Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA8835

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
06/00032
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijtelling privé-gebruik van ter beschikking gestelde auto. Ook in hoger beroep rust op belanghebbende bewijslast dat hij die auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 km voor privé heeft gebruikt. Zelfs de aangepaste versie van de rittenregistratie voldoet niet aan de bij of krachtens de Wet IB 2001 gestelde eisen. Ook geen ander bewijs is bijgebracht door belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1360
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk: P06/00032

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 05/2660 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 7 december 2005 in het geding tussen

X te P,

belanghebbende,

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 30 november 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.055.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 19 mei 2005 de aanslag gehandhaafd. Bij uitspraak van 7 december 2005, verzonden op 12 december 2005, heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het door belanghebbende tegen deze uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 54.952.

1.3. Tegen deze uitspraak van de rechtbank heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld op 18 januari 2006. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De inspecteur heeft, daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

1.5. Het onderzoek ter zitting van het Hof heeft plaatsgevonden op 6 november 2006. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. J.

De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

2.1.1. Belanghebbende was in 2003 als direkteur werkzaam bij Y-BV met standplaats S. Deze werkgever heeft in het onderhavige jaar aan belanghebbende een personenauto ter beschikking gesteld. Van 1 januari tot 19 september 2003 betrof het een auto in eigendom van het bedrijf, een Audi A4, en vervolgens van 19 september tot en met 31 december betrof het een lease-auto, een Audi A4 cabrio. Deze auto’s hadden een cataloguswaarde van respectievelijk € 41.440 en € 66.058. Het was belanghebbende toegestaan de ter beschikking gestelde auto’s voor privé-doeleinden te gebruiken. Voor het privé-gebruik was belanghebbende geen vergoeding verschuldigd. Er werd van de zijde van de werkgever geen controle uitgevoerd wat betreft zakelijke ritten.

Naast de ter beschikking gestelde auto’s bezat belanghebbende in het onderhavige jaar een tweedeurs auto van het merk Pilgrim, type Haldane.

Belanghebbendes echtgenote beschikte in dat jaar over een auto, die haar door haar werkgever ter beschikking was gesteld. In haar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 heeft de echtgenote ter zake van privé-gebruik van deze auto (3.750 kilometers) een bijtelling van 15% van de cataloguswaarde verantwoord.

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben in 2003 een kind gekregen.

2.1.2. Belanghebbende heeft voor het jaar 2003 aangifte gedaan van een verzamelinkomen (in casu gelijk aan het belastbaar inkomen uit werk en woning) van € 54.952. In die aangifte heeft hij - onder vermelding dat hij met de auto’s in totaal 350 km privé heeft gereden - geen bedrag ter zake van privé-gebruik van de door de werkgever ter beschikking gestelde auto’s aangegeven.

In de fase voorafgaand aan het opleggen van de aanslag heeft belanghebbende desgevraagd alsnog een rittenregistratie opgemaakt en deze bij brief van 28 juli 2004 aan de inspecteur overgelegd. De uit een computeruitdraai bestaande registratie bevat gegevens betreffende het kenteken, de datum, de km-beginstand, de zakelijke route, de reden van het bezoek, het aantal km zakelijk, het aantal km privé en de km-eindstand.

Uit de gegevens blijkt onder meer:

Km tellerstand km tellerstand km tellerstand km tellerstand privé-gebruik

bedrijfsauto bedrijfsauto lease-auto lease-auto

1 jan. 2003 19 sept. 2003 19 sept. 2003 31 dec.2003 38 km

24.193 km 42.153 km 29 km 8.799 km.

2.1.3. Nadat de inspecteur bij brief van 3 augustus 2004 een correctie ter zake van het privé-gebruik van de auto’s heeft aangekondigd en daarbij heeft gewezen op een met de rittenregistratie niet strokend tankgedrag, heeft belanghebbende de inspecteur bij brief van 5 augustus 2004 een aangepaste versie van de rittenregistratie verstrekt, welke aanpassingen het navolgende te zien geven:

Km tellerstand km tellerstand km tellerstand km tellerstand privé-gebruik

auto auto lease-auto lease-auto

1 jan. 2003 19 sept. 2003 19 sept. 2003 31 dec.2003 198 km

24.193 km 41.995 km 29 km 8.943 km.

2.1.4. In de onder 2.1.3 vermelde registratie heeft belanghebbende de dagelijkse rit van en naar zijn werk in S. verantwoord door het noteren van een vast aantal kilometers. Belanghebbende heeft de verreden kilometers per dag geregistreerd maar zonder opgave van het begin- en eindadres en zonder de vermelding dat is afgeweken van de route in verband met een bezoek aan een tankstation dan wel een garage of anderszins. Zo heeft belanghebbende op 18 april 2003 in de rittenregistratie de dagelijkse rit van en naar zijn werk opgenomen, terwijl hij de auto die dag voor herstel van schade heeft gebracht naar een bedrijf in Z.

2.1.5. Onder de stukken bevindt zich als bijlage 13 bij het verweerschrift voor de rechtbank een brandstofanalyse per kenteken (tankoverzicht) van A-BV over de periode 1 januari 2003 tot en met 19 september 2003, alsmede een overzicht over de periode 19 september 2003 tot en met 31 december 2003, waaruit onder meer blijkt bij welk tankstation en hoeveel brandstof met de aan belanghebbende ter beschikking gesteld auto’s is getankt. Voorts bevindt zich onder de stukken als bijlage 11 bij het hoger beroepschrift een computeruitdraai onderhoud registratie.

2.1.6. De inspecteur heeft de rittenregistratie van belanghebbende niet geaccepteerd en heeft de aangifte ter zake van privé-gebruik van de ter beschikking gestelde auto’s gecorrigeerd met een bedrag van € 12.103 (naar evenredigheid 25% van de cataloguswaarde van de auto’s) en heeft bij de opgelegde aanslag het verzamelinkomen vastgesteld op € 67.055.

Bij het indienen van zijn bezwaarschrift heeft belanghebbende onder meer een kopie van zijn agenda betreffende het onderhavige jaar overgelegd.

2.2. Het geschil

In geschil is of de inspecteur terecht een bijtelling van 25% van de waarde (zijnde de catalogusprijs) wegens privé-gebruik van de ter beschikking gestelde auto’s bij het inkomen van belanghebbende heeft geteld.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

2.3.1. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, daartoe het volgende overwegende:

“4.5. De rechtbank constateert dat na de uitleg van eiser (Hof: belanghebbende) de tweede rittenregistratie geen onverklaarde onregelmatigheden meer bevat. Verweerder (Hof: de inspecteur) kan ter zitting ook geen specifieke tegenstrijdigheden aanwijzen, doch volstaat met de verwerping van de gehele administratie op algemene punten. Eiser verantwoordt een privé-gebruik met de aan hem ter beschikking gestelde personenauto van 198 km. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het enkele feit dat er verschillen zijn in eindstand tussen de eerste en de tweede registratie, zeker gelet op het totaal aantal kilometers van ongeveer 50.000, de registratie niet onbetrouwbaar. Ook de omstandigheid dat eiser niet per rit de kilometerstand heeft genoteerd, doch ter zake van vaste afstanden als de dagelijkse rit naar zijn werk in S. een vast aantal kilometers heeft genoteerd, is onvoldoende om de gehele rittenregistratie te verwerpen.

De rechtbank komt tot de slotsom dat eiser, tegenover in algemene bewoordingen gestelde betwisting van verweerder, overtuigend heeft aangetoond dat hij minder dan 500 km voor privé-doeleinden met de auto heeft gereden. Dit betekent dat verweerder ten onrechte een bijtelling voor privé-gebruik van de auto van de werkgever heeft toegepast.”

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.5. Relevante bepalingen

In art. 3.145 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2003) is het volgende bepaald:

“– 1. Indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 25% van de waarde van de auto. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

...

3. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil.

4. Indien het aantal op jaarbasis voor privé-doeleinden gereden kilometers blijkt uit een rittenregistratie, wordt het voordeel:

a. indien dit aantal meer is dan 500 maar niet meer dan 3000, gesteld op ten minste 10% van de waarde van de auto;

...

6. Bij ministeriële regelgeving kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen ...”.

Artikel 22, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 houdt in:

“2. De rittenregistratie als bedoeld in artikel 3.145 van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:

a. merk, type en kenteken van de auto;

b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c. per rit:

1º. datum;

2º. beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3º. beginadres en eindadres;

4º. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5º. het karakter van de rit.”

2.6. Overwegingen

2.6.1. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende - anders dan hij kennelijk meent - ook in hoger beroep overtuigend dient aan te tonen dat hij de auto’s op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometers voor privé-doeleinden heeft gebruikt.

2.6.2. Daarbij moet een als bewijs overgelegde rittenregistratie aan de bij of krachtens de Wet gestelde eisen voldoen. Indien die rittenregistratie niet optimaal bijgehouden blijkt te zijn, kan - als het gaat om een aantal van minder dan 500 kilometer - door middel van het verstrekken van andere gegevens, nader bewijs worden geleverd dat met de ter beschikking gestelde auto minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gereden.

2.6.3. Als bewijs dat er in 2003 met de hem ter beschikking gestelde auto’s 198 km voor privé-doeleinden is gereden heeft belanghebbende de uiteindelijke versie van de rittenregistratie bijgebracht.

2.6.4. Uit de feiten zoals weergegeven in 2.1.2 tot en met 2.1.5 blijkt dat deze rittenregistratie, die belanghebbende als bewijs heeft ingebracht, niet voldoet aan de onder 2.5 weergegeven regelgeving.

Mede gelet op het feit dat de inspecteur - zich onder meer baserend op gegevens van garages, van de nationale autopas en het ontbreken van een juiste kilometerstand bij tankbeurten - stelt dat de rittenregistratie geen getrouwe weergave is van de werkelijkheid, als ook op het feit dat belanghebbende van zijn kant erkent - door in ieder geval één onjuistheid bij de kilometerstand per ultimo 2003 en het gebruik van standaardafstanden - niet meer per dag de begin- en eindkilometerstanden te kunnen reproduceren en welke route hij heeft gereden, is het Hof van oordeel dat de rittenregistratie zoveel onnauwkeurigheden bevat dat het door belanghebbende gestelde aantal privé-kilometers niet juist te achten is.

Belanghebbende heeft ook geen ander bewijs bijgebracht om zijn stelling te onderbouwen dat er met de auto slechts 198 kilometer althans minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gereden. Belanghebbende heeft weliswaar het bestaan van een aantal door de inspecteur in de kilometerregistratie geconstateerde onnauwkeurigheden weersproken dan wel daarvoor uitleg gegeven, maar heeft ter onderbouwing daarvan geen bewijs, laat staan voldoende bewijs aangedragen.

Een en ander leidt het Hof tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat hij de ter beschikking gestelde auto’s op jaarbasis voor niet meer dan 500 km voor privé doeleinden heeft gebruikt.

2.6.5. Belanghebbende heeft ter zitting aangeboden te volstaan met een bijtelling van 10% gelet op de onnauwkeurigheden in de kilometeradministratie. Nu de inspecteur dit aanbod niet heeft aanvaard, kan het Hof een dergelijk aanbod niet in de plaats stellen van de wettelijke regeling.

2.6.6. Voor zover belanghebbende stelt aan het feit dat de rittenregistraties voor de jaren 2001 en 2002 wel door de inspecteur als bewijs zijn geaccepteerd, gerechtvaardigd het vertrouwen te mogen ontlenen dat de ingediende rittenregistratie voor het jaar 2003 ook zou worden geaccepteerd, kan die stelling hem niet baten aangezien hij geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan aannemelijk is dat de acceptatie voor de jaren 2001 en 2002 zou berusten op een weloverwogen standpuntbepaling van de inspecteur.

2.7. Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

2.8. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van één der partijen in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mrs. D.B. Bijl, voorzitter, O.B. Onnes en J.P.A. Boersma, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands griffier. De beslissing is op 11 juni 2007 in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.