Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA7439

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2007
Datum publicatie
19-06-2007
Zaaknummer
21-001509-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een gewelddadige confrontatie tussen twee Marokkaanse families.

Gevangenisstraf 16 jaar.

Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel – voorzover dat al zou kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie – wordt verworpen omdat niet is gebleken dat van gelijke gevallen sprake is. Immers, aan verdachte kan, anders dan aan de [familie 1], geweld met dodelijke afloop worden verweten.

Ook anderszins is niet gebleken van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het hof stelt voorop dat het voornemen van een wraakactie gericht op het leven van [slachtoffer 1] al eerder door verdachte en zijn vader is uitgesproken. Toen zich de gelegenheid voordeed om de [familie 1] aan te treffen, heeft verdachte zich – voorzien van een mes – onmiddellijk naar de parkeerplaats bij De Clomp begeven en is meteen op [slachtoffer 1] toegerend en heeft hem met het mes in de borst gestoken.

Zelfs al zou de agressie van verdachte louter haar oorsprong vinden in zijn kwaadheid over het wegjagen van zijn broer [broer 1], dan nog heeft verdachte voorafgaand aan de dodelijke steekpartij voldoende tijd gehad zich te beraden op het door hem genomen besluit om [slachtoffer 1] te doden. Daaruit volgt dat de gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof is van oordeel dat verdachte al geruime tijd vóór 24 maart 2005 het voornemen heeft opgevat iemand van de [familie 1] te doden en dat hij dat voornemen die dag op De Clomp ten uitvoer heeft gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 21-001509-06

Uitspraak d.d.: 18 juni 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Amsterdam

zitting houdende te

Arnhem

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 23 maart 2006 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 juni 2007 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat verdachte en zijn broers wel zijn vervolgd, terwijl de leden van de familie [familie 1], die op 24 maart 2005 ook aan het gevecht deelnamen, niet door het openbaar ministerie zijn vervolgd.

Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel – voorzover dat al zou kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie – wordt verworpen omdat niet is gebleken dat van gelijke gevallen sprake is. Immers, aan verdachte kan, anders dan aan de [familie 1], geweld met dodelijke afloop worden verweten.

Ook anderszins is niet gebleken van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen nu het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 24 maart 2005 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben/is/zijn verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp voorwerp in de arm en/of de borst, althans het lichaam gestoken/gesneden/geprikt,

en/of [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een of meer voorwerp(en) geslagen,

en/of met een auto tegen die [slachtoffer 1] aangereden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 maart 2005 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten een of meer steekwond(en) en/of een slagaderlijke bloeding in/bij de arm en/of de borst, althans het lichaam), heeft toegebracht,

door opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1] te steken/snijden met een mes, althans een scherp voorwerp, en/of die [slachtoffer 1] met een of meer voorwerp(en) te slaan,

en/of door (meermalen) (krachtig) te schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of door met een auto op die [slachtoffer 1] in te rijden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 24 maart 2005 te Zeist met een ander of anderen,

op of aan de openbare weg, (te weten op/nabij de parkeerplaats bij) De Clomp, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] welk geweld bestond uit:

- het (meermalen) (krachtig) (al dan niet met harde voorwerpen) slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- het (meermalen) (krachtig) schoppen tegen het hoofd en/of lichaam van die

[slachtoffer 1] en/of

- het inrijden met een auto op die [slachtoffer 1] en/of

- het (meermalen) steken en/of snijden met een mes, althans een scherp voorwerp, in de arm en/of in de borst en/of in een slagader, in elk geval (telkens) in het lichaam van die [slachtoffer 1]

waarbij hij, verdachte, heeft gestoken en/of gesneden met een mes/scherp voorwerp in de arm/de borst/een slagader/het lichaam van die [slachtoffer 1] en welk door hem, verdachte, gepleegd geweld de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2.

Primair

hij op of omstreeks 24 maart 2005 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] (al dan niet met stokken/knuppels en/of andere (slag/steek)wapens) heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 maart 2005 te Zeist met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, (te weten op/nabij de parkeerplaats bij) De Clomp, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer andere perso(o)n(en),

welk geweld bestond uit het (al dan niet met stokken/knuppels en/of andere (slag/steek)wapens) slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen van eerdergenoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of (een) ander(e) perso(o)n(en);

3.

Primair

hij tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of omstreeks 24 maart 2005 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 4] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

[slachtoffer 4] met een mes, althans een scherp voorwerp meermalen, althans eenmaal in de borst en/of de rug, althans het lichaam heeft gestoken/gesneden, en/of met een of meer (hard(e)) voorwerp(en) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 4] heeft geslagen en/of met een auto tegen die [slachtoffer 4] is aangereden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 maart 2005 te Zeist met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Zeist, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4], welk geweld bestond uit:

het met een mes, althans een scherp voorwerp meermalen, althans eenmaal in de borst en/of de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer 4] steken en/of snijden,

en/of het met een of meer (hard(e) voorwerp(en) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 4] slaan en/of het met een auto tegen die [slachtoffer 4] aanrijden;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Door verdachte en de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat geen sprake is van moord, vanwege het feit dat verdachte niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Op 24 maart 2005 te Zeist heeft op de parkeerplaats van het winkelcentrum De Clomp, in nabijheid van de moskee, een gewelddadige confrontatie plaatsgevonden tussen leden van de families [familie 2] en [familie 2]. Tijdens het gevecht dat is ontstaan heeft verdachte [slachtoffer 1] ter hoogte van zijn schouder met een mes gestoken. [slachtoffer 1] is direct hevig bloedend op straat gevallen en ter plaatse aan zijn steekverwonding overleden.

Het hof stelt vast dat het steken van verdachte niet op zichzelf staat, maar het trieste slotstuk is van een langdurige familievete met een reeks gewelddadigheden en bedreigingen van de kant van verdachte (en zijn broers) jegens leden van de familie [familie 1]. Uit verklaringen van leden van de beide families, van vele getuigen en uit de processen-verbaal van de politie blijkt dat de verhouding tussen beide families – voormalige buren van elkaar – jarenlang goed is geweest, maar in de loop der tijd ernstig is verslechterd. Tal van (gewelddadige) incidenten waren het gevolg. Verdachte is onder meer in mei en september 2004 veroordeeld geweest in verband met gewelddadige incidenten tegen de familie [familie 1]. Bemiddelingspogingen door de politie en vertegenwoordigers van de moskee hebben geen verbetering kunnen brengen in de verhoudingen tussen de beide families. Vanaf mei 2004 zijn door de familie [familie 1] tegen verdachte en zijn broers een reeks van meldingen/aangiftes gedaan van geweld en bedreiging met geweld. Verschillende getuigen hebben verklaard dat de broers [familie 2] op 22 en 23 maart 2005, op of nabij het winkelcentrum De Clomp te Zeist, op zoek waren naar de familie [familie 1], terwijl de familie van verdachte daar normaliter niet komt.

Voorts heeft het hof kennis genomen van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6].

[getuige 1] heeft op 27 april 2005 bij de politie onder meer verklaard -zakelijk weergegeven-:

“[slachtoffer 1] wilde wel een verzoening. De zoon bleef weigeren. Geen verzoening. Hij zei: “[familie 1] gaat dood.” Enkele dagen voor de moord op [slachtoffer 1] heb ik van [getuige 7] gehoord dat hij [vader 2] had gesproken. Hij had toen gehoord dat [vader 2] zei: “Ik wacht het moment af dat mijn zoon uit de gevangenis komt en dan zal [familie 1] doodgaan/sterven.”

[getuige 2] heeft op 25 april 2005 bij de politie onder meer verklaard -zakelijk weergegeven-:

“Ik heb van mensen gehoord, meerdere keren, dat [verdachte] heeft gezegd/gezworen dat hij [slachtoffer 1] eens zou vermoorden.”

[getuige 3] heeft op 7 april 2005 bij de politie onder meer verklaard -zakelijk weergegeven-:

“Wat ik voor de doodslag heb gehoord in de Marokkaanse gemeenschap, is dat de zoon van de familie [familie 2], wanneer hij uit de gevangenis zou komen, de heer [slachtoffer 1] zou vermoorden. Ik heb gehoord dat dit om [verdachte] zou gaan. Wat ik ook nog in de Marokkaanse gemeenschap heb gehoord, is dat [vader 2] heeft gezworen dat de heer [slachtoffer 1] vermoord zou worden. Dit omdat [vader 2] ongeveer anderhalf jaar geleden gewond is geraakt in de confrontatie tussen de [familie 2] en de [familie 1]. Dit was algemeen bekend in de Marokkaanse gemeenschap. Dit wordt bloedwraak genoemd.”

[getuige 4] heeft op 1 mei 2005 bij de politie onder meer verklaard -zakelijk weergegeven-:

“[vader 2] zei tegen mij: “[familie 1] gaat dood. Hij heeft mij geslagen, hij gaat dood.””

[getuige 5] heeft op 9 mei 2005 bij de politie onder meer verklaard -zakelijk weergegeven-:

“Op 7 maart 2005 werd aan [verdachte] meegedeeld dat hij in vrijheid werd gesteld. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Ik heb nog een aardappeltje te schillen. Ik neem wraak.””

[getuige 6] heeft op 11 mei 2005 bij de politie onder meer verklaard -zakelijk

weergegeven-:

“In de periode dat ik op het Wolvenplein zat, was ook [verdachte] daar gedetineerd. [verdachte] heeft mij verteld dat hij er één ging vermoorden van de [familie 1].”

Ten aanzien van de verklaring van de getuige [getuige 6] merkt het hof het volgende op. Ter terechtzitting van het hof heeft [getuige 6] ontkend dat verdachte tegen hem gezegd zou hebben dat hij een lid van de familie [familie 1] zou vermoorden. Daarnaast heeft hij in hoger beroep verklaard dat hij dit niet verklaard zou hebben tegenover de politie en dat zijn verklaring niet aan hem is voorgelezen.

Het hof stelt vast dat het hier gaat om een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal dat door twee verbalisanten is ondertekend. Het hof acht de verklaring van de getuige [getuige 6] zoals afgelegd ter zitting van het hof dan ook volstrekt ongeloofwaardig en hecht geloof aan de verklaring van de getuige [getuige 6] zoals afgelegd tegenover de politie, onder meer vanwege het feit dat delen van die verklaring worden ondersteund door andere bewijsmiddelen uit het dossier.

Gelet op het bovenstaande stelt het hof vast dat de sfeer tussen de beide families uiterst gespannen was en de onderlinge verhouding op scherp stond. Verdachte en zijn broers waren op 24 maart 2005 uit op een gewelddadige confrontatie met de familie [familie 1], kort nadat een broer van verdachte, [broer 1], door twee zonen van [familie 1] van het parkeerterrein De Clomp was weggejaagd. Deze was daarover zeer boos en heeft zijn vier broers, onder wie verdachte, met de mobiele telefoon gewaarschuwd. Zij hebben zich verzameld en zijn, voorzien van slagwapens, meteen in drie auto’s naar De Clomp gereden. Verdachte en zijn broers zijn daar direct het gevecht aangegaan met de daar aanwezige leden van de familie [familie 1]. Verdachte wordt hierbij door getuige [getuige 3] aangewezen als degene die op [slachtoffer 1] afliep en hem met een mes in de borst stak, waarna verdachte hard weg zou zijn gelopen. Ook getuige [getuige 8] ziet één van de vier mannen uit de auto’s rechtstreeks naar [slachtoffer 1] rennen met iets in zijn handen.

Verdachte heeft verklaard dat hij de steek heeft toegebracht uit kwaadheid over hetgeen zijn broer [broer 1] een kwartier eerder was aangedaan toen hij werd weggejaagd.

Bij beoordeling van het verweer stelt het hof voorop dat het voornemen van een wraakactie gericht op het leven van [slachtoffer 1] al eerder door verdachte en zijn vader is uitgesproken. Toen zich de gelegenheid voordeed om de familie [familie 1] aan te treffen, heeft verdachte zich – voorzien van een mes – onmiddellijk naar de parkeerplaats bij De Clomp begeven en is meteen op [slachtoffer 1] toegerend en heeft hem met het mes in de borst gestoken.

Zelfs al zou de agressie van verdachte louter haar oorsprong vinden in zijn kwaadheid over het wegjagen van zijn broer [broer 1], dan nog heeft verdachte voorafgaand aan de dodelijke steekpartij voldoende tijd gehad zich te beraden op het door hem genomen besluit om [slachtoffer 1] te doden. Daaruit volgt dat de gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof is van oordeel dat verdachte al geruime tijd vóór 24 maart 2005 het voornemen heeft opgevat iemand van de familie [familie 1] te doden en dat hij dat voornemen die dag op De Clomp ten uitvoer heeft gebracht.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair op de eerste plaats, 2 subsidiair en 3 primair op de eerste plaats tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

Primair

hij op 24 maart 2005 te Zeist, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] met een mes in het lichaam gestoken

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

2.

Subsidiair

hij op 24 maart 2005 te Zeist met anderen, op de openbare weg, (te weten op de parkeerplaats bij) De Clomp, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] welk geweld bestond uit het met slagwapens slaan van eerdergenoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

3.

Primair

hij op 24 maart 2005 te Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet

[slachtoffer 4] met een mes, althans een scherp voorwerp meermalen, het lichaam heeft gestoken zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven

ten aanzien van het onder 1 primair op de eerste plaats bewezenverklaarde:

Moord.

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

ten aanzien van het onder 3 primair op de eerste plaats bewezenverklaarde:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte terzake van moord, openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaren. De verdachte en het openbaar ministerie zijn in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte, terzake van moord, poging tot zware mishandeling en poging tot doodslag, wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- de navolgende feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft op 24 maart 2005 met zijn broers bewust de confrontatie opgezocht met leden van de familie [familie 1] door zich, voorzien van slagwapens, met auto’s naar De Clomp te Zeist te begeven, terwijl zij wisten dat [slachtoffer 1] en/of een aantal van zijn zonen zich aldaar in de nabijheid van de moskee bevonden.

Tijdens de openlijke geweldpleging die ontstond, in de bewezenverklaring onder 2 nader omschreven, heeft verdachte bewust zijn mes getrokken en [slachtoffer 1] neergestoken, als gevolg waarvan deze ter plekke is overleden.

Door aldus te handelen heeft verdachte blijk gegeven van een ernstig gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Verdachte heeft door zijn handelen aan de familie en vrienden van het slachtoffer [slachtoffer 1], met name aan de echtgenote en zijn kinderen, onbeschrijflijk en onherstelbaar leed toegebracht.

Verdachte heeft voorts [slachtoffer 4] tot tweemaal toe in zijn rug gestoken. Bij het slachtoffer is hierdoor zodanig letsel veroorzaakt, dat hij een operatie heeft moeten ondergaan. De omstandigheid dat het slachtoffer het leven niet heeft verloren, is een gelukkige, die geenszins aan verdachte is te danken.

Algemeen is bekend dat slachtoffers van dergelijke levensbedreigende situaties nog lange tijd hinder kunnen ondervinden van psychische klachten in de vorm van onder andere angstgevoelens.

Het ernstige gevolg van met name het onder 1 bewezenverklaarde en de wijze waarop het bewezenverklaarde handelen is uitgevoerd, dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen in de samenleving in het algemeen, en de omgeving van het gebeurde in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, temeer nu dit feit op klaarlichte dag is gepleegd op een parkeerplaats, nabij een winkelcentrum en een moskee, in aanwezigheid van vele omstanders. Bovendien heeft het gebeurde een grote impact gehad op de Marokkaanse gemeenschap te Zeist.

Het hof neemt in aanmerking dat deze fatale dag is voorafgegaan door een periode van ruim een jaar waarin de familie [familie 1] heeft geleefd in angst voor (gewelddadige) acties van de zijde van de familie [familie 2]. Het hof leidt dit onder meer af uit de omstandigheid dat het merendeel van de eerdere meldingen van incidenten afkomstig is van leden van de familie [familie 1]. Ook op 24 maart 2005 wordt uiting gegeven aan deze angst doordat [slachtoffer 3] meteen de politie telefonisch verzoekt ter plaatse te komen, nadat [broer 1] het gebied rond de parkeerplaats bij De Clomp had verlaten.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie, betreffende verdachte, blijkt dat verdachte reeds eerder tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen is veroordeeld terzake van geweldsdelicten. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Verdachte heeft het bewezenverklaarde begaan vlak nadat hij uit detentie is ontslagen, te weten op 7 maart 2005, terwijl deze vrijheidsontneming eveneens verband hield met een gewelddadig treffen tussen leden van de beide families.

Moord, zoals in het onderhavige geval onder meer bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt.

In de praktijk pleegt de strafrechter bij de beoordeling van een zaak en de oplegging van straf, zeker in gevallen als de onderhavige, rekening te houden -waar mogelijk- met vergelijkbare zaken. De werkelijkheid gebiedt in dat verband te zeggen dat het strafrecht gevallen kent die, hoe moeilijk ook invoelbaar voor direct betrokkenen, nog ernstiger zijn dan het onderhavige. Dat verschil moet naar het oordeel van het hof tot uitdrukking komen in de strafoplegging. De vordering van het openbaar ministerie, een levenslange gevangenisstraf, en de strafoplegging door de rechtbank, een gevangenisstraf die qua duur grenst aan het maximum dat op dat moment aan tijdelijke gevangenisstraf voor een dergelijk feitencomplex kon worden opgelegd, passen in de ogen van het hof niet bij hetgeen in soortgelijke, vergelijkbare, strafzaken ter zake van onder meer moord aan straf wordt opgelegd en evenmin in het ‘strafklimaat’ dat het hof als wenselijk voorkomt.

Mede op grond hiervan komt het hof weliswaar tot oplegging van een gevangenisstraf van lange duur, maar toch korter dan de advocaat-generaal heeft geëist, en ook korter dan de rechtbank heeft opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 12.230,- ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 10.095,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering van de benadeelde partij is samengesteld uit een bedrag van EUR 12.000,- voor immateriële schade en een bedrag van EUR 230,- voor materiële schade.

De immateriële schade bestaat blijkens de toelichting uit affectieschade wegens het verlies van zijn vader en shockschade, omdat hij zijn vader op de grond heeft zien overlijden, terwijl hij zelf net aan de dood was ontsnapt.

Het stelsel van de wet brengt mee dat nabestaanden ingeval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, geen vordering te gelde kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden.

Voor de vergoeding van shockschade kan onder omstandigheden een rechtsgrond bestaan, indien de schade is ontstaan bij overtreding van een verkeers- of veiligheidsnorm en het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daaromtrent is bij het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende komen vast te staan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 14.600,- ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 10.000,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij is samengesteld uit een bedrag van EUR 12.500,- voor immateriële schade en een bedrag van EUR 2.010,- voor materiële schade.

De immateriële schade bestaat – naar het hof begrijpt – blijkens de toelichting uit affectieschade wegens het verlies van zijn vader en shockschade, omdat zijn ene broer is neergestoken en zijn andere broer zwaar is mishandeld.

Het stelsel van de wet brengt mee dat nabestaanden ingeval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, geen vordering te gelde kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden.

Voor de vergoeding van shockschade kan onder omstandigheden een rechtsgrond bestaan, indien de schade is ontstaan bij overtreding van een verkeers- of veiligheidsnorm en het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is daaromtrent onvoldoende gebleken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 12.500,- ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 10.000,-. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De immateriële schade bestaat blijkens de toelichting onder meer uit affectieschade wegens het verlies van zijn vader en shockschade, omdat hij zijn vader op de grond heeft zien overlijden.

Het stelsel van de wet brengt mee dat nabestaanden ingeval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, geen vordering te gelde kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden.

Voor de vergoeding van shockschade kan onder omstandigheden een rechtsgrond bestaan, indien de schade is ontstaan bij overtreding van een verkeers- of veiligheidsnorm en het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het verslag van 2 januari 2006 van het intake-gesprek met de psychiater D. Tijdink verschaft daaromtrent thans onvoldoende zekerheid, onder meer omdat daarin sprake is van een uitgestelde diagnose.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële en materiële schade heeft geleden tot tenminste na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige is de vordering naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 141, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1 primair op de eerste plaats, 2 subsidiair en 3 primair op de eerste plaats tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

de aan [slachtoffer 2] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van EUR 230,00 (tweehonderddertig euro).

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 2], in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van EUR 230,00 (tweehonderddertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [slachtoffer 3] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3], te betalen een bedrag van EUR 2.010,00 (tweeduizend tien euro).

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 3], in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op EUR 90,-.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 3], een bedrag te betalen van EUR 2.010,00 (tweeduizend tien euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

de aan [slachtoffer 4] toegebrachte schade

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4], te betalen een bedrag van EUR 3.000,00 (drieduizend euro).

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 4], in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 4], een bedrag te betalen van EUR 3.000,00 (drieduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr J.M.J. Denie, voorzitter,

mr P.R. Wery en mr M.J. Stolwerk, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.D. ten Elshof, griffier,

en op 18 juni 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.