Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9491

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
2007/358
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek WSNP. Schuldenaar is zonder titel op grond waarvan het haar zou worden toegestaan in Nederland arbeid te verrichten, zodat WSNP-verplichtingen niet kunnen worden nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 juni 2007

eerste civiele kamer

rekestnummer 2007/358

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Arrest

in de zaak van:

[appellante] e/v [A.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: mr. S.A. van der Sluis.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 26 maart 2007 is het verzoek van appellante (hierna te noemen: [appellante]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dit vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 2 april 2007 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, die het hof per fax op 29 mei 2007 heeft ontvangen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2007, waarbij [appellante] is verschenen in persoon, vergezeld van haar echtgenoot, en bijgestaan door mr. R.P. Seger, advocaat te Loenen aan de Vecht.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellante] in gemeenschap van goederen is gehuwd. Haar echtgenoot is bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 februari 2007 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. De totale gemeenschappelijke schuldenlast bedraagt ongeveer € 112.000,- en is voornamelijk zakelijk van aard.

3.2 De rechtbank grondt de afwijzing van het verzoek van [appellante] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op het oordeel dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting met sollicitatieactiviteiten niet kan nakomen, omdat niet de verwachting bestaat dat [appellante] op korte termijn het Nederlandse staatsburgerschap zal verkrijgen en haar nog geen permanente verblijfsvergunning is verleend.

3.3 [appellante] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank een onjuiste interpretatie van de wettelijke schuldsaneringsregeling is. Voorts leidt de uitspraak van de rechtbank tot het ongewenste neveneffect dat de echtgenoot van [appellante], welke wel tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten, uiteindelijk de schulden niet zal kwijtraken, omdat hij met [appellante] in gemeenschap van goederen gehuwd is.

3.4 [appellante] heeft een verplichting om gedurende de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling – in het kader van de inspanningsverplichting – te solliciteren naar betaalde arbeid. [appellante] heeft momenteel geen titel op grond waarvan het haar is toegestaan in Nederland arbeid te verrichten. Derhalve mag [appellante] geen arbeid verrichten. Het hof is van oordeel dat [appellante] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal kunnen nakomen en daarom moet het verzoek worden afgewezen. Dat het niet toelaten van [appellante] negatieve gevolgen heeft voor de wettelijke schuldsaneringsregeling van de echtgenoot – met wie [appellante] in gemeenschap van goederen gehuwd is – kan niet tot een ander oordeel leiden. De Hoge Raad heeft immers in zijn arrest van 4 juni 2004 (LJN: AO6933; NJ2004,638) bepaald dat ieder verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, ook bij in enige gemeenschap van goederen gehuwde, echtelieden afzonderlijk moet worden beoordeeld.

3.5 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 26 maart 2007.

Dit arrest is gewezen door mrs. Groen, Smeeïng-van Hees en Vaessen en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2007.