. Rang en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 12 juli 2007 door de rolraadsheer.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen ’s­Gravenhage

Beslissing d.d. 13 december 2006 inzake de klacht onder nummer 06­16 van:

drs [A],

hierna ook te noemen: klaagster,

tegen

mr [X],

notaris te [plaats],

hierna ook te noemen: de notaris,

advocaat jhr mr F.C. van Spengler.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

? de klacht, met bijlagen, ingekomen op 13 april 2006 bij de Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat­Notarissen te Rotterdam;

? de beslissing ex artikel 98 lid 3 Wet op het notarisambt van 16 mei 2006 van het Gerechtshof te Amsterdam, waarbij de Kamer van Toezicht te ’s­Gravenhage is belast met de behandeling van deze zaak;

? het antwoord van de notaris;

? de repliek van klaagster, met bijlagen;

? de dupliek van de notaris.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 november 2006. Daarbij waren aanwezig klaagster en de notaris, bijgestaan door haar advocaat.

Klaagster en de advocaat van de notaris hebben ieder gepleit aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.

Van het verhandelde is proces­verbaal opgemaakt.

De feiten

1. Op 4 maart 1997 is [B], vader van klaagster, overleden. De vader en de moeder waren in gemeenschap van vruchten en inkomsten met elkaar gehuwd. De vader heeft bij testamenten van 8 december 1992 en 27 juli 1994 over zijn nalatenschap beschikt.

2. Bij [tussen]vonnis van 15 oktober 2003 van de rechtbank ’s­Hertogenbosch in een civielrechtelijke procedure met klaagster als eiseres en de overige erfgenamen als gedaagden over de uitvoering van de testamenten heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in der minne te regelen.

3. Bij vonnis van 20 oktober 2004 van de rechtbank ’s­Hertogenbosch in voormelde procedure is, omdat partijen hun geschil niet hebben kunnen regelen, de notaris tot deskundige benoemd. Zij heeft daarbij de opdracht van de rechtbank gekregen om met inachtneming van de door de rechtbank in dit vonnis en het vonnis van 15 oktober 2003 gegeven uitgangspunten de legitieme porties te berekenen en te bepalen of er sprake is van schending van de legitieme porties van klaagster en haar zus H. Holsheimer en ­bij schending ­ in welke mate dat heeft plaatsgevonden en haar opvattingen vervolgens aan de rechtbank te rapporteren en de rechtbank daarover te adviseren.

4. Bij eindvonnis van 1 februari 2006 van de rechtbank ’s­Hertogenbosch in meergenoemde procedure heeft de rechtbank op grond van het uitgebracht deskundigenbericht van de notaris het aan ieder der erfgenamen toekomend erfdeel vastgesteld.

5. Klaagster is tegen het eindvonnis van 1 februari 2006 in hoger beroep gegaan.

De klacht en het verweer

Klaagster verwijt de notaris in de eerste plaats bepaalde onjuistheden in het deskundigenbericht en voorts dat klaagster door deze onjuistheden hoger beroep heeft moeten aantekenen tegen het vonnis van 1 februari 2006 van de rechtbank ’s­Hertogenbosch.

De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna ­ voor zover nodig ­ zal worden besproken.

De beoordeling van de klacht

De Kamer van Toezicht ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het in deze procedure door klaagster aangevochten handelen van de notaris als een door de rechtbank benoemde deskundige, welk handelen is gelegen buiten haar ambtswerkzaamheden, afbreuk kan doen aan de eer en het aanzien van het ambt dat de notaris bekleedt en daarom valt onder het notariële tuchtrecht. De Kamer is van oordeel dat genoemd handelen zodanig raakt aan haar functioneren als notaris dat dit in een procedure als deze kan worden beoordeeld.

Vervolgens ligt aan de Kamer de vraag ter beoordeling voor of de notaris in haar hoedanigheid van door de rechtbank ´s­Hertogenbosch benoemde deskundige een deskundigenbericht heeft geschreven, dat gezien de door klaagster gestelde onjuistheden technisch dan wel juridisch onaanvaardbaar is.

De Kamer neemt hiervoor in aanmerking dat de notaris voor haar werkzaamheden als deskundige heeft moeten uitgaan van de duidelijk omschreven opdracht zoals verwoord in het vonnis van 20 oktober 2004 van de rechtbank [rechtsoverweging 2.11 van voormeld vonnis]. Daarbij heeft de rechtbank de notaris vrijgelaten om al datgene ter kennis van de rechtbank te brengen, wat zij ter nadere voorlichting van de rechtbank noodzakelijk en/of wenselijk acht.

Vervolgens zijn partijen in de civiele procedure, met inbegrip van klaagster, door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om een conclusie na deskundigenbericht te nemen; vervolgens zijn er nog nadere aktes door partijen genomen. De rechtbank heeft de verschillende standpunten van partijen tenslotte in haar eindvonnis van 1 februari 2006 beoordeeld en is tot het oordeel gekomen dat de deskundige haar onderzoek naar behoren heeft uitgevoerd en dat haar conclusies, voor zover de rechtbank hiervan niet gemotiveerd is afgeweken, deugdelijk en overtuigend zijn gemotiveerd. De rechtbank heeft zich daarbij in hetzelfde vonnis, na correctie van het bedrag aan individuele schenkingen, verenigd met het oordeel van de deskundige en de gronden waarop dat berust [rechtsoverweging 2.3 van voormeld vonnis].

De Kamer is, gelet op het vorenoverwogene, van oordeel dat daar waar de klacht zich richt op de ­ volgens klaagster ­ onjuistheden in het deskundigenbericht, klaagster haar bezwaren hiertegen in voormelde civielrechtelijke procedure naar voren heeft kunnen brengen. Naar het oordeel van de Kamer treft de notaris met betrekking tot de totstandkoming en de inhoud van het deskundigenbericht geen tuchtrechtelijk verwijt. Zij diende zich immers voor het uitbrengen van haar deskundigenbericht te houden aan de opdracht van de rechtbank. Dit is bepalend geweest voor de ­ door de rechtbank te beoordelen ­ inhoud van dit bericht. Voor de Kamer geeft hierbij de doorslag dat het deskundigenbericht door de rechtbank vervolgens ­ zoals blijkt uit haar vonnis van 1 februari 2006 ­ deugdelijk en overtuigend gemotiveerd is bevonden. Daar waar de rechtbank dat nodig heeft gevonden, heeft zij de conclusies uit dat bericht bijgesteld. Deze bijstelling is niet zodanig relevant dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar is. De rechtbank heeft zich uiteindelijk verenigd met het oordeel van de notaris [optredend als deskundige] en met de gronden waarop dat oordeel berust.

Het ligt in dit verband overigens niet op de weg van de Kamer om vervolgens een oordeel te vellen over het oordeel en de beslissing van genoemde rechtbank aangaande het deskundigenbericht. Het inhoudelijk beoordelen door de Kamer van het deskundigenbericht op de door klaagster gestelde onjuistheden zou daar immers op neerkomen. Daarvoor is het gerechtshof te ´s­Hertogenbosch de van rechtswege aangewezen instantie in hoger beroep.

Dat klaagster zich in de civielrechtelijke procedure genoodzaakt heeft gezien, door het volgens haar onjuiste deskundigenbericht van de notaris, in hoger beroep te gaan van het vonnis van voormelde rechtbank, kan naar het oordeel van de Kamer evenmin aan de notaris worden verweten. Aan de notaris kan immers niet worden verweten dat de rechtbank te ´s­Hertogenbosch tot een ander oordeel is gekomen dan klaagster.

De klacht is daarom in beide onderdelen ongegrond.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart de klacht in beide onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs R.J. Paris, voorzitter, G.H.I.J. Hage, J.Z. Moree, B.C. Tielen en N.P.C. van Wijk, en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr A. Saab, in het openbaar uitgesproken op 13 december 2006.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.