Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA6685

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
23-000020-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Voorwetenschap na terugwijzing Hoge Raad. Naar het oordeel van het hof zijn de personeelsopties niet aan te merken als ‘effecten die toen waren genoteerd aan een op grond van artikel 22 van de Wet toezicht effectenverkeer erkende en in Nederland gevestigde beurs’. Hetgeen de verdachte onder 1b en 2 is tenlastegelegd is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-000020-02

datum uitspraak: 24 mei 2007

tegenspraak

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 4 april 2006- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2001 in de strafzaak onder parketnummer 13-009068-00 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte]

Procesgang

De meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte op 11 juli 2001 vrijgesproken van het onder 1, onderdeel b, en onder 2 tenlastegelegde en veroordeeld ten aanzien van het onder 1, onderdeel a, tenlastgelegde.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof te Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 5 maart 2004 het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd, de verdachte vrijgesproken van het onder 1, onderdeel b, en onder 2 - in hoger beroep gewijzigd - tenlastegelegde en verdachte veroordeeld ten aanzien van het onder 1, onderdeel a, tenlastegelegde.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen voormeld arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 4 april 2006 het bestreden arrest van het gerechtshof te Amsterdam vernietigd doch uitsluitend wat betreft de ten aanzien van het onder

1b en onder 2 tenlastegelegde gegeven beslissingen alsmede de strafoplegging. De zaak is door de Hoge Raad naar het gerechtshof te Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Door het hof Amsterdam bij arrest van 5 maart 2004 bewezenverklaarde

De Hoge Raad heeft het arrest van 5 maart 2004 van het gerechtshof te Amsterdam in stand gelaten voor wat betreft de beslissing met betrekking tot het onder 1a tenlastegelegde feit.

Dit houdt in dat thans als onherroepelijk moet worden aangemerkt het bij voormeld arrest onder 1a bewezenverklaarde, inhoudende dat:

[C.] in de periode van 24 maart 1999 tot en met 26 maart 1999 in Nederland, beschikkende over voorwetenschap, een transactie heeft verricht en bewerkstelligd in effecten die toen waren genoteerd aan een op grond van artikel 22 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 erkende en in Nederland gevestigde beurs, te weten de Amsterdamse Effectenbeurs (AEX),

immers heeft [C.]

in de periode van 24 maart 1999 tot en met 26 maart 1999 120.000 aandelen in het fonds [C.], genoteerd aan de AEX, gekocht,

terwijl [C.] voorafgaand en ten tijde van het verrichten en bewerkstelligen van de hiervoor genoemde transactie bekend was met bijzonderheden omtrent de rechtspersoon/vennootschap waarop die bovengenoemde effecten betrekking hadden, te weten

- dat de Belgische uitzendorganisatie [uitzendorganisatie] op 18 maart 1999 via de [bank] aan [C.] kenbaar heeft gemaakt geïnteresseerd te zijn in de overname van [C.], en

- dat de Belgische uitzendorganisatie op 18 maart 1999 een bod in contanten op de aandelen [C.] heeft gedaan van 32,50 euro per aandeel, en

- dat op 19 maart 1999 werd besloten dat de heren [M.] en [H.] in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van [I] op 23 maart 1999 een gesprek zouden hebben met vertegenwoordigers van [uitzendorganisatie] en [bank], en

- dat op 23 maart 1999 tussen eerder genoemde vertegenwoordigers van de verschillende rechtspersonen een overleg heeft plaatsgevonden, waarbij de contouren van een samengaan van de twee ondernemingen werd (het hof begrijpt thans: werden) besproken en de voorwaarden waaronder dat samengaan zou plaatsvinden, en

- dat op 23 maart 1999 aan [N.] de opdracht werd gegeven een geheimhoudingsovereenkomst op to stellen waarin is vastgelegd dat [adresuitzendorganisatie] tot zaterdag

27 maart 1999 de gelegenheid heeft een due diligence onderzoek bij [C.] te verrichten, en

- dat op 26 maart 1999 genoemd due diligence onderzoek is uitgevoerd,

terwijl [C.] toen en daar wist dat die bijzonderheden niet openbaar waren gemaakt en terwijl openbaarmaking van die bijzonderheden afzonderlijk en in onderlinge samenhang beschouwd naar redelijkerwijs was te verwachten invloed zou kunnen hebben op de koers van die effecten, ongeacht de richting van die koers, aan welke vooromschreven verboden gedraging hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 maart 2001, 28 maart 2001, 3 april 2001, 4 april 2001, 5 april 2001 en 27 juni 2001 en, in hoger beroep – ten aanzien van het onder 1a bewezenverklaarde – op de terechtzittingen van het hof van 10, 17 en 20 februari 2004, - na terugwijzing, op de terechtzitting van dit hof van 10 mei 2007.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadslieden naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam om de zaak voor wat betreft de vernietigde beslissingen ten aanzien van het onder 1b en 2 tenlastegelegde alsmede de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2006, LJN AU6253, heeft het hof het onderzoek ten aanzien van de onder 1b en onder 2 tenlastegelegde feiten geheel opnieuw aangevangen en voltooid op de grondslag van hetgeen aan de verdachte onder 1, onderdeel b, en 2 is ten laste gelegd zoals vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie toegestane wijzigingen van de tenlastelegging. De daarin vermelde tenlastelegging, voor zover thans nog aan de orde, wordt hier overgenomen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de advocaat-generaal na de terugwijzing door de Hoge Raad geen wijziging tenlastelegging heeft gevorderd. Van die dagvaarding en vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën achter dit arrest gevoegd.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voorzover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof zijn de onder 1b en 2 bedoelde personeelsopties niet aan te merken als ‘effecten die toen waren genoteerd aan een op grond van artikel 22 van de Wet toezicht effectenverkeer erkende en in Nederland gevestigde beurs’. Hetgeen de verdachte onder 1b en 2 is tenlastegelegd is dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Oplegging van straf

De rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte bij vonnis van 11 juli 2001 voor het onder 1a tenlastegelegde feit veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van fl. 20.000,-, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

Het gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte op 5 maart 2004 voor het onder 1a bewezenverklaarde feit veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 10.000,- , subsidiair 185 dagen vervangende hechtenis met een proeftijd van één jaar.

De Hoge Raad heeft de beslissing van het hof Amsterdam ten aanzien van de strafoplegging vernietigd en de zaak ook in zoverre naar dit hof teruggewezen, zodat het hof thans na terugwijzing dient te beslissen over de strafoplegging voor het bij arrest van 5 maart 2004 bewezengeachte feit, gekwalificeerd als ‘overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 46, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, begaan door een rechtspersoon terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging’.

De advocaat-generaal heeft ter zitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1a bewezenverklaarde feit alsmede de onder 1b en 2 tenalstegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 10.000,- met een proeftijd van één jaar.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft als financieel directeur van [C>] opdracht gegeven tot de inkoop van 120.000 eigen aandelen ter dekking van personeelsopties op een moment dat de vennootschap beschikte over voorwetenschap. Gelet op de verklaringen van verdachte en de vragen die hij binnen de vennootschap omtrent de transactie heeft gesteld was hij zich terdege bewust van de zorgvuldigheid waarmee bestuurders in dit soort situaties dienen te handelen.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de ouderdom van de feiten, de persoonlijke schade die verdachte als gevolg van deze zaak heeft geleden en het feit dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 maart 2007 niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld in Nederland.

Het hof heeft bovendien geconstateerd dat sprake is van schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uit de stukken van het geding is het hof het navolgende gebleken. Door de rechtbank is op 11 juli 2001 vonnis gewezen, waartegen verdachte en het openbaar ministerie binnen 14 dagen hoger beroep hebben doen instellen. Op 2 januari 2002 zijn de stukken bij de strafgriffie van het gerechtshof binnengekomen. Op 5 maart 2004 heeft het gerechtshof te Amsterdam arrest gewezen, waartegen verdachte en het openbaar ministerie binnen veertien dagen beroep in cassatie hebben doen instellen. De stukken zijn op 20 januari 2005 binnengekomen bij de strafgriffie van de Hoge Raad, waarna de Hoge Raad op 4 april 2006 arrest heeft gewezen. De behandeling in hoger beroep na terugwijzing heeft plaatsgevonden op de terechtzitting van 10 mei 2007, waar het onderzoek in hoger beroep na terugwijzing door dit hof gesloten.

Het hof stelt vast dat tussen de datum van het instellen van het hoger beroep en het arrest in hoger beroep (voor terugwijzing) een periode van 31 maanden is verstreken, zodat in deze fase van de procedure reeds sprake is van schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Bedoelde redelijke termijn is bovendien geschonden in de periode tussen het instellen van het cassatieberoep en het inkomen van de stukken bij de de Hoge Raad, nu in deze fase meer dan 10 maanden zijn verstreken. Voorts heeft de procedure als geheel een zodanig tijdsbestek gevergd dat ook in dat opzicht sprake is van een overschrijding van de hier bedoelde redelijke termijn.

Het hof zou, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een voorwaardelijke geldboete van € 10.000,- (185 dagen vervangende hechtenis) hebben opgelegd. Gelet echter op het feit dat sprake is geweest van de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM en ter zitting is gebleken dat de tijdsduur zwaar op verdachte heeft gedrukt, acht het hof een voorwaardelijke geldboete van € 7.500,- passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 46 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (vervallen).

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1b en 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

ten aanzien van het bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 5 maart 2004 onder 1a bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 67 (zevenenzestig) dagen.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt daarbij de proeftijd vast op 1 (één) jaar.

Dit arrest is gewezen door de 4e meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.C.P. Haentjens, mr. R.E. de Winter en mr. A.C.M.P. van Breukelen-van Aarnhem, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 mei 2007.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.