Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA6537

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
069/2007
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Limitering, oud geval, hof beëindigt alimentatie definitief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 mei 2007

Familiekamer

Rekestnummer 69/2007U

G E R E C H T S H O F A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, verder te noemen “de vrouw”,

procureur mr. J.M. Niemer,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, verder te noemen “de man”,

procureur mr. A.S. Rueb.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst hiervoor naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 25 oktober 2006, uitgesproken onder zaak/rekestnummer 214702 / FA RK 06-3441.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 16 januari 2007, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vrouw verzoekt het hof die beschikking, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en voor zover nodig onder aanvulling of verbetering van gronden, te vernietigen en opnieuw beschikkende de man in zijn verzoeken in eerste aanleg alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze verzoeken af te wijzen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 februari 2007, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. De man verzoekt het hof, voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad:

- primair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep dan wel dit verzoek in hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen;

- subsidiair, voor het geval het hof van oordeel is dat de beëindiging van de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud niet van de vrouw gevergd kan worden en het hoger beroep op dat punt gegrond is, te bepalen dat deze onderhoudsbijdrage, vanwege ontoereikende draagkracht aan de zijde van de man, wordt vastgesteld op nihil met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, dan wel met ingang van een datum als het hof juist acht.

2.3 De mondelinge behandeling heeft op 19 april 2007 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr. F.E.J. Menkveld, advocaat te Maarssen, en de man bijgestaan door mr. M.J.E. Lenglet, advocaat te Utrecht.

2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder twee brieven van mr. Menkveld van 30 maart en 10 april 2007 met bijlagen, een brief van de procureur van de vrouw van 10 april 2007 met bijlagen en een brief van mr. Lenglet van 11 april 2007 met bijlagen.

3 De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 2 september 1966 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 11 april 1984 heeft de rechtbank Utrecht echtscheiding tussen hen uitgesproken, welk echtscheidingsvonnis op 11 september 1984 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Bij voormeld echtscheidingsvonnis heeft de rechtbank Utrecht bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de burgerlijke stand, voorlopig als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw € 272,27 (ƒ 600,-) per maand zal voldoen, totdat de rechtbank een definitieve beslissing omtrent deze bijdrage heeft gegeven.

3.3 Bij eindvonnis van 3 juli 1985 heeft de rechtbank Utrecht bepaald dat de man met ingang van 1 juni 1985 als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw € 122,52 (ƒ 270,-) per maand zal voldoen. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2006 ingevolge de wettelijke indexering € 195,88 per maand.

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Utrecht in juni 2006, heeft de man (na wijziging bij brief van 11 juli 2006) verzocht zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw met ingang van 1 augustus 2005, dan wel met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, te beëindigen dan wel de bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 3 juli 1985 bepaalde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te wijzigen en deze bijdrage met ingang van 1 augustus 2005, dan wel een zodanige datum als de rechtbank juist acht, op nihil te stellen. Tevens heeft hij primair verzocht, in het geval dat de onderhoudsverplichting wordt beëindigd, dan wel op nihil wordt gesteld, de vrouw te veroordelen om de door haar van de man te ontvangen bijdrage van € 195,88 per maand met ingang van 1 augustus 2005, dan wel met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, aan de man terug te betalen en subsidiair te bepalen dat de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 augustus 2005, dan wel met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, wordt bepaald op hetgeen in feite is betaald en/of verhaald.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het vonnis van de rechtbank Utrecht van 3 juli 1985 met ingang van 19 juni 2006 gewijzigd en de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 19 juni 2006 beëindigd en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw over de periode van 19 juni 2006 tot datum beschikking (25 oktober 2006) nader bepaald op hetgeen dienaangaande in feite is betaald of verhaald.

Ten aanzien van de man

3.5 De man is alleenstaand. De man ontvangt, blijkens de toekenningsbrief van het PGGM van 19 september 2006 een overbruggingsuitkering van € 40.798,35 bruto per jaar, inclusief vakantietoeslag.

3.6 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 845,- aan huur (inclusief servicekosten) vanaf 1 oktober 2006;

- € 285,98 aan ziektekosten in 2006:

- € 85,80 premie basisverzekering ZVW,

- € 37,60 premie aanvullende verzekering,

- € 162,58 door werkgever ingehouden belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW,

- € 16,40 aan premie begrafenisverzekering in 2006;

- € 396,- aan rente op de schuld aan Interbank, waarvan het saldo op 12 maart 2006 € 55.410,58 bedroeg.

Ten aanzien van de vrouw

3.7 De vrouw, geboren op 2 december 1946, is alleenstaand. Zij ontvangt blijkens de specificatie arbeidsongeschiktheidsuitkering van 3 januari 2006, een WAO-uitkering van € 901,98 bruto per maand en een aanvulling daarop van € 78,08 bruto per maand, een en ander te vermeerderen met vakantiegeld en een belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

3.8 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 251,77 aan huur na aftrek van een huurtoeslag van € 254,-;

- € 285,98 aan ziektekosten in 2006:

- € 89,90 premie basisverzekering ZVW,

- € 33,70 premie aanvullende verzekering,

- € 63,70 door uitkeringsinstantie ingehouden belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW,

te verminderen met een zorgtoeslag van € 36,-.

4 De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel II lid 2 van de Wet van 28 april 1994, Stb. 324, zoals gewijzigd bij wet van 28 april 1994, Stb. 325, (verder te noemen: "Wla") dat te dezen toepasselijk is, beëindigt de rechter op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, die verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd.

4.2 Vaststaat dat de verplichting van de man om aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te verstrekken meer dan 15 jaar heeft geduurd, zodat het verzoek van de man tot beëindiging van zijn onderhoudsverplichting in beginsel voor toewijzing vatbaar is.

4.3 De vrouw stelt dat beëindiging van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd en zij verzoekt de termijn te verlengen met tien jaar met de mogelijkheid om deze termijn nogmaals te verlengen.

4.4 Allereerst beoordeelt het hof of beëindiging van de alimentatie voor de vrouw ingrijpend is. Het inkomen van de vrouw bedraagt thans omgerekend € 979,- netto per maand (€ 195,88 bruto per maand aan partneralimentatie en € 980,06 bruto per maand aan WAO-uitkering, inclusief toeslag). Beëindiging van de alimentatieverplichting van de man betekent voor de vrouw dat zij alleen nog haar WAO-uitkering ontvangt van omgerekend € 849,- netto per maand, waardoor haar inkomensachteruitgang neerkomt op € 130,- netto per maand. Een dergelijke terugval acht het hof gezien de hoogte van haar totale inkomen voor de vrouw ingrijpend.

4.5 Bij de beoordeling van de vraag of beëindiging zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden dient de rechter in ieder geval rekening te houden met:

a. de leeftijd van de vrouw

b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;

d. de omstandigheid dat de vrouw al dan niet recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van de man.

Voorts dient de rechter rekening te houden met alle overige omstandigheden van het geval, niet alleen aan de zijde van de vrouw maar ook aan die van de man, waarbij op de vrouw alleen de stelplicht en de bewijslast rust van de omstandigheden aan haar zijde.

4.6 De vrouw is thans 60 jaar oud. Uit het huwelijk van partijen, dat ruim 18 jaar heeft geduurd, is op [geboortedatum] 1967 [de dochter] (verder te noemen de “dochter”) geboren die van haar 14e levensjaar tot haar 21e levensjaar bij de man heeft gewoond. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij, toen partijen in 1981 gescheiden zijn gaan wonen, reeds arbeidsongeschikt was. Sinds maart 1983 ontvangt zij een WAO-uitkering. Daarnaast is zij aangewezen op huishoudelijke verzorging en (thuis)verpleging. In de laatste jaren van het huwelijk van partijen is de vrouw begonnen met een studie HBO-maatschappelijk werk, welke studie zij om gezondheidsreden heeft moeten afbreken. De vrouw heeft sinds 1981 geen betaalde werkzaamheden meer verricht. Blijkens de verklaringen van A.J.L. Konsten, klinisch psycholoog NIP, J.G.M. Wijnen, huisarts en S. Pruyt, zenuwarts, lijdt de vrouw aan een posttraumatische stress-stoornis, met veel onverwerkt verdriet en heeft zij last van recidiverende depressieve episoden variërend in ernst van licht tot ernstig. In een depressieve periode is er sprake van een duidelijke vermindering van interesse, een verminderd vermogen tot nadenken en besluiteloosheid. Daarnaast is de vrouw geconfronteerd met ernstige lichamelijke ziekten.

Door de jaren heen is zij hiervoor meermalen behandeld. Na de scheiding is het aandeel van de vrouw in de door de man ten tijde van het huwelijk opgebouwde pensioenrechten afgekocht voor een bedrag van circa ƒ 1.200,-.

4.7 De man stelt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de gezondheidsproblemen van de vrouw en het feit dat zij daardoor niet in staat is een eigen inkomen te verwerven, niet geheel voor risico van de man dienen te komen, temeer nu het huwelijk meer dan 20 jaar geleden is ontbonden. De man ziet in dat beëindiging van de bijdrage voor de vrouw een inkomensdaling tot gevolg heeft, maar stelt dat de vrouw in aanmerking kan komen voor een aanvullende Wwb-uitkering. De man acht de teruggang in inkomen van de vrouw als de alimentatie wordt beëindigd niet zo ingrijpend dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar gevergd kan worden gelet op alle omstandigheden.

4.8 Het hof acht, gelet op hetgeen hiervoor is gesteld, voldoende aannemelijk gemaakt dat de fysieke en psychische problematiek van de vrouw haar verdiencapaciteit negatief heeft beïnvloed. Nu onweersproken vaststaat dat de vrouw reeds arbeidsongeschikt raakte op het moment dat partijen feitelijk nog samenleefden, is het hof van oordeel dat de problematiek van de vrouw en de daarmee gepaard gaande gevolgen tevens binnen de risicosfeer van de man vallen. Gezien haar huidige leeftijd, het feit dat zij een WAO-uitkering ontvangt en sedert 1981 niet meer aan het arbeidsproces heeft deelgenomen, acht het hof de kansen van de vrouw om middels inkomen uit arbeid een zodanig inkomen te verwerven dat zij daarmee het wegvallen van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud kan opvangen, niet reëel. In die zin heeft de vrouw aldus nog steeds behoefte aan een door de man te betalen onderhoudsbijdrage.

4.9 Ten aanzien van de omstandigheden van de man verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 3.5 en 3.6 is vastgesteld. De man ontvangt momenteel een overbruggingsuitkering welke tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd doorloopt. Daarna zal de man een ouderdomspensioen ontvangen. Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat het door hem bij de NS en het ABP opgebouwde ouderdomspensioen door het PGGM is overgenomen, zodat het hof ervan uitgaat dat de man na pensionering van één instantie een pensioenuitkering ontvangt in de orde van grootte zoals onder 3.6 weergegeven. Onvoldoende is aangetoond dat het inkomen van de man dat bedrag zal overstijgen.

De man is na de echtscheiding van de vrouw gehuwd, uit welk huwelijk twee kinderen zijn geboren van thans 20 en 18 jaar. Na beëindiging van dit tweede huwelijk van de man is hij gaan samenwonen met mevrouw [A.] (verder te noemen “[A.]”). De man en [A.] wonen niet meer samen.

Bij hun uiteengaan hebben de man en [A.] afgesproken dat laatstgenoemde in de voormalige gezamenlijke woning blijft wonen en dat de inkomsten uit verhuur van een drietal kamers van deze woning volledig ten goede komen aan [A.] onder de verplichting dat zij de aan deze woning verbonden hypothecaire lasten van € 1.298,50 bruto per maand en de overige eigenaarslasten van € 95,- per maand zal voldoen. Gelet op het voorgaande houdt het hof geen rekening met voormelde hypothecaire lasten, de overige eigenaarslasten en de huurinkomsten. Wel houdt het hof rekening met de huidige huur van de man van € 845,- per maand, nu de man voldoende heeft aangetoond dat hij een dergelijke woonlast voldoet.

Uit het overgelegde betalingsoverzicht van Interbank van 12 maart 2006 blijkt dat de man bij deze kredietverstrekker een aflossingsvrij doorlopend krediet heeft afgesloten van € 55.000,-. De man heeft aangegeven dat hij dit krediet onder meer is aangegaan voor de verbouwing van de woning van hem en [A.]. De vrouw heeft dit niet dan wel onvoldoende betwist. De rente op voormelde schuld bedraagt € 396,- per maand. Anders dan de vrouw acht het hof het redelijk met deze schuld rekening te houden, nu de man het bestaan van deze schuld voldoende met de benodigde justificatoire bescheiden heeft gestaafd en gebleken is dat deze schuld op zijn naam staat zodat hij hiervoor aansprakelijk is. Daar komt bij dat het huwelijk tussen partijen meer dan 20 jaar geleden is ontbonden, waarna de man is hertrouwd en na opnieuw te zijn gescheiden een nieuw leven is gestart met [A.]. Het hof acht het alleszins redelijk dat de man in die periode nieuwe verplichtingen is aangegaan.

Geen rekening houdt het hof met de rente en aflossing op de schuld aan de Postbank, nu niet gebleken is dat op deze schuld maandelijks wordt afgelost. Weliswaar wordt op deze schuld rente en aflossing betaald, maar gebleken is dat de man ook weer gelden van deze rekening opneemt.

Het hof is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij maandelijks voor een bedrag van € 193,- dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie voor het jongste kind uit zijn tweede huwelijk. Mede hiermee rekening houdend komt het hof tot de conclusie dat de kosten van de man zijn inkomsten overstijgen.

4.10 Rekening houdend met de omstandigheden van zowel de vrouw als de man komt het hof tot de conclusie dat beëindiging van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud weliswaar ingrijpend is, maar dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wel van haar kan worden gevergd. Immers ook de man zal bij voortduring van de door hem te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw in een situatie komen te verkeren dat zijn lasten zijn inkomsten overstijgen, terwijl enige stijging van het inkomen van de man niet valt te verwachten.

4.11 Onder deze omstandigheden, waarbij het hof ook rekening houdt met het inmiddels ontbonden tweede huwelijk van de man als gevolg waarvan hij de zorg heeft (gehad) voor twee kinderen, het belang van de man dat hij na een termijn van ruim 22 jaar alimentatiebetaling van deze financiële last bevrijd zal worden is het hof van oordeel dat beëindiging van de uitkering, alle bovenstaande factoren in aanmerking nemend, van de vrouw gevergd kan worden.

4.12 In aanmerking nemend dat onweersproken door de man is gesteld dat hij tot en met oktober 2006 aan zijn onderhoudsverplichting heeft voldaan en aannemelijk is dat de vrouw de verstrekte onderhoudsbijdrage van de man volledig heeft opgesoupeerd, ziet het hof aanleiding om de onderhoudsbijdrage met ingang van 1 november 2006 te beëindigen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet het hof geen aanleiding om de termijn van de onderhoudsverplichting van de man te verlengen.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor wat betreft de ingangsdatum te vernietigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 25 oktober 2006, voor wat betreft de ingangsdatum, en in zoverre opnieuw beschikkende:

beëindigt de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 1 november 2006;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Wammes, Wefers Bettink en Mostermans en is op 15 mei 2007 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.