Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA8617

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
03-07-2007
Zaaknummer
06/145
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In verband met de niet-zuivering van een aantal aangiften zijn aan belanghebbende 14 uitnodigingen tot betaling (UTB) uitgereikt. Op elf hiervan waren landbouwheffingen van toepassing. Belanghebbende tekende bezwaar aan tegen de UTB's, deze bezwaren werden door de inspecteur afgewezen. Belanghebbende deed een verzoek tot herziening van de uitspraak op bezwaar. De inspecteur verklaarde het verzoek van belanghebbende niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het door belanghebbende tegen de beschikking ingestelde beroep ongegrond. Naar het oordeel van de Douanekamer voldeed belanghebbendes verzoek echter wel degelijk aan de 4 voorwaarden voor herziening als opgesomd in het Kuhne & Heitz-arrest. Volgens de Douanekamer kan het Honeywell-arrest van 20 januari 2005 worden beschouwd als 'latere rechtspraak', nu het Hof van Justitie zich in het Lensing & Brockhausen-arrest in soortgelijke zin heeft uitgelaten over de inhoud van een kennisgeving niet-zuivering, maar toen in het licht van artikel 36, lid 3 van Verordening (EEG) nr. 222/77. De Douanekamer trekt de conclusie dat het Honeywell-arrest niet moet worden gezien louter als een herhaling van het Lensing & Brockhausen-arrest, maar als een eerste oordeel van het Hof van Justite over de inhoud en betekenis van de kennisgeving niet-zuivering, binnen het leerstuk van de douaneschuld, in het nieuwe stelsel. Het Honeywell-arrest was uit een oogpunt van rechtszekerheid noodzakelijk. De Duitse rechter, die naast het bestaan van het Lensing & Brockhausen-arrest toch nog prejudiciele vragen stelde in de Honeywell-zaak, moet die mening ook zijn toegedaan.

Aan de 4 voorwaarden van het Kuhne & Heitz-arrest is voldaan, de inspecteur moet zijn besluit opnieuw naar de inhoud onderzoeken met inachtneming van het Honeywell-arrest en de 11 overige uitspraken van de Douanekamer. (Zie hiervoor de zaken met nrs. 98/90185 DK en 02/3450 DK. Hoger beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 21 met annotatie van R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/145 DK

uitspraak van de Douanekamer van 12 juni 2007

op het hoger beroep van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. (vh Xx B.V.),

gevestigd te A, belanghebbende;

gemachtigden: B en C (D Advocaten te E)

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 05/3810 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 30 maart 2006 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane P/ kantoor p, de inspecteur.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1. Belanghebbende heeft bij brief van 2 maart 2005 een verzoek gedaan tot herziening van de uitspraak op bezwaar van 24 september 1998 met betrekking tot de hierna te noemen elf uitnodigingen tot betaling (hierna: UTB’s). De inspecteur heeft bij beschikking van 29 juni 2005 het verzoek van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. In haar uitspraak van 30 maart 2006, verzonden op 31 maart 2006, heeft de rechtbank het door belanghebbende tegen de beschikking ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat een bestuursorgaan op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie), Kühne & Heitz NV, C-453/00, BNB 2004/150 (hierna: Kühne & Heitz-arrest), onder omstandigheden een definitief geworden besluit moet herzien:

1. het bestuursorgaan moet naar nationaal recht bevoegd zijn op zijn beslissing terug te komen;

2. het in geding zijnde besluit moet definitief zijn geworden door een niet voor hoger beroep vatbare uitspraak van een nationale rechter;

3. voormelde uitspraak moet, gelet op latere rechtspraak van het Hof van Justitie, berusten op een onjuiste uitleg van het gemeenschapsrecht, gegeven zonder dat het Hof van Justitie is gevraagd om een prejudiciële beslissing overeenkomstig artikel 234, derde alinea, EG; en

4. de betrokkene moet zich onmiddellijk na van zo’n uitspraak van het Hof van Justitie kennis te hebben genomen tot het bestuursorgaan hebben gewend.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de derde onder 1.3. genoemde omstandigheid zich niet voorgedaan. In het arrest van het Hof van Justitie van 20 januari 2005, Honeywell Aerospace GmbH, C-300/03, Jurispr. blz. I-689, DR 2005/48* (hierna: Honeywell-arrest) heeft het Hof van Justitie immers geen andere uitleg gegeven aan de rechtsregel zoals neergelegd in artikel 379, lid 2, van de uitvoeringsverordening Communautair Douanewetboek (hierna: UCDW). Genoemd artikel is inhoudelijk gelijkluidend aan de bepalingen van het gemeenschapsrecht zoals die vóór 1 januari 1994 golden. Nu geen sprake is van latere rechtspraak van het Hof van Justitie, waarmee gesteld moet worden dat de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBB) op een onjuiste uitleg van het gemeenschapsrecht heeft berust, is de inspecteur niet gehouden op zijn eerder genomen besluiten terug te komen.

2. De procedure voor de Douanekamer

2.1. Tegen de onder 1.2 vermelde uitspraak van de rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 19 april 2006, ingekomen bij de Douanekamer van het Hof (verder: Douanekamer) op 20 april 2006.

Bij brief van 2 februari 2007 heeft belanghebbende zijn beroep nader aangevuld.

2.2. Van belanghebbende is een griffierecht van € 422,-- geheven. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2007. Namens belanghebbende is verschenen B, tot bijstand vergezeld van zijn kantoorgenoot C en F, werkzaam als manager bij belanghebbende, en namens de inspecteur G, tot bijstand vergezeld van H. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgelezen en overgelegd. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

3. De feiten

De Douanekamer verwijst allereerst naar de feiten die door de rechtbank zijn vastgesteld. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt de Douanekamer nader de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende is douane-expediteur en heeft in 1995 een veertiental aangiften gedaan voor extern communautair douanevervoer van partijen vlees. Na onderzoek van de Nederlandse douane is vastgesteld dat de aangiften niet naar behoren waren aangezuiverd. In verband hier mee zijn door het kantoor van vertrek op 4 oktober 1995 kennisgevingen van niet-zuivering verzonden. De tekst van de kennisgevingen luidt, voorzover van belang, als volgt:

“Betreft

Kennisgeving o.g.v. art. 379 Toepassingsverordening CDW

Geachte heer, mevrouw,

Op 25-04-95 werd te Rotterdam onder nummer xxxx op uw naam een document ED-T afgegeven.

Aangezien tot nu toe niet is gebleken dat de goederen op het door u genoemde kantoor van bestemming werden aangebracht, stel ik u op grond van artikel 379 van de Toepassingsverordening CDW, ervan in kennis dat het document ED-T nog niet als afgedaan kan worden beschouwd.

Ik stel u in de gelegenheid om binnen 3 maanden na heden, onder verwijzing naar datum en kenmerk van deze mededeling alsnog het bewijs van regelmatigheid van het douanevervoer te leveren of mij de plaats mee te delen waar de goederen daadwerkelijk werden aangebracht.

(..)

Indien dit bewijs na het verlopen van eerder genoemde termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde Lidstaat over tot de invordering van het bedrag over rechten en andere heffingen dat verschuldigd is.

(..)”.

3.2. In 1996 zijn in verband met de bovenvermelde aangiften veertien uitnodigingen tot betaling (hierna:UTB) uitgereikt. Op elf hiervan waren landbouwheffingen van toepassing:

Het betreft de volgende UTB’s:

Nr. : datum: Landbouwheffing:

xxxxx 29-01-1996 ƒ 28.534,70

xxxxx 29-01-1996 ƒ 73.171,80

xxxxx 29-01-1996 ƒ 62.145,00

xxxxx 29-01-1996 ƒ 15.220,50

xxxxx 29-01-1996 ƒ 15.209,60

xxxxx 29-01-1996 ƒ 15.209,60

xxxxx 25-03-1996 ƒ 115.048,60

xxxxx 25-03-1996 ƒ 47.519,10

xxxxx 25-03-1996 ƒ 134.996,60

xxxxx 04-04-1996 ƒ 213.411,60

xxxxx 22-04-1996 ƒ 47.519,10

Belanghebbende heeft bezwaar aangetekend tegen voornoemde uitnodigingen tot betaling.

Op 24 september 1998 heeft de inspecteur de bezwaren afgewezen.

3.3. Op 22 oktober 1998 heeft belanghebbende voor wat betreft de landbouwheffingen beroep ingesteld bij het CBB.

Het CBB heeft het beroep afgewezen bij uitspraken van 4 juni 2003, AWB 98/1115 t/m 98/1125, DR 2003/78*.

3.4. Op 2 maart 2005 heeft belanghebbende een verzoek om herziening van de uitspraak op de vermelde bezwaarschriften ingediend bij de inspecteur. Deze heeft het verzoek om herziening op 29 juni 2005 niet-ontvankelijk verklaard.

3.5. Belanghebbende heeft tevens een verzoek om terugbetaling gedaan. Op 27 september 2005 heeft het Gerecht van Eerste Aanleg van het Hof van Justitie de beschikking van de REM 08/00 van de Commissie van 7 oktober 2002 nietig verklaard voorzover hierin kwijtschelding wordt geweigerd van de rechten bij invoer die aan verzoekster zijn opgelegd met betrekking tot de douanetransacties die zij vanaf 12 juni 1995 heeft verricht.

De Commissie heeft bij REM beschikking van 3 februari 2006 geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van het verzoek om terugbetaling.

De UTB’s met nummer xxx, xxx, xxx, xxx en xxx zijn vernietigd.

4. Het geschil en de relevante wetsbepalingen

4.1. In hoger beroep is in geschil het antwoord op de volgende vraag:

Is belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om herziening van de

uitspraak op bezwaar van 24 september 1998 ?

Gelet op het sub 3.2. en 3.5. hiervoor vermelde zijn thans nog de landbouwheffingen van

de UTB’s met nummer xxx, xxx, xxx, xxx, xxx en xxx in geding.

4.2. Bij de beoordeling van het geschil heeft de Douanekamer de volgende bepalingen in aanmerking genomen:

4.2.1. Artikel, 36, lid 3 van Verordening (EEG) nr. 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer, zoals toegevoegd bij Verordening (EEG) nr. 4747/90, luidt:

“3. Wanneer de zending niet aan het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, wordt deze overtreding of onregelmatigheid geacht te zijn begaan

- in de Lid-Staat waartoe het kantoor van vertrek behoort, of

- in de Lid-Staat waartoe het kantoor van doorgang bij binnenkomst in de Gemeenschap behoort en waaraan een kennisgeving van doorgang is afgegeven, tenzij binnen een nader te bepalen termijn, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het communautaire douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.

Indien bij gebreke van een dergelijk bewijs, genoemde overtreding of onregelmatigheid geacht blijft in de Lid-Staat van vertrek of in de Lid-Staat van binnenkomst als bedoeld in de eerste alinea, tweede streepje, te zijn begaan, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze Lid-Staat geïnd volgens zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

Indien vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum van geldigmaking van de aangifte T1 kan worden vastgesteld in welke Lid-Staat genoemde overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, gaat deze Lid-Staat overeenkomstig zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen over tot de inning van de rechten en andere heffingen (met uitzondering van die welke overeenkomstig de tweede alinea als eigen middelen van de Gemeenschap worden geïnd) op de betrokken goederen. In dat geval worden de aanvankelijk geïnde rechten en andere heffingen (met uitzondering van die welke als eigen middelen van de Gemeenschap worden geïnd) terugbetaald zodra het bewijs is geleverd dat deze zijn geïnd.

De zekerheid waaronder het communautaire douanevervoer heeft plaatsgevonden wordt pas vrijgegeven aan het einde van genoemde termijn van drie jaar of eventueel na betaling van de rechten en andere heffingen die van toepassing zijn in de Lid-Staat waar de overtreding of onregelmatigheid is begaan.

De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om overtredingen en onregelmatigheden te bestrijden en doeltreffend te bestraffen”.

4.2.2. Artikel 379, tweede lid, van de UCDW bepaalt het volgende:

“Artikel 379

1. Wanneer een zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, deelt het kantoor van vertrek dit zo spoedig mogelijk mede aan de aangever, doch uiterlijk binnen elf maanden na geldigmaking van de aangifte voor communautair douanevervoer.

2. In de in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt onder andere de termijn vermeld waarbinnen bij het kantoor van vertrek, ten genoegen van de douaneautoriteiten, het bewijs moet worden geleverd van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan. Deze termijn bedraagt drie maanden na de in lid 1 bedoelde kennisgeving. Indien het bewijs na het verstrijken van deze termijn niet is geleverd, gaat de bevoegde Lid-Staat over tot de inning van het verschuldigde bedrag aan rechten en andere heffingen. In de gevallen waarin deze Lid-Staat niet de Lid-Staat is waarin het kantoor van vertrek is gelegen, stelt het kantoor van vertrek deze Lid-Staat daarvan onverwijld in kennis.”

5. Standpunten van partijen

- Belanghebbende

5.1. De door de inspecteur verzonden kennisgevingen niet-zuivering voldeden niet aan de eisen zoals gesteld in het destijds vigerende artikel 379 UCDW. Dit brengt met zich dat het oordeel van het CBB in de uitspraak waarmee dit hoger beroep verband houdt, onjuist is. De inspecteur is niet gerechtigd de landbouwheffingen te innen.

5.2. Op grond van het Kühne & Heitz-arrest moet een beroepsorgaan een definitief geworden besluit desgevraagd opnieuw onderzoeken teneinde rekening te houden met de uitlegging die het Hof inmiddels aan de relevante bepaling van gemeenschapsrecht heeft gegeven. De uitspraak van het CBB van 4 juni 2003 met kenmerk AWB 98/1115 t/m 98/1125 past volledig in het systeem van het Kühne & Heitz-arrest.

5.3. De conclusie van de rechtbank dat geen sprake is van latere rechtspraak van het Hof van Justitie waarmee gesteld moet worden dat de uitspraak van het CBB op een onjuiste uitleg van het gemeenschapsrecht heeft berust, is dan ook onjuist.

In het arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 1999, Lensing & Brockhausen GmbH, C-233/98, Jurispr. blz. I-7349, UTC 2001/68* (hierna: Lensing & Brockhausen-arrest) is geoordeeld over artikel 36, lid 3 van Verordening (EEG) nr. 222/77 juncto artikel 11 bis, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 1062/87 en niet over artikel 379, tweede lid van Verordening (EEG) 2454/93 (oud). Dit brengt met zich dat in het Honeywell-arrest is geoordeeld op grond van een nieuw wettelijk kader, dat is ontstaan als gevolg van de invoering van Verordening (EEG) 2913/92 en Verordening (EEG) 2454/93. Het doet er niet toe dat voornoemde bepalingen inhoudelijk gelijkluidend zijn.

5.4. Handhaven van de financiële gevolgen van bovengenoemde uitspraak van het CBB, is in strijd met het recht en de redelijkheid en billijkheid. Niet valt te rechtvaardigen dat de onderhavige UTB’s voor douanerechten en omzetbelasting worden vernietigd vanwege onjuiste kennisgevingen niet-zuivering, terwijl zij in stand blijven voor de landbouwheffingen als gevolg van het onjuiste oordeel van het CBB.

5.5. Verzocht wordt om vergoeding van alle proceskosten.

5.6. Ter zitting heeft belanghebbende, zakelijk weergegeven, nog het volgende verklaard.

Aan de tekst in de pleitnota, blz. 1 “…de inspecteur confronteert (belanghebbende) met een navordering die in wezen contra legem is” moet worden toegevoegd: “..want artikel 379 UCDW is niet nageleefd”. Niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 8:88 Awb. Daarin is belanghebbende het eens met de inspecteur. Het bevreemdt belanghebbende dat op basis van hetzelfde feitencomplex de inning van landbouwheffingen in stand zou kunnen blijven.

De inspecteur is bevoegd belanghebbende tegemoet te komen.

- De inspecteur

5.7. Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van latere rechtspraak van het Hof van Justitie, waarmee gesteld moet worden dat de uitspraak van het CBB op een onjuiste uitleg van het gemeenschapsrecht heeft berust en dat geen verplichting bestaat op het eerder genomen besluit terug te komen, is juist.

5.8. Belanghebbende heeft niet voldaan aan de voorwaarden 1 en 3 uit het Kühne & Heitz- arrest. Er is naar nationaal recht geen bevoegdheid om op het genomen besluit terug te komen. Daarnaast heeft het Gerecht van Eerste Aanleg in zijn uitspraak van 27 september 2005, nr. T-26/03 uitspraak gedaan over de gehele voorliggende casus. Dit College gaat uit van de juiste uitleg van het gemeenschapsrecht.

5.9. De uitgereikte kennisgevingen-niet zuivering voldoen aan de in artikel 379 UCDW gestelde eisen. Zie hiervoor ook de uitspraak van het CBB van 4 juni 2003.

5.10.Belanghebbendes betoog dat in het Honeywell-arrest is geoordeeld op grond van een nieuw wettelijk kader, dat is ontstaan als gevolg van de invoering van Verordening (EEG) 2913/92 en Verordening 2454/93, wordt niet onderschreven.

5.11. Ter zitting heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven, nog het volgende aan zijn standpunt toegevoegd.

Ook op andere gronden dan artikel 4:6 Awb kan een uitspraak worden herzien. Een herziening op basis van artikel 8:88 had in dit geval meer voor de hand gelegen. Het is mogelijk een uitspraak op bezwaar te herzien.

Het Honeywell-arrest betreft de termijn van 3 maanden om het bewijs van de onregelmatigheid te leveren op grond van artikel 379 UCDW. In het dictum van genoemd arrest staat niet dat de exacte bewoordingen van vermeld artikel moeten worden gebruikt. Het kan niet zo zijn dat als de inspecteur twee woorden te weinig vermeldt, heffen onmogelijk is. Bij een onttrekking aan het douanetoezicht hoeven ook niet de exacte bewoordingen te worden gebruikt.

6. De overwegingen van de Douanekamer

6.1. De kennisgeving ex artikel 379 UCDW (zie 3.1. hiervoor)

In de 11 uitspraken van de Douanekamer van dezelfde datum als de onderhavige uitspraak, 12 juni 2007, met de nrs. 02/3440 DK en 98/90185 DK, 02/3441 DK en 98/90186 DK, 02/3442 DK en 98/90187 DK, 02/3443 en 98/90188 DK, 02/3450 DK, 02/3452 DK en 02/3454 DK, welke 11 zaken betrekking hebben op douanerechten en omzetbelasting van dezelfde aangiften ten invoer als die welke voorwerp zijn van de uitspraak van de rechtbank Haarlem en van het CBB, is geoordeeld dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 379 UCDW, zoals deze bepaling is uitgelegd in het Honeywell-arrest van het Hof van Justitie, met als gevolg dat de douaneschuld niet kan worden geïnd.

6.2. De uitspraak van het CBB (zie 3.3. hiervoor)

Het CBB heeft met betrekking tot dezelfde casusposities geoordeeld, dat de omstandigheid dat belanghebbende niet uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld om het bewijs te leveren van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan, niet tot de conclusie leidt dat verweerder de uitnodigingen tot betaling niet mocht opleggen.

Dit oordeel stemt niet overeen met het Honeywell-arrest, dat van latere datum is dan de uitspraak van het CBB, hetgeen voor belanghebbende aanleiding was om de inspecteur te verzoeken de rechtmatigheid van de uitnodigingen tot betaling - met een beroep op het Kühne & Heitz-arrest - opnieuw te bezien.

6.3. De 1e, 2e en 4e voorwaarde van het Kühne & Heitz-arrest

6.3.1. Het dictum van het arrest luidt als volgt:

“Ingevolge het in artikel 10 EG vervatte samenwerkingsbeginsel moet een bestuursorgaan een definitief geworden besluit desgevraagd opnieuw onderzoeken teneinde rekening te houden met de uitlegging die het Hof inmiddels aan de relevante bepaling van gemeenschapsrecht heeft gegeven, wanneer:

- hij naar nationaal recht bevoegd is om op dat besluit terug te komen;

- het in geding zijnde besluit definitief is geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep;

- voormelde uitspraak, gelet op latere rechtspraak van het Hof, berust op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht, gegeven zonder dat het Hof overeenkomstig artikel 234, derde alinea, EG is verzocht om een prejudiciële beslissing, en

- de betrokkene zich tot het bestuursorgaan heeft gewend onmiddellijk na van die rechtspraak kennis te hebben genomen.”

6.3.2. Ongeveer anderhalve maand na het Honeywell-arrest heeft belanghebbende zich tot de inspecteur gewend met het verzoek de litigieuze uitspraak op bezwaar te heroverwegen.

Daarmee is aan de vierde voorwaarde van het Kühne & Heitz-arrest voldaan. Ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.

Nu de inspecteur ter zitting nader heeft gesteld dat hij de mogelijkheid heeft zijn uitspraak van 24 september 1998 te herzien, is ook aan de eerste voorwaarde van voornoemd dictum voldaan.

6.4. De 3e voorwaarde van het Kühne & Heitz-arrest

Ten aanzien van de derde voorwaarde is voor de rechtbank Haarlem (Douanekamer) de vraag gerezen of het Honeywell-arrest van 20 januari 2005 inzake artikel 379 UCDW wel kan worden beschouwd als “latere rechtspraak”, nu het Hof van Justitie zich in het Lensing & Brockhausen-arrest in soortgelijke zin heeft uitgelaten over de inhoud van een kennisgeving niet-zuivering, maar toen in het licht van artikel 36, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 222/77.

De Douanekamer beantwoordt die vraag, anders dan de rechtbank, bevestigend.

Met de totstandkoming van het CDW (artikel 253) en de UCDW (artikel 915) is op

1 januari 1994 een algehele codificatie van het communautaire douanerecht in werking getreden, waarbij van ‘oude regelingen’, die tekstueel min of meer gelijkblijvend in het nieuwe verordeningenapparaat zijn overgenomen, gezegd moet worden dat zij nu zijn geplaatst – aldus ook de consideransen van de twee verordeningen – in een alles omvattend en onderling samenhangend systeem.

Hieruit trekt de Douanekamer de conclusie dat het Honeywell-arrest niet moet worden gezien louter als een herhaling van het Lensing & Brockhausen-arrest, maar als een eerste oordeel van het Hof van Justitie over de inhoud en betekenis van de kennisgeving niet-zuivering, binnen het leerstuk van de douaneschuld, in het nieuwe stelsel.

In de context van andere bepalingen van het nieuwe wetboek had de uitleg van artikel 379 UCDW door het Hof van Justitie mogelijk anders kunnen luiden dan die van een soortgelijke bepaling in een vroegere, losse verordening.

Het Honeywell-arrest was derhalve uit een oogpunt van rechtszekerheid, teneinde een goede overgang van de oude naar de nieuwe wetgeving te garanderen en leemtes in de uitleg van een rechtsvraag te vermijden, noodzakelijk.

De Duitse rechter, die naast het bestaan van het Lensing & Brockhausen-arrest toch nog prejudiciële vragen in de Honeywell-zaak stelde, moet die mening ook zijn toegedaan.

6.5. De conclusie

Uit het voorgaande volgt dat in casu aan de vier voorwaarden van het Kühne & Heitz-arrest is voldaan, zodat de inspecteur zijn besluit van 24 september 1998, welke voorwerp was van het beroep bij het CBB, opnieuw – en wel thans naar zijn inhoud - moet onderzoeken met inachtneming van het Honeywell-arrest en de 11 sub 6.1. hiervoor genoemde uitspraken van de Douanekamer. De uitspraak van de rechtbank Haarlem en de beschikking van de inspecteur van 29 juni 2005 moeten worden vernietigd.

7. Proceskosten en griffierecht

De Douanekamer acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) worden de te vergoeden kosten bepaald op een forfaitair bedrag. Indien en voorzover belanghebbende bedoelt te stellen dat er aanleiding is de kosten op een hoger bedrag vast te stellen op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit volgt de Douanekamer hierin belanghebbende niet. Belanghebbende heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit die afwijking van de forfaitaire vaststelling van de te vergoeden proceskosten rechtvaardigen.

De Douanekamer stelt de aan belanghebbende te vergoeden proceskosten met inachtneming van het Besluit vast op 2 (beroepschrift, verschijnen zitting) x 1,5 (gewicht van de zaak) x

€ 322 = € 966.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank alsmede de beschikking van de inspecteur van 29 juni 2005;

- draagt de inspecteur op zijn besluit van 24 september 1998, met betrekking tot de sub 4.1. vermelde landbouwheffingen, opnieuw te onderzoeken;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot € 966, aan belanghebbende te voldoen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan het griffierecht ad € 422 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 12 juni 2007 door mr. F.H.M. Possen voorzitter, en mrs. J.J.A.M. Kennis en K. Kooijman, leden van de Douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.