Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA7531

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
P06/00352
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

K_0600352

Rechtbank vernietigt naheffingsaanslag parkeerbelasting na het tonen van parkeerkaartje ter zitting, maar ontzegt belanghebbende de vergoeding van reiskosten. Bij ambtshalve onderzoek in hoger beroep blijkt de bevoegdheid tot het opleggen van de naheffingsaanslag niet gemandateerd te zijn aan de parkeercontroleur. Nu de naheffingsaanslag niet opgelegd had mogen worden komt volgens het Hof belanghebbende in aanmerking komen van reis- en verletkosten zowel betreffende procedure bij de rechtbank als betreffende die bij het hof.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/1100
FutD 2007-1188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00352

vierde enkelvoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

X te P,,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk 00/00000 van de rechtbank van 25 juli 2006 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de directeur van de Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 21 mei 2007.

Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor wat betreft de proceskostenveroordeling;

- gelast de gemeente Utrecht het gestorte griffierecht ad € 105 aan belanghebbende te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 221,26 en wijst de gemeente Utrecht als de rechtspersoon aan die dit bedrag aan belanghebbende dient te betalen.

Gronden

Op 9 april 2005 uur stond de auto met kenmerk 11 22 11 (hierna: de auto) geparkeerd op het a-straat te Utrecht (hierna: de parkeerplaats) zonder dat het voor de parkeercontroleur kenbaar was dat voor het aldaar op dat tijdstip parkeren parkeerbelasting was betaald. Ter zake van dit feit is aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

Onder een logo staat op het desbetreffende naheffingsaanslagbiljet voor zover van belang vermeld:

PARKEERBEDRIJF

Gemeente Utrecht

naheffingsaanslag parkeerbelastingen

090405 1555 aaaaaa

Dag maand jaar tijd controleur

Belanghebbende heeft voormelde constatering van de parkeercontroleur betwist en zich met de oplegging van de naheffingsaanslag niet kunnen verenigen. Hij stelt in totaal voldoende parkeerbelasting te hebben voldaan door die dag om 09.35 uur € 12,00 parkeerbelasting te betalen en om 12.54 uur nog eens € 6,00 te betalen en de daarop betrekking hebbende parkeerkaartjes duidelijk zichtbaar in zijn auto te leggen.

Omdat hem in de bezwaarfase de originele parkeerkaartjes niet zijn getoond heeft verweerder - zich baserend op het bepaalde in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - het door belanghebbende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Aangezien belanghebbende de originele kaartjes ter zitting heeft overgelegd heeft de rechtbank conform de conclusie van verweerder het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van verweerder alsmede de naheffingsaanslag vernietigd, belanghebbendes verzoek om schadevergoeding afgewezen en bepaald dat aan belanghebbende het betaalde griffierecht door verweerder wordt vergoed. Voorts heeft de rechtbank aangegeven dat belanghebbende niet in aanmerking kan komen voor de door hem gevraagde vergoeding van reiskosten.

In hoger beroep stelt belanghebbende zich op het standpunt in aanmerking te komen voor reis- en verletkosten, aangezien de naheffingsaanslag hem ten onrechte is opgelegd, daar de parkeerkaartjes duidelijk zichtbaar in zijn auto lagen.

Verweerder stelt daartegenover dat het bezwaarschrift gegrond was verklaard en er van een beroepsprocedure geen sprake was geweest, indien de originele parkeerkaartjes hem in de bezwaarfase waren getoond dan wel waren overgelegd.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de naheffingsaanslag is opgelegd door een daartoe gemandateerde parkeercontroleur van de afdeling Parkeren van de Politie regio Utrecht.

Niet in geschil is dat de onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd op grond van artikel 3 van de Verordening parkeerbelastingen 2005.

Ambtshalve onderzoek naar de bevoegdheid tot het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag heeft geleid tot de volgende conclusie.

Tot de gedingstukken behoren:

- het besluit van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Utrecht van 14 december 2004, waarbij de directeur van de Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen met ingang van 1 januari 2005 is aangewezen als de gemeenteambtenaar, bedoeld in de artikel 231, tweede lid, onderdelen b en c van de Gemeentewet;

- het besluit van de directeur van de Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen van de gemeente Utrecht van 17 december 2004 om met ingang van 1 januari 2005 de directeur van de Dienst Stadsontwikkeling te mandateren om onder meer namens hem op te treden met betrekking tot de uitvoering van de heffing en invordering van parkeerbelastingen met uitzondering van de bevoegdheid tot het voeren van belastingprocedures bij de Rechtbank en het Gerechtshof; en

- het besluit van de directeur van de Dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Utrecht van 27 december 2004 om met ingang van 1 januari 2005 onder meer

a. het hoofd van de afdeling Parkeerbedrijf gemeente Utrecht van de Dienst Stadsontwikkeling en diens plaatsvervanger te mandateren om namens haar op te treden met betrekking tot de uitvoering van de heffing en invordering van parkeerbelastingen met uitzondering van de bevoegdheid tot het heffen van parkeerbelastingen bij wege van voldoening op aangifte dan wel het opleggen van een naheffingsaanslag en het voeren van belastingprocedures bij de Rechtbank en het Gerechtshof,

en

a. de chef van de afdeling Parkeren van de Politie regio Utrecht,

b. de parkeercontroleurs van de afdeling Parkeren van de Politie regio Utrecht,

c. de parkeercontroleurs van bedrijf T

te mandateren om namens haar op te treden met betrekking tot het vaststellen, uitreiken en verzenden van naheffingsaanslagen parkeerbelastingen.

Blijkens het opschrift van de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag is deze vastgesteld en uitgereikt door een persoon namens het Parkeerbedrijf gemeente Utrecht. Nu de bevoegdheid tot het vaststellen, uitreiken en verzenden van naheffingsaanslagen parkeerbelastingen - gelet op het voormelde besluit van de directeur van de Dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Utrecht van 27 december 2004 - niet is gemandateerd aan het hoofd van de afdeling Parkeerbedrijf gemeente Utrecht van de Dienst Stadsontwikkeling maar aan de chef van de afdeling Parkeren van de Politie regio Utrecht, de parkeercontroleurs van de afdeling Parkeren van de Politie regio Utrecht en de parkeercontroleurs van bedrijf T, dient naar ’s Hofs oordeel geconcludeerd te worden dat deze naheffingsaanslag niet door een daartoe bevoegd persoon is opgelegd.

De stelling van verweerder ter zitting dat de naheffingsaanslag feitelijk is opgelegd door een parkeercontroleur van de afdeling Parkeren van de Politie regio Utrecht die zich kennelijk heeft bediend van de onderhavige naheffingsaanslag dient als niet onderbouwd ter zijde te worden gesteld.

Nu de onderhavige naheffingsaanslag derhalve onbevoegdelijk aan belanghebbende is opgelegd, kan belanghebbende niet langer verweten worden dat hij de originele parkeerkaartjes niet eerder dan op de zitting van de rechtbank aan verweerder heeft getoond. Er is daarom geen reden belanghebbende de vergoeding van reis- en verletkosten te weigeren.

Gelet op het vorenoverwogene ziet het Hof geen aanleiding tegemoet te komen aan het verzoek van belanghebbende om de betreffende parkeercontroleur alsnog op te roepen.

Het voorgaande leidt ertoe dat het Hof termen aanwezig acht voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen in het onderhavige geval hiervoor in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer en verletkosten van belanghebbende.

De reiskosten voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank in Utrecht begroot het Hof op € 7,72 en die voor het bijwonen van de zitting van dit hof op € 13,34.

Van de door belanghebbende gevraagde verletkosten komen slechts die kosten in aanmerking voor het aantal uren, die redelijkerwijs zijn besteed om de zitting bij te wonen, hetgeen – uitgaande van het door belanghebbende gestelde bedrag van € 1000 per week – voor elk van de zittingen neerkomt op € 100.

De mondelinge uitspraak is gedaan door mr. D.B. Bijl, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands griffier.

De beslissing is op 4 juni 2007 in het openbaar uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.