Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA7440

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
23-001227-06
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BF3302, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BF3302
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord en poging tot moord met bewijsoverwegingen

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-001227-06

datum uitspraak: 23 mei 2007

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2006 in de strafzaak onder parketnummer 13-528054-05 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 maart 2006 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 13 september 2006 en 9 mei 2007.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 maart 2006 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 en onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -

hij op 19 februari 2005 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachten rade [slachto[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde -

hij op 19 februari 2005 te Amsterdam op de [adres] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slac[slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een vuurwapen op die [slachtoffer 2] heeft geschoten.

Hetgeen onder 2 en onder 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op de avond van 18 februari 2005 bevond verdachte zich in café [naam café] aan de [adres] te Amsterdam. Verdachte droeg een vuurwapen bij zich in een tasje en was in het gezelschap van een aantal vrienden, waaronder zijn broer [broer verdachte] en [W,]. In het café bevonden zich ook de latere slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Omstreeks 23.00 uur is een woordenwisseling ontstaan over een spelletje poolbiljart tussen enerzijds verdachte en zijn vrienden en anderzijds [slachtoffer 1].

Verdachte is op enig moment die avond samen met [slachtoffer 1] naar buiten gegaan. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op dat moment zijn wapen heeft gepakt, uit het tasje gehaald en in zijn jaszak heeft gestoken, omdat hij [slachtoffer 1] bedreigend vond overkomen. Volgens verdachte hield hij er rekening mee dat hij het wapen ook daadwerkelijk zou moeten gebruiken. Na enige tijd zijn beiden weer het café ingegaan.

Rond 2.00 uur is de ruzie weer opgelaaid en zodanig geëscaleerd dat een groep mensen in het café begon te vechten. Vast staat dat [slachtoffer 1] daarbij door onder andere [W,] het café is uitgeduwd en naar de grond is gewerkt. Op het moment dat de groep zich al vechtend naar buiten bewoog, stond verdachte, naar zijn zeggen, in de nabijheid van de uitgang van het café. [slachtoffer 2] is achter de groep aan naar buiten gelopen.

Verdachte heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 2], op het moment dat deze naar de deur liep, een wapen uit zijn broeksband haalde. Vervolgens zou verdachte direct op [slachtoffer 2] hebben geschoten en hem in de rechterarm hebben geraakt.

Het hof hecht echter geen geloof aan deze lezing. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer 2] in het bezit was van een vuurwapen en leidt dit af uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] (pag. 574), [getuige 2] (pag. 598) en [getuigege 3] (pag. 175), die allen verklaren, zakelijk weergegeven, dat zij het zouden hebben gezien als [slachtoffer 2] een vuurwapen bij zich had en dat zij zulks niet hebben gezien. [slachtoffer 2] zelf betwist eveneens dat hij een vuurwapen in zijn bezit had. Voorts acht het hof het onwaarschijnlijk dat verdachte, nadat hij het vuurwapen bij [slachtoffer 2] zou hebben gezien, zijn eigen wapen eerst nog moest pakken, doorladen, en vervolgens op [slachtoffer 2] zou hebben geschoten, terwijl [slachtoffer 2] het vuurwapen al in zijn hand had. Bovendien komt de richting waarin verdachte volgens hem heeft geschoten, te weten links van [slachtoffer 2] staande en vervolgens met zijn schot de rechterarm van [slachtoffer 2] rakende, niet overeen met de bij rapport van 2 april 2007 neergelegde bevindingen van het NFI omtrent de schotrichting. De arm van [slachtoffer 2] zou bovendien een buitengewoon onnatuurlijke houding moeten hebben aangenomen wil een schot van links de rechterarm van het slachtoffer zijn in- en uitgegaan op de wijze die overeenkomt met de richting van de schotbaan zoals die kan worden afgeleid uit de lidtekens die te zien zijn op de foto’s van het slachtoffer op de bladzijden 128 e.v. van het dossier.

Voorts oordeelt het hof onaannemelijk dat verdachte binnen het café op [slachtoffer 2] heeft geschoten. [slachtoffer 2] verklaart zelf dat hij werd beschoten toen hij buiten kwam en dat hij in zijn arm werd geraakt. Nadat hij zich zou hebben omgedraaid werd hij weer beschoten, aldus zijn verklaring ter terechtzitting van 13 september 2006. Uit verscheidene getuigenverklaringen volgt dat zij binnen in het café geen schoten hebben gehoord en dat het schieten buiten moet hebben plaatsgehad. [getuige 8] (p. 465 e.v.) en [getuige 1] (p. 574 e.v.) zijn daar zelfs desgevraagd heel stellig in.

Dat in het café geen kogelhuls is aangetroffen (de raadsman wees daar in ander verband op) laat zich hierdoor bovendien goed verklaren.

Om deze redenen dient verdachte van het hem onder 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 en onder 3 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op [slachtoffer 1] en poging tot moord op [slachtoffer 2]. Het hof komt tot dit oordeel aan de hand van de volgende bevindingen.

Verdachte heeft tijdens behandeling in hoger beroep verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij al jarenlang vrijwel dagelijks een vuurwapen bij zich droeg. Op die bewuste avond heeft verdachte, toen de eerste woordenwisseling met [slachtoffer 1] ontstond, het vuurwapen tevoorschijn gehaald en in zijn jaszak gestoken. Verdachte heeft verklaard dat hij er toen rekening mee hield dat hij het vuurwapen daadwerkelijk zou moeten gebruiken. Verdachte was bekend met de werking van vuurwapens. Voordat verdachte het wapen daadwerkelijk kon gebruiken, heeft hij het moeten doorladen. Volgens de rapportage van het NFI (p.674) heeft verdachte van korte tot zeer korte afstand op [slachtoffer 1] geschoten. De verschillende richtingen waarmee de kogels het lichaam van [slachtoffer 1] zijn ingegaan zijn te begrijpen indien wordt aangenomen dat [slachtoffer 1] vanuit buikligging trachtte overeind te komen op het moment dat verdachte tweemaal op (zeer) korte afstand in de rug van [slachtoffer 1] heeft geschoten.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 4] (p. 183 - 184), [getuige 5] (p. 201), [getuige 6] (p. 223 - 226), [getuige 7] (p. 293B - 293F) en [getuige 8] (p. 409 - 414), geen sprake was van een zich op de grond bevindende kluwen vechtenden op het moment dat verdachte richting de grond schoot om hen uit elkaar te halen, zoals verdachte heeft verklaard ter terechtzitting in hoger beroep, maar dat [slachtoffer 1] op dat moment als enige op de grond lag (hof: aanstalten makend om overeind te komen) en dat de om hem heen staande groep mensen hem, [slachtoffer 1], schopten en sloegen.

Voorts is het hof van oordeel dat verdachte, terwijl [slachtoffer 1] zich buiten op de grond bevond, niet op de grond heeft geschoten, zoals hij zelf heeft verklaard, maar gericht op [slachtoffer 1]. Het hof baseert dit oordeel op vorenstaande rapportage van het NFI (p. 674) en de bevindingen van het onderzoek van het trottoir, waarbij niet gebleken is van beschadigingen aan het trottoir die mogelijk te herleiden waren tot kogelinslagen (p. 643).

Tenslotte is het hof van oordeel dat verdachte meermalen gericht heeft geschoten op [slachtoffer 2], die zich toen eveneens buiten het café bevond. Blijkens verdachtes verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg stond [slachtoffer 2] met zijn rug naar hem, verdachte, toe. Verdachte heeft als reden voor dit schieten op [slachtoffer 2] in deze situatie ter terechtzitting in hoger beroep zijn in de rapportage van het Pieter Baan Centrum opgenomen verklaring tegenover de psycholoog A.J. de Groot (pag. 27), te weten: “Ik wilde zeker weten dat hij niet terug kon komen.”, bevestigd.

Onder genoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, en bewust en doelgericht op de slachtoffers heeft geschoten.

Terzijde merkt het hof nog op – naar aanleiding van een discussie ter terechtzitting van 9 mei 2007 – dat voorgaande beschouwingen zich laten rijmen met het aantreffen van 3 kogelhulzen op de plaats van het delict buiten het café [naam café]. Twee daarvan kunnen hebben behoord bij de kogels die zijn afgevuurd op [slachtoffer 1], en één ervan kan hebben behoord bij de kogel die is afgevuurd op [slachtoffer 2], welke hem in de arm heeft getroffen. De kogel die de arm van [slachtoffer 2] heeft verwond en vervolgens zijn lichaam heeft verlaten kan de kogel zijn geweest die op de plaats van het delict is aangetroffen. Het verschieten van de andere kogels die door verdachte in de richting van [slachtoffer 2] zijn afgevuurd kan hebben plaatsgehad op het moment dat - zo begrijpt het hof de verklaring van [slachtoffer 2] – [slachtoffer 2] trachtte met hoge snelheid te ontkomen aan het gevaar dat dreigde van de achter hem aan rennende verdachte. Die kogels zouden in deze lezing zijn afgevuurd op enige afstand van het café, en zijn overigens evenals de bijbehorende hulzen niet meer aangetroffen. Voor de goede orde, het hof ontleent het wettige en overtuigende bewijs niet aan voorgaande overwegingen in deze alinea, doch zij bieden een plausibele verklaring voor de bevindingen op de plaats van het delict. De bewezenverklaring is daarmee niet in strijd.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

- ten aanzien van het onder 2 bewezengeachte -

Moord.

- ten aanzien van het onder 3 bewezengeachte -

Poging tot moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.536,80, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest, en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.846,80, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel..

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft met een vuurwapen meerdere keren op [slachtoffer 2] geschoten, waardoor deze [slachtoffer 2] gewond is geraakt. Voorts heeft verdachte met een vuurwapen van korte afstand op [slachtoffer 1] geschoten, die als gevolg van deze verwondingen is overleden.

Door aldus te handelen heeft verdachte een medemens van het leven beroofd en getracht een ander eveneens van het leven te beroven. Het is slechts aan het toeval te danken dat [slachtoffer 2] niet ook tengevolge van verdachtes handelen is overleden. Verdachte heeft op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en de nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer 1] onherstelbaar leed toegebracht.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 maart 2007 is verdachte eerder ter zake van onder meer poging tot doodslag veroordeeld.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van het met betrekking tot verdachte uitgebrachte rapport van het Pieter Baan Centrum, op 23 februari 2007 opgemaakt door J.H. van Renesse, psychiater, en A.J. de Groot, psycholoog.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 3846,80 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en onder 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 en onder 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2], wonende te Amsterdam-Zuidoost, rekeningnummer 415749131, een bedrag van EUR 3.846,80 (drieduizend achthonderdzesenveertig euro en tachtig cent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 3.846,80 (drieduizend achthonderdzesenveertig euro en tachtig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer 2].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 48 (achtenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de 5e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.C. Aben, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. N.A. Schimmel, in tegenwoordigheid van mr. S.G.J. Berk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 mei 2007.

Mr. Van Asperen de Boer-Delescen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.