Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA7387

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
18-06-2007
Zaaknummer
23-004940-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg begrip inrichting. Gemeente in informatieplicht betrekking tot uitbaggeren van waterpartijen te kort geschoten. Geen straf of maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-004940-05

datum uitspraak: 8 mei 2007

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Alkmaar van 11 juli 2005 in de strafzaak onder parketnummer 14-036059-04 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 juli 2005 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 3 april 2007 en 24 april 2007.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De geldigheid van de dagvaarding

Door de raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde feit nietig dient te worden verklaard, nu uit deze tenlastelegging – meer in het bijzonder na de wijziging daarvan - onvoldoende duidelijk blijkt welk specifiek verwijt aan de verdachte wordt gemaakt. Met name is onduidelijk op welk gedeelte van de baggerspecie dit verwijt ziet, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Aan de verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat zij zonder vergunning een inrichting als bedoeld in de bijlage van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer heeft opgericht of in werking gehad, waarbij twee categorieën inrichtingen worden genoemd.

Het hof is van oordeel dat de tenlastelegging aldus geformuleerd voldoende duidelijk is en op voldoende feitelijke wijze de aan de verdachte verweten handelingen omschrijft. Daarbij is niet van belang op welke soort baggerspecie het verwijt ziet, zoals de raadsvrouw stelt.

Daarmee voldoet de tenlastelegging aan de eisen, die worden gesteld in de artikelen 261 van het Wetboek van Strafvordering en 6, derde lid sub a, van het EVRM. Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep er blijk van gegeven dat zij begreep wat haar in die dagvaarding wordt verweten en heeft zij zich daartegen kunnen verdedigen en zich ook verdedigd, blijkens het uitgebreide verweer van de raadsvrouw op dat punt. Het beroep op nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt derhalve verworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2007 op vordering van de advocaat-generaal toegestane wijziging tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Feiten

Vooropgesteld wordt dat het hof, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uitgaat van de volgende feiten en omstandigheden:

a) door de verdachte zijn in de periode van 22 september 2003 tot 7 november 2003 op diverse lokaties in de gemeente Wieringermeer, in opdracht van deze gemeente, baggerwerkzaamheden uitgevoerd;

b) bij deze werkzaamheden is meer dan 5000 m3 baggerspecie vrijgekomen, waarvan 343 m3 klasse “I” en de rest klasse “O” betrof;

c) alle baggerspecie is in de periode van de baggerwerkzaamheden overgebracht naar een stuk grond gelegen aan de [S.] te Wieringerwerf;

d) het stuk grond aan de [S.] grenst niet aan de percelen of waterwegen waarvandaan de baggerspecie afkomstig is;

e) ten tijde van de werkzaamheden bestond reeds een masterplan voor bedrijvenpark Robbenplaat, op basis waarvan de verdachte er rekening mee kon houden dat het betreffende perceel in de toekomst deel zou (kunnen) gaan uitmaken van een industrieterrein;

f) op maandag 10 november 2003 is door verbalisant [Z.], brigadier van politie district Noordkop, politie Noord-Holland Noord, geconstateerd dat het betreffende perceel aan de [S.] in gebruik was als baggerdepot. Wegens regenval was het stuk land op dat moment niet fatsoenlijk te betreden voor nader onderzoek;

g) op donderdag 19 februari 2004 is de betreffende lokatie nogmaals door voornoemde verbalisant bezocht, waarbij door hem werd vastgesteld dat de situatie op 10 november 2003 gelijk was aan die op 19 februari 2004. De verbalisant zag – voor zover hier van belang - dat op het land kennelijk met een of meer werktuigen die voorzien waren van rupsbanden van grond provisorisch ribben waren aangebracht van circa 30 a 40 cm hoog en enkele honderden meters lang. Op die manier waren – aldus de verbalisant - in ieder geval 5 depots gemaakt en alle depots waren gevuld met een natte baggerspecie. Aan de structuur en verschijningsvorm van deze baggerspecie zag de verbalisant dat het onderhoudsspecie betrof. Daarin kwamen verontreinigingen voor als gebruikelijk in baggerspecie. Delen van het land konden niet betreden worden omdat de verbalisant tot aan zijn enkels in de laag baggerspecie wegzakte;

h) er waren door verdachte geen maatregelen getroffen om te voorkomen dat de baggerspecie zich zou vermengen met de ondergrond, omdat het de bedoeling was dat de baggerspecie op dit terrein zou blijven en deel zou gaan uitmaken van de bodem;

i) in de periode gelegen tussen 19 februari 2004 en 3 februari 2005 heeft voornoemde verbalisant het stuk grond langs de [S.] meermalen bekeken en zag dan dat dit stuk landbouwgrond door een mobiele kraan werd omgezet.

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde

Aan de verdachte wordt onder 1 primair verweten dat zij in of omstreeks de periode van 10 november 2003 tot en met 19 februari 2004 zonder vergunning een inrichting voor het opslaan en/of bewerken en/of verwerken van bagger(specie/slib) heeft opgericht of in werking gehad.

De raadsvrouw heeft in hoger beroep betwist dat verdachte een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet Milieubeheer (hierna: Wmb) in werking heeft gehad, nu in de tenlastegelegde periode geen sprake is geweest van bedrijvigheid anders dan het ter uitrijping laten liggen van de baggerspecie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Anders dan de raadsvrouw betrekt het hof bij de beoordeling of van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 Wmb sprake is ook de vóór en ná de tenlastegelegde periode gepleegde handelingen voorzover deze verband houden met de handelingen gepleegd in de tenlastegelegde periode. Immers, indien voor het antwoord op de vraag of sprake is van een “inrichting” enkel de in de tenlastegelegde periode gepleegde handelingen relevant zouden zijn, zou zich de ongerijmdheid kunnen voordoen dat de activiteiten in de ene periode wel en de andere weer niet in een inrichting zouden plaatsvinden, een en ander afhankelijk van welke werkzaamheden er in die periode worden verricht. Die opvatting verdraagt zich niet met de bewoordingen van artikel 1.1 Wmb en de uitleg die de rechtspraak daaraan heeft gegeven.

Uit de opsomming hierboven van de feiten en omstandigheden waarvan het hof uitgaat blijkt dat ten behoeve van het storten van de baggerspecie ribben waren aangebracht en verschillende depots waren gemaakt, die waren gevuld met natte baggerspecie; enkele maanden later is na een langdurig proces van drogen en bewerken van de baggerspecie kennelijk begonnen met het omzetten van de grond en uiteindelijk heeft de baggerspecie zich met de ondergrond vermengd.

Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof geen sprake van eenmalige activiteiten die in korte tijd kunnen worden afgerond maar van een door de verdachte bedrijfsmatig ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Hieraan doet niet af dat in de waarneming van verbalisant Zijp de situatie op de betreffende locatie op 19 februari 2004 gelijk was aan die op 10 november 2003.

Dat tijdelijke “stilliggen” van de grond was kennelijk nodig om zich een natuurlijk proces van ontwatering te laten voltrekken om de grond daarna verder te kunnen bewerken door deze “om te zetten” en de vervuiling te verwijderen, zoals ook is geschied.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Aan de verdachte wordt – kort gezegd – verweten in de periode van 10 november 2003 tot en met 19 februari 2004 een afvalstof, te weten een hoeveelheid (natte) bagger(specie/slib), op de onbeschermde bodem van een perceel te hebben opgebracht en bewaard, terwijl zij wist althans had moeten vermoeden dat daardoor de kwaliteit van de bodem kon worden aangetast. De delictsomschrijving is gestoeld op overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken, nu op grond van het Bouwstoffenbesluit zowel klasse 0-grond, als klasse 1-grond mag worden ingezet in een werk en het baggermateriaal als klasse 0-grond, dan wel als klasse 1- grond moet worden aangemerkt

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat alleen gerijpte of ontwaterde baggerspecie als bouwstof toepasbaar kan zijn. Daarvan was in de tenlastegelegde periode nog geen sprake. Ongerijpte baggerspecie vormt – mede gelet op de definitie van het begrip ‘bouwstof’ in het Bouwstoffenbesluit, te weten: materiaal in de hoedanigheid waarin het is bestemd in een werk te worden gebruikt en (….) – geen bouwstof in de zin van het bouwstoffenbesluit.

Het verweer wordt verworpen.

Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, is de baggerspecie vóór 10 november 2003 door de verdachte op de bodem van het perceel aan de [S.] te Wieringermeer gestort. Het opbrengen van de baggerspecie in de tenlastegelegde periode kan daarmee naar het oordeel van het hof niet worden bewezen. Ten aanzien van het opbrengen van baggerspecie moet de verdachte dus worden vrijgesproken.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde

zij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2003 tot en met 17 oktober 2003 te Wieringerwerf, in de gemeente Wieringermeer, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een op een perceel aan de [S.] gelegen inrichting voor het opslaan en verwerken van baggerslib, zijnde een inrichting genoemd in categorie 28.4 onder a, punt 6 van de bij het Inrichtingen-en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, heeft opgericht en in werking gehad.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

zij in de periode van 10 november 2003 tot en met 19 februari 2004 te Wieringerwerf, in de gemeente Wieringermeer, op een perceel gelegen aan de [S.] een hoeveelheid bagger, zijnde een afvalstof, heeft bewaard op de onbeschermde bodem, terwijl zij, verdachte, redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en aldus opzettelijk niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging te voorkomen.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezengeachte

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1 lid 1 van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon.

ten aanzien van het onder 2 bewezengeachte

Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De economische politierechter in de rechtbank te Alkmaar heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat toepassing zal worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De gemeente Wieringermeer heeft de verdachte opgedragen om een aantal waterpartijen uit baggeren maar is in haar zorg-en informatieplicht ten aanzien van hetgeen met de uitgebaggerde materie zou kunnen en mogen gebeuren tekort geschoten. Hoewel het uiteraard op de weg van de verdachte ligt zich uitputtend te oriënteren over de noodzaak tot en inhoud van vergunningen, heeft de gemeente in dit opzicht een afwachtende houding aangenomen en te weinig initiatief getoond. Het hof zal daarom toepassing geven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door de 2e meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.L. Mastboom, mr. N.A. Schimmel en mr. D.J.M.W. Paridaens, in tegenwoordigheid van mr. H. van Stein Callenfels, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 mei 2007.