Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA8537

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
02-07-2007
Zaaknummer
06/34
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terugbetaling, belanghebbende heeft geen bezwaarschrift ingediend tegen de afwijzende beschikking van de inspecteur. Belanghebbende heeft deze termijn laten verstrijken. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende door de inspecteur op het verkeerde been is gezet, haar wordt niet aangerekend dat zij te laat het verzoek om terugbetaling heeft ingediend. Hoger beroep ingesteld door de inspecteur. Het beroep van belanghebbende op overmacht wordt door de Douanekamer verworpen. Niet is komen vast te staan dat de inspecteur belanghebbende heeft belemmerd of heeft afgeraden een bezwaarschrift in te dienen. Geen mogelijkheid van een tweede verzoek om terugbetaling in dezelfde zaak.

Uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. De uitspraak van de inspecteur, waarvan beroep, wordt bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/34 DK

uitspraak van de Douanekamer van 8 mei 2007

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane P,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 05/1606 van de Douanekamer van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 8 december 2005 in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te A, belanghebbende,

gemachtigde mr. B te Z,

en

de inspecteur.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 2 december 2000 een uitnodiging tot betaling,

kenmerk xxxx, gedaan voor een bedrag van f. 93.013,90 (€ 42.207,87) aan omzetbelasting en f. 15.907, 30 (€ 7.218,42) aan douanerechten.

1.2. Belanghebbende heeft op 29 november 2004, ingekomen op 2 december 2004, een verzoek om terugbetaling op grond van artikel 236 van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) ingediend. De inspecteur heeft bij beschikking van 17 februari 2005, kenmerk xxxx, het verzoek om terugbetaling wegens overschrijding van de in artikel 236 van het Communautair douanewetboek (CDW) genoemde termijn van drie jaar, niet-ontvankelijk verklaard. Na bezwaar tegen voormelde beschikking heeft de inspecteur op 15 april 2005, kenmerk xxxx, het bezwaarschrift ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het op 27 april 2005 ingediende beroepschrift gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, het verzoek om terugbetaling ontvankelijk verklaard alsmede de inspecteur opgedragen een nieuw besluit op het verzoek te nemen.

1.2. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de inspecteur bij zijn reacties onvoldoende oog heeft gehad voor het procesbelang van belanghebbende. Hierdoor is aannemelijk geworden dat belanghebbende door de inspecteur op het verkeerde been is gezet en kan het niet aan haar worden toegerekend dat zij te laat het verzoek om terugbetaling heeft ingediend. Op grond hiervan kan worden gesproken van overmacht waardoor belanghebbende niet eerder een verzoek om terugbetaling heeft kunnen indienen. De inspecteur heeft dan ook ten onrechte het verzoek niet-ontvankelijk en het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De procedure voor de Douanekamer

2.1. Tegen de onder 1.2. vermelde uitspraak van de rechtbank heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 17 januari 2006, ingekomen bij de Douanekamer van het Hof (verder: Douanekamer) op 20 januari 2006. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 15 februari 2006.

2.2. Belanghebbende heeft op 22 mei 2006 een verweerschrift ingediend.

2.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2007. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens de inspecteur C en D tot bijstand. Namens belanghebbende is verschenen E, gemachtigde, F en G tot bijstand. Partijen hebben beide ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

3. De feiten

De Douanekamer verwijst allereerst naar de feiten die door de rechtbank zijn vastgesteld. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt de Douanekamer nader de volgende feiten vast.

3.1. Belanghebbende heeft op 6 januari 2000 aangifte gedaan voor plaatsing onder de regeling extern communautair douanevervoer van tapijten met bestemming L. Als geadresseerde staat op het door belanghebbende zelf afgegeven document T1, nummer 90, K te L, Duitsland vermeld.

De inspecteur heeft op 27 april 2000 aan belanghebbende in verband met de door de I douaneautoriteiten vastgestelde onregelmatigheid een kennisgeving gezonden en haar daarbij in de gelegenheid gesteld alsnog de regelmatigheid van het douanevervoer aan te tonen.

Op 9 mei 2000 bericht belanghebbende dat zij bezig is om afgestempelde bewijsstukken te vergaren en dat zij deze na ontvangst aan de inspecteur zal zenden.

3.2. Op 2 december 2000 heeft de inspecteur aan belanghebbende de hiervoor sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling gezonden.

Op 13 december 2000 heeft belanghebbende hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaarschrift is bij de uitspraak van 9 mei 2001, nummer xxxx, afgewezen.

3.3. Op 22 september 2003 heeft belanghebbende op de voet van artikel 236 van het CDW een eerste verzoek om terugbetaling ingediend.

Op 9 december 2003 heeft de inspecteur bij beschikking, kenmerk xxxx, dat verzoek afgewezen. Als motivering is daarin onder meer vermeld:

“U overlegt nu bescheiden welke aantonen dat het aantal van 97 colli op awb 096-92098672 en 15 van de 16 colli op awb 096-91088465 op de plaats van bestemming zijn aangekomen. Deze bescheiden zijn echter niet door de Duitse douane gewaarmerkt.

Volgens artikel 380 (...) van de verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie (...) kunnen als bewijs van zuivering van de regeling communautair douanevervoer door de douaneautoriteiten van de lidstaat van bestemming gewaarmerkte documenten worden aanvaard waaruit blijkt dat de goederen bij het kantoor van bestemming zijn aangebracht.

De bescheiden welke u bij uw verzoek heeft overgelegd zijn niet door de douaneautoriteiten van de lidstaat van bestemming gewaarmerkt. Ook heeft u geen bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat de goederen op het T-1 document een andere douanebestemming hebben gekregen.(…)”. De beschikking was voorzien van een rechtsmiddelverwijzing.

3.4. De inspecteur heeft het dossier van belanghebbende in 2004 naar de douanepost in Heerlen gezonden teneinde aldaar de mogelijkheden voor ambtshalve terugbetaling te laten onderzoeken. Op 2 juli 2004 heeft de inspecteur belanghebbende bericht dat uit het onderzoek van de douane te Heerlen blijkt dat de I douaneadministratie juist heeft gehandeld. Uit correspondentie met de I douane, met name van de Oberfinanzdirektion, volgt dat niet meer kan worden vastgesteld waar de verschillen zijn ontstaan.

3.5. Op 2 december 2004 dient belanghebbende wederom een verzoek om terugbetaling op grond van artikel 236 van het CDW in.

Dit verzoek om terugbetaling, dat ten grondslag ligt aan de onderhavige procedure, is door de inspecteur op 17 februari 2005 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

3.6. Op 2 februari 2007 is namens belanghebbende een afschrift van een brief van de heer J, gedateerd 8 juni 2006, overgelegd, waarin laatstgenoemde verklaart:

“(..) In 2004 heeft u mij benaderd met een vraag. Het betrof een zending goederen(tapijten) die van Schiphol naar L was verzonden onder de regeling extern communautair douanevervoer. Het terugzendingsexemplaar was vanuit I niet teruggekomen op het kantoor van vertrek in Nederland. Ik heb u toen geadviseerd om bij de I Douane een zogenaamd alternatief bewijs te vragen omtrent de beëindiging van de regeling communautair douanevervoer. De I douane heeft echter zijn medewerking geweigerd aan het afgeven van degelijk bewijs.

Ik heb u toen verwezen naar de afdeling V.T.O. (vaktechnische ondersteuning) van de unit O.P.P. (overig primair proces) van kantoor Douane p. Deze collega’s hebben regelmatig landelijk overleg over allerlei douaneaangelegenheden en kunnen via hun contacten eventueel buitenlandse collega’s benaderen en met hen in contact treden (…)”.

4. Het geschil en de relevante wetsbepalingen

4.1. Ten principale is aan de orde of de inspecteur het tweede verzoek om terugbetaling al dan niet terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.2. Bij de beoordeling van het geschil heeft de Douanekamer de volgende bepalingen in aanmerking genomen:

4.2.1. Artikel 236 van het CDW, dat als volgt luidt:

1. Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt. Tot kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt. Er wordt geen terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de betaling of de boeking van een wettelijk niet verschuldigd bedrag het gevolg zijn van een frauduleuze handeling van de zijde van de belanghebbende.

2. Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend. Deze termijn wordt verlengd indien de belanghebbende het bewijs levert dat hij ten gevolge van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen de genoemde termijn heeft kunnen indienen. De douaneautoriteiten gaan ambtshalve tot terugbetaling of kwijtschelding over wanneer zij zelf gedurende deze termijn het bestaan van een der in lid 1, eerste en tweede alinea, bedoelde omstandigheden vaststellen.

4.2.2. Artikel 22 Wet om de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) welk artikel luidt als volgt:

“Ter zake van de belasting bij invoer zijn de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Douanewet (…) van overeenkomstige toepassing.”

5. Standpunten van partijen

5.1. De inspecteur

5.1.1. Het begrip overmacht wordt in artikel 236 van het CDW niet nader toegelicht. In de meeste rechtsstelsels wordt hieronder verstaan een situatie waarin sprake is van een abnormale, onvoorzienbare en niet toerekenbare omstandigheid waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. Het Hof van Justitie respectievelijk de Douanekamer van het Hof heeft overmacht in soortgelijke bewoordingen weergegeven. Verwezen wordt naar het arrest van 13 november 1984, 98 en 230/83, Van Gend en Loos NV en Expeditiebedrijf Wim Bosman BV/ Commissie, Jurispr.1984, blz.3763, punt 16, respectievelijk Hof Amsterdam 23 augustus 2003, nr. 02/3064 DK, Douanerechtspraak 2004/90*.

5.1.2. De bewijslast dat er sprake is van overmacht ligt bij belanghebbende. Zij heeft haar stelling dat er sprake is van overmacht niet nader onderbouwd.

Een situatie van overmacht dient zich per definitie voor te doen binnen de termijn van drie jaren van artikel 236 van het CDW waardoor belanghebbende niet in staat was binnen genoemde termijn een verzoek in te dienen. In de onderhavige zaak is een situatie die zich heeft voorgedaan na het verstrijken van de termijn, te weten na 2 december 2003 door de rechtbank aangemerkt als overmacht. Immers eerst op 10 december 2003 is contact gezocht met de heer D van het V.T.O.

De rechtbank betrekt daarnaast in haar oordeel de omstandigheid dat de inspecteur belanghebbende niet heeft geadviseerd om bezwaar aan te tekenen. Deze vaststelling is onjuist. Onder de afwijzende beschikking is altijd een bezwaarclausule opgenomen. Het al dan niet indienen van een bezwaarschrift ligt buiten de invloedssfeer van de inspecteur. Bestreden wordt dat de inspecteur belanghebbende ontraden heeft om bezwaar aan te tekenen. Van de zijde van de douane is geen enkele mededeling gedaan die aanleiding gaf te veronderstellen dat het indienen van bezwaar niet nodig was.

Na de brief van 2 juli 2004 waarin staat dat V.T.O. ook niet behulpzaam kan zijn bij het vergaren van het verlangde bewijs, heeft belanghebbende wederom enkele maanden laten verstrijken alvorens zich weer tot de douane te wenden.

5.1.3. Bij de beoordeling van overmacht moet ook rekening worden gehouden met de beroepservaring van belanghebbende. Haar zijn gelet op de beroepservaring en de zorgvuldigheid de termijnen bekend en bovendien staan de termijnen ook vermeld op alle beschikkingen.

Door de omstandigheid dat belanghebbende reeds binnen de termijn een eerder verzoek om terugbetaling heeft ingediend, kan niet worden gesteld dat hier sprake is van overmacht.

5.1.4. Ter zitting heeft de inspecteur het volgende verklaard:

De ambtenaar heeft pas in juni 2004 contact gehad met belanghebbende betreffende de inschakeling van de afdeling V.T.O. binnen de belastingdienst. De vraag of er sprake is van overmacht heeft betrekking op de overschrijding van de termijn van drie jaar voor het indienen van een verzoek om teruggaaf. Niet in geding is de overschrijding van de bezwaartermijn. Deze bedraagt zes weken. Het is eigen keuze geweest van belanghebbende om de bezwaartermijn te laten verlopen. De inspecteur heeft daarbij geen rol gespeeld.

De inspecteur verzoekt de Douanekamer in eerste instantie een uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het verzoek om terugbetaling.

5.2. Belanghebbende

5.2.1. De rechtbank heeft het de inspecteur aangerekend dat deze na het besluit van 9 december 2003 heeft geadviseerd zich te wenden tot het V.T.O. (en niet om bezwaar aan te tekenen tegen dit besluit). De bezwaartermijn is aldus verlopen en niet de termijn van artikel 236 van het CDW. Het V.T.O heeft bijna zes maanden gewacht met het op de hoogte stellen van belanghebbende dat zij de ontstane impasse ook niet konden doorbreken. Op dat moment was de termijn om een bezwaarschrift in te dienen reeds verstreken. Dit klemt temeer omdat de douane zelf verklaart dat de heer D al snel concludeerde dat zijn betrokkenheid niet van nut kon zijn; maar dan nog is belanghebbende tot na het verloop van de bezwaartermijn in het ongewisse gelaten. Derhalve kan niet worden gesteld dat belanghebbende verwijtbaar te laat bezwaar heeft ingediend.

De opmerkingen van de douane, die alleen betrekking hebben op artikel 236 van het CDW, missen daarmee hun doel.

5.2.2. Het is echter niet zo dat gesteld kan worden dat in deze zaak geen sprake is van overmacht in de zin van artikel 236 van het CDW.

Belanghebbende heeft getracht de zuivering van de documenten te laten plaatsvinden en in dat kader zijn allerlei instanties aangeschreven. Dit heeft ertoe geleid dat is komen vast te staan dat de tapijten -op een na- in L zijn aangekomen. Dit wordt door de Nederlandse douane ook erkend. Dat belanghebbende in het bureaucratische systeem is vastgelopen, kan haar niet worden aangerekend.

Belanghebbende is haar bezwaartermijn misgelopen door:

a) het advies van de douane zich te wenden tot het V.T.O. en

b) door het trage handelen van de Nederlandse douane.

Dit is een omstandigheid die als overmacht moet worden aangemerkt.

5.2.3. Ter zitting is namens belanghebbende nog het volgende verklaard. Het eerste verzoek om terugbetaling was tijdig. Het tweede verzoek niet. De overmachtsituatie is gelegen in de bezwaarfase na het eerste verzoek om terugbetaling en de daaropvolgende beschikking.

Er is wel degelijk eerder contact geweest over de benadering van de afdeling V.T.O. Reeds op 10 december 2003 heeft de heer G hierover een brief gezonden aan de heer D. Dit is gedaan op basis van informatie van ambtenaar J.

6. De overwegingen van de Douanekamer

6.1. Vaststaat dat belanghebbende geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen de

afwijzende beschikking van 9 december 2003 op het verzoek om terugbetaling op grond van artikel 236 van het CDW, ingediend op 22 september 2003. De beschikking was voorzien van een rechtsmiddelverwijzing, inhoudende dat binnen zes weken na dagtekening van de beschikking een bezwaarschrift kon worden ingediend bij douanekantoor p.

Belanghebbende heeft deze termijn evenwel ongebruikt laten verstrijken. Niet is komen vast te staan dat de inspecteur belanghebbende op enigerlei wijze heeft belet dan wel heeft afgeraden om een bezwaarschrift in te dienen. De door belanghebbende gestelde contacten die zij rond die periode met de ambtenaren heeft gehad, waren gericht op het leveren van het bewijs van de regelmatigheid van het communautair douanevervoer. Niet gesteld of gebleken is dat deze contacten betrekking hadden op de procesrechtelijke aspecten van deze zaak, nog daargelaten wat daar dan de gevolgen van zouden moeten zijn.

6.2. De beschikking van 9 december 2003, aangaande het eerste verzoek om terugbetaling, en daarmee ook de onderliggende uitnodiging tot betaling van 2 december 2000, zijn rechtens onaantastbaar geworden.

6.3. In het douaneprocesrecht is niet voorzien in de mogelijkheid van een tweede verzoek om terugbetaling in dezelfde zaak. Een dergelijk verzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard. De beschikking van de inspecteur op het tweede verzoek om terugbetaling is dus -hoewel die berust op andere gronden dan die van de Douanekamer- juist, en het bezwaar daartegen is dan ook terecht ongegrond verklaard.

6.4. Gelet op het vorenoverwogene komt de Douanekamer niet meer toe aan de beantwoording van de vraag of er al dan niet sprake is van overmacht van de zijde van belanghebbende, met betrekking tot het verstrijken van de termijn van een tweede verzoek om terugbetaling, zoals de rechtbank in de uitspraak, waarvan hoger beroep, heeft overwogen.

6.5. Een en ander brengt met zich dat de uitspraak van de douanekamer van de rechtbank Haarlem moet worden vernietigd, en dat de uitspraak van de inspecteur, waarvan beroep, moet worden bevestigd.

7. Proceskosten en griffierecht

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een vergoeding van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op artikel 27l, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, is de Staat geen griffierecht verschuldigd.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank en

- bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Aldus vastgesteld op 8 mei 2007 door mr. F.H.M. Possen voorzitter, en mrs. J.J.A.M. Kennis en K. Kooijman, leden van de Douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.