Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9183

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
472/07 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgvuldigheid bij het opstellen van een proces verbaal van constatering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BIJ VERVROEGING

Beslissing van 28 juni 2007 in de zaak onder rekestnummer 472/07 GDW van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[...] B.V.,

gevestigd te [...],

APPELLANTE,

gemachtigde: mr. A.J.B. van Walsem

t e g e n

[...],

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [...],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 29 december 2006 ingekomen een verzoekschrift - met bijlagen - van de zijde van appellant, verder te noemen klaagster, waarbij zij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing (abusievelijk aangeduid als beschikking) van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 28 november 2006, verzonden op 1 december 2006, waarbij de klacht tegen geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, als kennelijk ongegrond is afgewezen.

1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarder is een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen op 18 mei 2007.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 mei 2007. Namens klaagster zijn haar directeur, [...], en haar gemachtigde verschenen. De toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder is eveneens verschenen. Allen hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie, alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. De beoordeling van de bestreden beslissing

Reeds omdat het dictum niet in overeenstemming is met de wet kan het hof zich niet verenigen met de beslissing van de kamer, behoudens de daarin in rubriek 1. vervatte vaststelling van de feiten. Het hof zal de beslissing derhalve in zoverre vernietigen.

5. Het standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij tot twee maal toe uiterst onzorgvuldig en niet waarheidsgetrouw processen-verbaal van constatering heeft opgemaakt. De gerechtsdeurwaarder heeft nagelaten te vermelden dat onder de regenpijp een duidelijk zichtbare grindput was aangebracht, waarin het regenwater terechtkwam. Dit was een essentieel onderdeel van de door klaagster aangebrachte voorziening. Aangezien ter plaatse grind lag was er voldoende aanleiding voor de gerechtsdeurwaarder om te veronderstellen dat een dergelijke put was aangebracht, aangezien van algemene bekendheid mag worden verondersteld dat grind van belang is (kan zijn) voor de afwatering. Bovendien heeft de gerechtsdeurwaarder wel exact melding gemaakt van onder meer het hoogteverschil tussen het bordes van klaagster en het naastgelegen lagere erf alsmede een geul en een richel. Klaagster stelt dat het er wel haast voor gehouden moet worden dat de gerechtsdeurwaarder moedwillig de grindput niet heeft vermeld en dat hij ter wille van zijn opdrachtgever misleidend verslag heeft gedaan van de situatie. Klaagster vraagt zich af of de gerechtsdeurwaarder wel ter plekke de situatie in ogenschouw heeft genomen.

6. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder stelt op 6 en op 26 september 2005 op verzoek van zijn opdrachtgever een proces-verbaal van constatering te hebben opgemaakt over de situatie van de afwatering van een overkapping. Deze situatie werd nader omschreven in een vonnis van de rechtbank te Utrecht van 5 juli 2005. De gerechtsdeurwaarder stelt te hebben beschreven hoe een regenpijp was bevestigd aan genoemde overkapping, met een zogenaamde open mond, die op een hoogte van ongeveer 20 cm afwaterde. Ter plaatse heeft de gerechtsdeurwaarder niet kunnen constateren dat er een grindput was aangebracht. Tenslotte wijst de gerechtsdeurwaarder op het karakter van een proces-verbaal van constatering: het betreft een beschrijving en vastlegging van eigen waarneming van de verbalisant en elke veronderstelling dient hier buiten te blijven.

7. De beoordeling

7.1. Door de gerechtsdeurwaarder zijn als bijlagen bij zijn verweer in eerste aanleg foto’s in het geding gebracht. Ter zitting in hoger beroep zijn ook door klaagster foto’s getoond. Vaststaat dat al die foto’s de situatie weergeven, zoals de gerechtsdeurwaarder deze ten tijde van het opmaken van het proces-verbaal van constatering heeft aangetroffen. Die situatie is op deze foto’s ook duidelijk waarneembaar.

De gerechtsdeurwaarder merkt terecht op dat hij geen veronderstellingen in zijn proces-verbaal van constatering dient op te nemen. Dat hij de aanwezigheid van een grindput niet heeft beschreven, wordt hem door het hof dan ook niet verweten en in zoverre is de klacht ongegrond.

7.2. Het hof is daarnaast van oordeel dat het als onzorgvuldig kan worden beschouwd dat de gerechtsdeurwaarder geen melding heeft gemaakt van de aanwezigheid van eerdergenoemde uitsparing in de tegels en het in die uitsparing aanwezige grind, mede gezien de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder de situatie ter plaatse heeft beschreven en de gedetailleerdheid van deze beschrijving. Dat geldt temeer gelet op het kader waarin de opdracht was gegeven, namelijk het gebod uit de uitspraak van 5 juli 2005 van de voorzieningenrechter te Utrecht: de afwatering van de overkapping van het gebouw van klaagster zodanig te wijzigen dat het water van die overkapping niet meer op het erf van de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder terecht komt. Uit de foto’s blijkt duidelijk dat de regenpijp afwatert op het direct daaronder aanwezige grind. De gerechtsdeurwaarder had die aanwezigheid niet onbeschreven behoren te laten.

In zoverre is de klacht daarom gegrond.

7.3. Dat de gerechtsdeurwaarder deze beschrijving moedwillig achterwege heeft gelaten dan wel de situatie met opzet misleidend heeft beschreven, is het hof niet gebleken. Het hof heeft ook geen aanleiding om te veronderstellen dat de gerechtsdeurwaarder niet ter plaatse is geweest alvorens de processen-verbaal op te maken. In zoverre zal de klacht dan ook ongegrond worden verklaard.

7.4. Het hof ziet geen aanleiding om de gerechtsdeurwaarder vanwege de hiervoor onder 7.2 vermelde onzorgvuldigheid een maatregel op te leggen.

7.5. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

7.6. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

8. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing en opnieuw rechtdoende:

- verklaart de klacht gegrond zoals omschreven in rubriek 7.2., doch legt deswege geen maatregel op;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 28 juni 2007 door de rolraadsheer.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 28 november 2006 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met het nummer 38.2006 van:

[ ],

gevestigd te [ ],

klaagster,

gemachtigde: mr. A.J.B. van Walsem, advocaat te Amersfoort,

tegen:

[ ],

kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde.

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen van 17 januari 2006 heeft klaagster een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtdeurwaarder.

Bij aangehechte brief met bijlagen van 22 februari 2006 heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd.

De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2006.

Klaagster, bij haar directeur vergezeld door de gemachtigde en beklaagde zijn verschenen.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.

a) Klaagster en gerechtsdeurwaarder [ ], gerechtsdeurwaarder te [ ], hebben onroerende zaken in eigendom die aan elkaar grenzen. Bij vonnis van 5 juli 2005 is klaagster onder meer veroordeeld een afwatering aan dit pand zodanig te wijzigen dat het water niet meer op het perceel van [ ] komt, dit op straffe van een dwangsom.

b) [ ] heeft de bij het vonnis toegewezen dwangsommen van klaagster opgeëist op de grond dat de door klaagster getroffen voorzieningen niet deugdelijk waren. Klaagster heeft tegen deze dreigende executie een kort geding aangespannen, waarin zij stelde dat adequate voorzieningen waren getroffen, onder meer door het graven van een grindput. [ ] is veroordeeld de executie te staken en gestaakt te houden, onder meer omdat volgens de kort gedingrechter niet kon worden vastgesteld dat klaagster voor wat betreft de aangebrachte voorziening niet heeft voldaan aan het vonnis van 5 juli 2005.

c) In dat kort geding heeft [ ] twee processen-verbaal van constatering in het geding gebracht die zijn opgemaakt door de gerechtsdeurwaarder. In deze processen-verbaal is vermeld dat de regenpijp een zogenaamde open mond heeft, die nergens op aansluit en op een hoogte van ongeveer 20 centimeter afwatert vlak naast het perceel van [ ], maar is geen melding gemaakt van de grindput.

2. De klacht

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder, kort samengevat, dat deze tot tweemaal toe in de processen-verbaal niet heeft vermeld dat onder de regenpijp een duidelijk zichtbare grindput was aangebracht, waarin het regenwater terechtkwam. Dit was een essentieel onderdeel van de door haar aangebrachte voorziening. Het water uit de pijp stroomde in de grindput en kon daardoor niet afvloeien naar het lager gelegen perceel van [ ]. Volgens klaagster heeft de gerechtsdeurwaarder moedwillig die put niet zijn processen-verbaal vermeld en heeft hij aldus oneerlijk, althans uiterst onzorgvuldig en misleidend verslag gedaan, ten behoeve van zijn collega [ ]. Men mag van een gerechtsdeurwaarder die een proces-verbaal opmaakt, verlangen dat hij zich uiterst zorgvuldig en nauwgezet, eerlijk en waarheidsgetrouw van zo’n taak kwijt. De gerechtsdeurwaarder heeft in strijd met die beginselen gehandeld. Klaagster vraagt zich af of de gerechtsdeurwaarder ter plekke de situatie wel in ogenschouw heeft genomen.

3. Het verweer

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd bestreden. Hij heeft aangevoerd dat hij ter plaatse niet heeft kunnen constateren dat zich daar een put (een uitgraving van een zekere diepte volgens Van Dale) bevond. De gerechtsdeurwaarder heeft ter ondersteuning van zijn standpunt twee foto’s in het geding gebracht.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Uit de in het geding gebracht foto’s blijkt dat met het blote oog waarneembaar is dat op de betreffende plaats grind ligt, maar niet dat zich daaronder een uitgegraven put bevindt die met grind is gevuld. Gesteld noch gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder op andere wijze op de hoogte is gesteld of op de hoogte had moeten zijn van de aanwezigheid van de put. Daarom valt het hem niet aan te rekenen dat hij de door klaagster bedoelde grindput over het hoofd heeft gezien en zijn proces-verbaal heeft opgesteld zoals hij dat heeft gedaan.

4.2 Er is al helemaal geen grond om aan te nemen dat de gerechtsdeurwaarder opzettelijk heeft gelogen en/of zelfs in het geheel niet ter plaatse is geweest..

4.3 Schending van een ambtseed is bij dit alles overigens niet aan de orde, omdat de draagwijdte van die eed zich niet uitstrekt tot vermeldingen als de onderhavige. Het betreft in dit geval een proces-verbaal van bevindingen. Dat is geen authentieke akte en het opmaken daarvan vormt geen ambtshandeling.

4.4 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De voorzitter:

- wijst de klacht als zijnde kennelijk ongegrond af.

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, en mr. R.G. Kemmers en mr. A.C.J.J.M. Seuren, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de dag van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.