Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA8861

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
1718/06 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit artikel 17 lid 1 Wet op het Notarisambt, verder te noemen Wna, en artikel 4 Verordening beroeps- en gedragsregels vloeit voort dat de notaris beroepshalve gehouden is al de benodigde voorlichting te geven opdat Thijs zich bewust is van de gevolgen van deze afstandsverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2007, 102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 28 juni 2007 in de zaak onder rekestnummer 1718/06 NOT van:

MR. [X],

notaris te [plaats],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. P. Rijpstra,

t e g e n

1. H.B.M. [Y],

2. J.M.B. [Y],

beiden wonende te [plaats],

GEÏNTIMEERDEN.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Door appellant, verder te noemen de notaris, is bij een op 10 november 2006 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Gravenhage, verder te noemen de kamer, van 11 oktober 2006, waarbij de namens geïntimeerden, hierna te noemen klagers, ingediende klachten gedeeltelijk gegrond zijn verklaard onder oplegging van de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee weken aan de notaris, en voor het overige ongegrond.

1.2. Op 14 december 2006 is van de zijde van klagers een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 12 april 2007. Verschenen zijn klagers en de notaris met zijn gemachtigde. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van de notaris aan de hand van een pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klagers

4.1. Klagers verwijten de notaris dat hij is tekort geschoten in zijn taak als notaris ten aanzien van de bevoegdheid van Thijs om een geldlening onder hypothecair verband aan te gaan namens de [naam], verder te noemen: de vennootschap, op 6 december 2002.

4.2. Voorts wordt de notaris verweten dat hij Thijs na de dood van zijn vrouw Wanda een verklaring heeft laten tekenen waarin Thijs afstand doet van de voogdij over zijn zoon Ivo, zodat Ivo in het gezin van [Z] opgenomen kon worden. De notaris wist op dat moment dat Thijs’ psychische gesteldheid labiel was.

4.3. Ook verwijten klagers de notaris dat door zijn toedoen de onderlinge contacten verslechterd zijn, alsmede dat door die houding het voortbestaan van de vennootschap praktisch onmogelijk is geworden.

4.4. Ten slotte wordt de notaris verweten dat klagers door zijn gedragingen extra kosten hebben moeten maken teneinde te herstellen dan wel ongedaan te maken hetgeen de notaris veroorzaakt heeft door zijn handelen, waaronder de kosten voor het inschakelen van een advocaat en een andere notaris. Een en ander heeft ertoe geleid dat Thijs niet langer wilde leven.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris betwist de stelling van klagers met dien verstande dat hij het oordeel van de kamer inzake klachtonderdeel 4.1. onderschrijft en de gegrondverklaring van dit onderdeel terecht acht. Voor het overige verweert hij zich als volgt.

5.2. Met betrekking tot klachtonderdeel 4.2. heeft de notaris naar voren gebracht dat hij Thijs voorafgaand aan het ondertekenen van de afstandsverklaring inzake de voogdij over zijn zoon uitgebreid heeft voorgehouden wat de betekenis van de verklaring is en wat de gevolgen van de afstand voor hem zouden zijn. Thijs wist wat hij tekende, hij stemde er mee in dat zijn zoon bij de familie [Z] zou gaan wonen conform de wens van zijn overleden echtgenote. Bovendien heeft de notaris Thijs voorgehouden dat hij door de afstandsverklaring niet het recht op omgang met zijn zoon zou verspelen en dat hij zich tot de rechter zou kunnen wenden om een omgangsregeling te laten vaststellen. De notaris heeft hierover tevoren nog contact opgenomen met de rechtbank.

5.3. Voorts wijst de notaris er op dat hij met zijn opstelling heeft beoogd boven de partijen te staan en dat hij iedereen welwillend tegemoet is getreden door een ieder waar mogelijk te informeren. Hem kan dan ook niet het overlijden van Thijs worden verweten.

5.4 De notaris is tot slot van mening dat de kamer de klachtonderdelen 3 en 4 terecht ongegrond heeft verklaard.

6. De beoordeling

6.1. Met de kamer is het hof van oordeel dat de notaris te kort is geschoten inzake de uitoefening van zijn ambt met betrekking tot het passeren van de hypotheekakte. Het zou op de weg van de notaris hebben gelegen om aan de hand van de statuten vast te stellen of Thijs rechtens zonder meer bevoegd was om een hypotheek te vestigen op het onroerend goed waarin zowel de onderneming was gevestigd als het woonhuis van Thijs zich bevond en de vennootschap aldus te binden. De notaris is louter afgegaan op de mededelingen van Thijs, dit bezien in het licht van de jarenlange zakelijke relatie met hem. Bij de hypotheekverlening van 6 december 2002 is de mogelijkheid ven een tegenstrijdig belang tussen Thijs en de vennootschap niet ter sprake gekomen. Ter terechtzitting heeft de notaris verklaard dat hij zich ertoe heeft beperkt de akte te passeren. Hij heeft in hoger beroep toegegeven op geen enkele wijze, anders dan door bij Thijs zelf na te vragen, te zijn nagegaan of laatstgenoemde de vennootschap op deze wijze mocht binden. Evenmin is de notaris niet nagegaan of de vennootschap door de geldlening gebaat zou zijn. Hierdoor is de notaris tekort geschoten in zijn taak mede de belangen van derden te behartigen en de rechtszekerheid te dienen. Dit klachtonderdeel is terecht door klagers voorgedragen en het hof acht het klachtonderdeel dan ook gegrond.

6.2. Dit geldt evenzeer voor het klachtonderdeel met betrekking tot de afstandsverklaring inzake de voogdij over de zoon van Thijs. Ter terechtzitting heeft de notaris verklaard – daarnaar gevraagd zijnde – dat hij na telefonisch overleg met de rechtbank Thijs het litigieuze briefje inzake de afstandsverklaring heeft gestuurd, waarna deze ter verder bespreking op kantoor is geweest. De verklaring is niet terstond door Thijs getekend, maar daarna, zonder verdere tussenkomst van de notaris.

Uit artikel 17 lid 1 Wet op het Notarisambt, verder te noemen Wna, en artikel 4 Verordening beroeps- en gedragsregels vloeit voort dat de notaris beroepshalve gehouden is al de benodigde voorlichting te geven opdat Thijs zich bewust is van de gevolgen van deze afstandsverklaring. Het hof is niet gebleken dat de notaris zich van deze taak genoegzaam heeft gekweten. Het zou op de weg van de notaris hebben gelegen Thijs nadrukkelijk te vragen of het klip en klaar was dat hij het ouderlijk gezag over zijn zoon zou verliezen, hoe hij zich daar mogelijkerwijze tegen zou kunnen verzetten en welke mogelijkheden hij zou hebben om in het kader van de voogdijbeslissing reeds een sluitende omgangsregeling te doen vaststellen. Dit geldt te meer nu de notaris op de hoogte was van de psychische gesteldheid - door de jaren heen - van Thijs. Doordat de notaris dit heeft nagelaten is hij tekort geschoten in de uitoefening van zijn taak als notaris en is ook dit klachtonderdeel terecht voorgesteld en gegrond.

6.3. Voor het overige heeft het onderzoek in hoger beroep naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent de klacht dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt. Het hof zal het beroep van de notaris verwerpen behoudens de door de kamer opgelegde maatregel. Het hof zal de beslissing van de kamer op dat punt vernietigen. Het hof acht de gedragingen van de notaris laakbaar en wel in die mate dat een maatregel passend en geboden is. Echter, het hof is van oordeel dat een schorsing voor de duur van twee weken een te zware maatregel is. De notaris heeft weliswaar in 2003 de maatregel van waarschuwing opgelegd gekregen, maar de grondslag van deze maatregel was van een andere aard. Dit leidt ertoe dat het hof van oordeel is dat de maatregel van berisping passend is en het hof zal deze maatregel dan ook opleggen.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel thans niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.5. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer van 11 oktober 2006 voor wat betreft de oplegging van de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van twee weken van de notaris; en opnieuw rechtdoende:

- legt de notaris de maatregel van berisping op;

- verwerpt het hoger beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en P.J.N. van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 28 juni 2007 door de rolraadsheer.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen ’s­Gravenhage

Beslissing van 11 oktober 2006 inzake de klacht onder nummer 06-15 van:

1. H.B.M. [X] en

2. J.M.B. [X],

beiden wonende te [plaats],

hierna ook te noemen klagers of klager sub 1 respectievelijk klager sub 2,

tegen

mr. R.M. [Y],

notaris te [plaats],

hierna ook te noemen de notaris.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

? de klacht, met bijlagen, ingekomen op 16 mei 2006,

? het antwoord van de notaris,

? de repliek van klagers, met bijlagen,

? de dupliek van de notaris,

? het verslag van het gesprek dat fungerend voorzitter mr. R.J. Paris op 23 augustus 2006 met klagers, de zuster van klager sub 1 en de notaris heeft gehouden.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 september 2006. Daarbij waren aanwezig klagers en de notaris. Van het verhandelde is proces­verbaal opgemaakt.

Na de mondelinge behandeling heeft de notaris de Kamer nog een brief, gedateerd 7 september 2006, gezonden. Op deze brief komt de Kamer hierna, aan het slot van de beoordeling van deze klacht, terug.

De feiten

1. Op 6 december 2002 is ten overstaan van de notaris een hypotheekakte gepasseerd waarbij partij waren: enerzijds M.G.A. [X] [hierna te noemen Thijs], handelende voor zich in privé en in zijn hoedanigheid van directeur van de besloten vennootschap [naam] [hierna: de vennootschap], en zijn echtgenote W. [A] [hierna te noemen Wanda] en anderzijds Centraal Beheer Achmea. Thijs was een broer van klager sub 1 en oom van klager sub 2. Wanda was de echtgenote van Thijs. Bij de genoemde akte is een hypotheek gevestigd ten laste van de vennootschap. De hypotheek strekte tot zekerheid voor de terugbetaling van een geldlening ten bedrage van € 48.000. Door de hypotheek is het complete vastgoed van de vennootschap als onderpand verbonden. Blijkens de akte rustte op voormeld vastgoed al een hypotheek ter zake van een geldlening tot een bedrag van € 68.067. Ook de desbetreffende hypotheekakte, die in deze procedure niet is overgelegd, is op 20 januari 1997 ten overstaan van de notaris gepasseerd. De notaris kende Thijs privé.

2. Thijs had geregeld psychische problemen. Hij is daarvoor ook opgenomen geweest. Hij en Wanda hadden een minderjarig kind, Ivo.

3. Op 18 april 2005 heeft de notaris een testament van Wanda verleden, waarbij – onder meer – als executeur werd benoemd G. [A], haar broer. Dit testament is een aanvulling op haar testament van 4 april 2005, eveneens verleden ten overstaan van de notaris [niet in deze procedure overgelegd]. In haar aanvullende testament heeft Wanda voorzien in een bewind over al hetgeen haar afstammeling, Ivo, uit haar nalatenschap verkrijgt. Het bewind zou duren totdat Ivo 21 jaar oud is. Als bewindvoerder is benoemd voormelde G. [A].

4. Korte tijd later is Wanda, na een ziekbed, overleden. Ivo is haar enige erfgenaam.

5. In mei 2005 heeft Thijs ten overstaan van de notaris een door de notaris geconcipieerde verklaring getekend waarin hij heeft vastgelegd in te stemmen met de benoeming van mevrouw A. [A]­[B] [moeder van Wanda] tot voogdes over Ivo en met opname van Ivo in het gezin van de echtelieden S.J. [Z] en J.J.M. [Z], de ouders van een vriendje van Ivo. Na het overlijden van Wanda is Ivo, overeenkomstig Thijs’ voormelde verklaring, in het gezin [Z] opgenomen. Thijs heeft nadien geen omgang meer gehad met Ivo.

6. In augustus 2005 heeft Thijs zich het leven benomen.

7. Aandeelhouders van de vennootschap zijn [onder meer] de moeder van Thijs en van klager sub 1 [mevrouw P.M. [X]-[C]], alsmede Ivo. Klager sub 1 is commissaris van de vennootschap.

De klacht

De klacht ­ zoals ter zitting nader gespecificeerd door klagers ­ valt uiteen in vier onderdelen:

1. De notaris is tekortgeschoten in zijn beroepsuitoefening. Dit komt tot uitdrukking bij het aangaan van de hypothecaire geldlening door Thijs en de vennootschap op 6 december 2002. Hierbij heeft de notaris zich niet of onvoldoende verdiept in de vraag of Thijs bevoegd was om namens de vennootschap de hypothecaire geldlening aan te gaan. Pas naar aanleiding van het ziekbed van Wanda hebben klagers kennisgenomen van het bestaan van voormelde hypotheek, met inbegrip van de voorafgaande hypotheek.

2. Ondanks zijn bekendheid met de labiele psychische situatie waarin Thijs toen verkeerde, heeft de notaris, kort na de dood van Wanda, Thijs in mei 2005 de verklaring laten tekenen met betrekking tot de voogdij over Ivo en de opneming van Ivo in het gezin van [Z].

3. De notaris heeft door zijn opstelling zowel het contact tussen klagers, een zuster van klager sub 1 en Ivo als het voortbestaan van de vennootschap vrijwel onmogelijk gemaakt.

4. Door genoemde nalatigheden van de notaris hebben klagers extra kosten ­ onder meer voor het inschakelen van een advocaat en een andere notaris ­ moeten maken in hun poging om een en ander te herstellen en heeft Thijs in augustus 2005 door de ontstane situatie de levensmoed opgegeven.

Het verweer van de notaris

Klachtonderdeel 1

De notaris stelt dat hij vóór het passeren van de hypotheekakte op 6 december 2002 aan Thijs heeft gevraagd of deze hierover contact had gehad met de overige aandeelhouders. Thijs deelde hem toen mee dat de meerderheid ermee akkoord was en dat hij zelf klager sub 1 zou informeren. Omdat Thijs een goede bekende van de notaris was, was er voor hem, notaris, geen reden tot twijfel. Daarmee was volgens de notaris voldaan aan het in de statuten bepaalde interne goedkeuringsvereiste voor deze beslissing van Thijs in diens hoedanigheid van zelfstandig bevoegd directeur van de vennootschap. De notaris heeft wel nagegaan dat het verbonden pand op naam stond van de vennootschap. De hypothecaire lening diende onder meer tot woningverbetering; Thijs en Wanda woonden toen in de bovenwoning van het bedrijfspand van de vennootschap.

Klachtonderdeel 2

De notaris stelt dat hij Thijs vóór de ondertekening van de afstandsverklaring uitgebreid en in voldoende mate heeft ingelicht over de betekenis en mogelijke gevolgen van de afstand van de voogdij over Ivo. Hij heeft Thijs meegedeeld dat deze met de afstand van de voogdij niet zijn recht op omgang met Ivo kon verspelen en zo nodig altijd de rechter zou kunnen inschakelen voor het doen vaststellen van een omgangsregeling. Naar de notaris toen begreep, ging Thijs goed om met de familie [Z]. Thijs was compos mentis: hij begreep wat hij tekende.

Klachtonderdelen 3 en 4

De notaris betwist de verwijten die besloten liggen in deze beide onderdelen. Hij heeft zich altijd welwillend en informatief jegens klagers opgesteld en stelt dat hij steeds boven de partijen heeft gestaan. Het grieft hem dat het overlijden van Thijs wordt toegeschreven aan zijn handelen; Thijs had ermee ingestemd dat Ivo onderdak zou krijgen bij de familie [Z].

De beoordeling van de klacht

Klachtonderdeel 1

Allereerst moet worden bezien of klagers in dit onderdeel van hun klacht ontvankelijk zijn.

Ingevolge artikel 99 lid 12 Wet op het notarisambt [hierna ook Wna] kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot de klacht gerechtigde heeft kennisgenomen van het handelen of nalaten van de notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven.

Klagers hebben onweersproken gesteld dat zij pas in mei 2005 naar aanleiding van het ziekbed van Wanda hebben kennisgenomen van voormelde hypotheken. De notaris heeft – ook desgevraagd – geen feiten of omstandigheden genoemd waaruit blijkt dat klagers eerder dan drie jaren vóór het indienen van de klacht op de hoogte waren van het bestaan van de hypotheken.

Dit een en ander leidt tot de conclusie dat klagers in dit onderdeel van hun klacht kunnen worden ontvangen.

Bij de vraag naar de bevoegdheid van Thijs om namens de vennootschap de akte van 6 december 2002 te tekenen – en daarmee naar de rol van de notaris in dezen – spelen twee kwesties. In de eerste plaats rijst de vraag of hierbij geen tegenstrijdig belang aan de orde was tussen de vennootschap en haar directeur, die normaal gesproken als directeur bevoegd was de vennootschap te verbinden. In de tweede plaats is van belang of deze transactie, waarbij de vennootschap haar vastgoed heeft verbonden, verbonden kon worden enkel door haar directeur.

Artikel 2:256 van het Burgerlijk Wetboek houdt in dat tenzij bij de statuten anders is bepaald, een vennootschap in alle gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders, vertegenwoordigd wordt door commissarissen. Dit betekent dus dat in die gevallen, bij ontbreken van een bepaling in de statuten die inhoudt dat een bestuurder ook bij tegenstrijdig belang de vennootschap vertegenwoordigt, de bestuurder onbevoegd is om de vennootschap te vertegenwoordigen. Kent de vennootschap commissarissen, dan zijn deze bevoegd de vennootschap te binden. De algemene vergadering is daarnaast steeds bevoegd een of meer andere personen in plaats van de commissaris[sen] aan te wijzen die de vennootschap bij tegenstrijdig belang vertegenwoordigen. De statuten van de vennootschap zijn niet aan de Kamer overgelegd, maar de notaris beschikte ter zitting wel over de tekst daarvan. Uit zijn verklaring ter zitting leidt de Kamer af dat de statuten op het hier besproken punt geen voorziening bevatten, zodat de aangehaalde wettelijke regeling hier geldt en dat – afgezien daarvan – de notaris zich in het geheel niet bewust is geweest van deze kwestie.

Ter zitting heeft de notaris desgevraagd verklaard dat hij vóór het passeren van de hypotheekakte geen onderzoek heeft gedaan naar de statuten van de vennootschap om te kunnen vaststellen of Thijs rechtens bevoegd was een hypotheek op het bedrijfspand te vestigen. Ook op dit punt stelt de Kamer vast dat de notaris zich kennelijk niet bewust is geweest van mogelijke problemen. Ten aanzien van beide hypotheken is de notaris louter afgegaan op mededelingen van Thijs zelf, de directeur van de vennootschap, tegen de achtergrond van zijn vertrouwensrelatie met Thijs.

De Kamer concludeert ten aanzien van deze kwesties dat de notaris ernstig is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn ambt. Het lijdt geen twijfel dat, in elk geval bij de hypotheekverlening van 6 december 2002, sprake was van een tegenstrijdig belang tussen Thijs [en echtgenote] en de vennootschap. De geldlening kwam niet [in volle omvang] aan de vennootschap ten goede, maar diende, ten minste voor een substantieel deel, het woonbelang van haar directeur en diens echtgenote. De hypotheekverlening was niet – en in elk geval niet evident – in het belang van de vennootschap. Ten onrechte heeft de notaris in deze situatie geen onderzoek uitgevoerd naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Thijs bij deze rechtshandeling namens [en ten laste van] de vennootschap. Van een notaris wordt verwacht dat hij als openbaar ambtenaar bij het verrichten van ambtshandelingen in het belang van de rechtszekerheid niet alleen het belang van zijn cliënten, maar ook het belang van derden bewaakt, en niet – zoals hij in dit geval heeft gedaan – blind vaart op zijn vertrouwensrelatie met zijn cliënt, Thijs. De notaris heeft zijn medewerking verleend aan een transactie die mogelijk nietig is.

De klacht is daarom in dit onderdeel gegrond.

Klachtonderdeel 2

Ook dit onderdeel van de klacht is gegrond. Uit zijn toelichting ter zitting leidt de Kamer af dat de notaris niet werkelijk vertrouwd was – en is – met de materie die aan de orde was bij de verklaring die hij Thijs in mei 2005 heeft laten tekenen. Onder die omstandigheid had de notaris zich beter moeten laten voorlichten, dan wel deze kwestie aan een ander moeten overlaten. Onduidelijk is ook gebleven welke toelichting de notaris aan Thijs heeft gegeven. Vast staat dat hij hem niet schriftelijk heeft geïnformeerd. Het is goed mogelijk dat Thijs, gelet ook op zijn – aan de notaris bekende – onstabiele psychische toestand, later een verder strekkende betekenis heeft toegekend aan zijn verklaring dan nodig was. Aan de notaris valt het verwijt te maken dat hij onvoldoende heeft gedaan om een dergelijk gevaar te voorkomen.

Klachtonderdeel 3

De Kamer heeft niet kunnen vaststellen dat – ook afgezien van hetgeen is overwogen ten aanzien van de klachtonderdelen 1 en 2 – de impasse die binnen de familie van klagers en binnen de vennootschap is ontstaan, in relevante mate aan de notaris is toe te schrijven. Dit klachtonderdeel slaagt dus niet.

Klachtonderdeel 4

Ook dit onderdeel van de klacht wordt verworpen. Deze tuchtzaak leent zich niet voor het beoordelen van een aanspraak op vergoeding van extra kosten. Er is geen grond voor enig oordeel van de Kamer over de oorzaak van de dood van Thijs.

Het vorenoverwogene brengt de Kamer tot de conclusie dat de notaris ernstig is tekortgeschoten in zijn verplichtingen. Uit de behandeling ter zitting is de Kamer niet gebleken dat de notaris zich bewust is geweest – of zich bewust is geworden – van de aard en de ernst van de kwesties die in de klachtonderdelen 1 en 2 aan de orde zijn. De Kamer rekent dit de notaris zwaar aan. Zij houdt mede rekening met het feit dat zij de notaris kort voordat deze de akte van december 2002 heeft gepasseerd, de maatregel van waarschuwing had opgelegd. Hieraan doet niet af dat die maatregel toen nog niet onherroepelijk was. Op grond van dit een ander acht de Kamer een schorsing van de hierna te vermelden duur geboden.

De Kamer wijdt nog een enkel woord aan de brief die de notaris haar op 7 december 2006, dus na de mondelinge behandeling van deze klacht, heeft gezonden. Met de inhoud daarvan kan de Kamer geen rekening houden, in elk geval niet in enig opzicht ten nadele van klagers. Blijkens deze brief heeft de notaris aan klagers een kopie daarvan gezonden, maar dit betekent niet dat klagers over de inhoud daarvan zijn gehoord. Ten overvloede voegt de Kamer hieraan toe dat de inhoud van de brief haar geen reden geeft om het onderzoek te heropenen of in enig ander opzicht terug te komen van haar oordeel over de klacht. Het verloop van het gesprek op 23 augustus 2006 onder leiding van de fungerend voorzitter van de Kamer beperkte in geen enkel opzicht de agenda van de mondelinge behandeling ten overstaan van de volle Kamer op 6 september 2006. Daar was, overeenkomstig het wettelijke systeem, de klacht in volle omvang aan de orde.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart de klacht in de onderdelen 1 en 2 gegrond en voor het overige ongegrond;

legt de notaris wegens de gegrondbevinding van de klachtonderdelen 1 en 2 de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt op voor de duur van twee weken;

bepaalt dat de secretaris, binnen een maand nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, aan de notaris bij aangetekende brief de datum zal mededelen waarop de opgelegde maatregel van kracht wordt.

Deze beslissing is gegeven door mrs. H.F.M. Hofhuis, voorzitter, R. van der Galiën, G.H.I.J. Hage, J. Smal en N.P.C. van Wijk, en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. A. Saab, in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2006.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.