Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA6221

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
06/82
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI0577, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep ingesteld door de inspecteur naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Haarlem over de indeling van decoratieartikelen (sneeuw- en ijsblokmannetjes). Naar het oordeel van de Douanekamer ontberen de onderhavige producten de objectieve kenmerken en eigenschappen van kerstfeestartikelen. Zij houden geen rechtstreeks en specifiek verband met het kerstfeest. Van belang is dat de producten algemene decoratieartikelen zijn zonder specifieke verwijzing naar het kerstfeest. Zij zijn niet specifiek op het kerstfeest gericht en zullen gewoonlijk niet slechts in de kerstperiode worden gebruikt. Hierbij is de IDR-Toelichting op post 9505 in aanmerking genomen waaruit kan worden afgeleid dat de goederen slechts onder post 9505 10 90 vallen, indien zij door hun eigenschappen en kenmerken gewoonlijk in de kerstperiode worden gebruikt.

Uitspraak van de rechtbank vernietigd. Uitspraak van de inspecteur bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/82 DK

uitspraak van de Douanekamer van 10 april 2007

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane P,

de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 05/1594 van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 9 februari 2006 in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z, belanghebbende,

gemachtigde mr. A te B,

en

de inspecteur.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1. Belanghebbende heeft op 15 oktober 2004 aanvragen voor een bindende tariefinlichting (hierna: BTI) ingediend. De inspecteur heeft met dagtekening 15 december 2004 de BTI’s verstrekt, met kenmerken NL-RTD-2004-003780, NL-RTD-2004-003781 en NL-RTD-2004-0039120.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak van 15 maart 2005, de bestreden besluiten gehandhaafd. In haar uitspraak van 9 februari 2006, verzonden op 13 februari 2006, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de producten op basis van objectieve kenmerken en eigenschappen van de producten zoals omschreven in de tekst van de tariefpost als kerstartikel ontworpen, vervaardigd en herkenbaar zijn. Het beroep zal mitsdien gegrond worden verklaard. De rechtbank bepaalt dat de onderhavige BTI’s worden vernietigd en dat de producten ingedeeld dienen te worden onder post 9505 10 90 van het Gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT).

2. De procedure voor de Douanekamer

2.1. Tegen de onder 1.2. vermelde uitspraak van de rechtbank heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 7 maart 2006, ingekomen bij de Douanekamer van het Hof (verder: Douanekamer) op 9 maart 2006. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 21 maart 2006.

2.2. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Op 12 mei 2006 heeft de inspecteur een conclusie van repliek ingediend. Op 23 mei 2006 heeft belanghebbende een conclusie van dupliek ingediend.

2.3. Tot de gedingstukken behoren door de inspecteur aan de rechtbank overgelegde monsters.

2.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2007. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de inspecteur C en D. Namens belanghebbende zijn verschenen mr. F, mr. G, beiden advocaat en werkzaam bij H, alsmede I, stagiaire bij H. Belanghebbende en de inspecteur hebben ieder ter zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd. De Douanekamer rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

3. De feiten

Door de rechtbank zijn de volgende feiten vastgesteld:

“3.1. Namens eiseres (Douanekamer: belanghebbende) zijn aanvragen ingediend voor de afgifte van BTI’s voor producten in de serie ijsblokjesfiguur. Bij deze aanvragen zijn de producten omschreven als “ijsbloksneeuwman met pegel en ophanglus van acryl”, “ijsbloksneeuwman met ophanglus van acryl” en “sneeuwman op pegel en ophanglus van acryl”. Als beoogde indeling in de nomenclatuur van TARIC is code 9505 10 90 00 ingevuld.

3.2. De door verweerder (Douanekamer: inspecteur) afgegeven BTI’s luiden, voor zover van belang, als volgt.

“2 BTI-Referentie

NL-RTD-2004-003780

(...)

6 Indeling van het goed in de douanenomenclatuur

3926 40 00 00

(...)

7 Omschrijving van het goed

Decoratie artikelen van kunststof in de vorm van een ijspegel met een hoofdje. De neus op het hoofdje is in de vorm van een pegel en rood aangestipt. Op het hoofdje zit een muts of hoed gegoten met een oogje. Door dit oogje is een zilverkleurig ophangdraadje bevestigd. Het geheel wordt aangeboden in een verpakking, voor verkoop in het klein.”.

“2 BTI-Referentie

NL-RTD-2004-003781

(...)

6 Indeling van het goed in de douanenomenclatuur

3926 40 00 00

(...)

7 Omschrijving van het goed

Decoratie artikelen van kunststof in de vorm van een ijsbloksneeuwman. De neus op het hoofdje is in de vorm van een pegel en rood aangestipt. Op het hoofdje zit een hoed gegoten met een oogje. Door dit oogje is een zilverkleurig ophangdraadje bevestigd. Rond het hoofdje zit een metalen ring met hierop bevestigd drie kunststof ballen met aan beide zijden van de ring een handschoen. Het geheel wordt aangeboden in een verpakking voor verkoop in het klein”.

“2 BTI-Referentie

NL-RTD-2004-003912

(...)

6 Indeling van het goed in de douanenomenclatuur

3926 40 00 00

(...)

7 Omschrijving van het goed

Decoratie artikelen van kunststof in de vorm van een hoofdje als ijsfiguur. De neus op het hoofdje is in de vorm van een pegel en rood aangestipt. Op het hoofdje zit een muts of hoed gegoten met een oogje. Door dit oogje is een goudkleurig ophangdraadje bevestigd. Aan de onderzijde van het gezichtje is ook een oogje aanwezig met daaraan bevestigd een heldere kunststof kristal in de vorm van een bol of een prismavorm. Het geheel wordt aangeboden, in een verpakking met drie hoofdjes, voor verkoop in het klein.”.

Op grond van de stukken van het geding, het overgelegde monster en het verhandelde ter zitting stelt de Douanekamer nader het volgende vast.

3.3. Op 29 maart 2005 hebben de Duitse douane-autoriteiten een BTI afgegeven inzake een goed dat als volgt wordt omschreven:

“Weihnachtsfestartikel aus Steinharz, in Form eines sog. Schneemannanhängers. Es handelt sich um eine ca. 8 cm grosse Schneemanfigur aus bemalten Steinharz. Der Schneemann hält in der einen Hand ein Geschenkpäkchen und in der anderen Hand ein Vogelhäuschen. Er is über eine Metallöse mit einer textilen Aufhängevorrichtung versehen. Der Schneemann findet als Christbaumschmuck Verwendung und weist aufgrund des Geschenkpäkchens einen weihnachtligen Bezug auf.”.

Het goed wordt op evenbedoelde BTI ingedeeld in post 9505 10 90 van het GDT.

3.4. Het geschil betreft de volgende producten:

- een artikel van doorzichtig kunststof in de vorm van een ijspegel met daarop een ijsblokje als gematteerd hoofdje, met een gezichtje met oogjes, neus en mond, van doorzichtig kunststof met een sjaaltje van kunststof. De neus op het hoofdje heeft de vorm van een pegeltje en is rood aangestipt. Op het hoofdje zit een muts of hoed gegoten, ook van doorzichtige kunststof, met daardoorheen een oogje. De lengte van het artikel is ca 18 cm, de doorsnede ca. 2,4 cm en het artikel weegt ca. 10 gram. Door het oogje op de muts is een zilverkleurig ophangdraadje in de vorm van een lusje bevestigd. Het geheel wordt aangeboden in een verpakking, voor verkoop in het klein;

- artikel van doorzichtig kunststof in de vorm van een ijsblokjessneeuwman. Het artikel bestaat uit drie doorzichtige kunststofblokjes, die verspringend op elkaar zijn bevestigd. Het bovenste kunststofblokje vormt een hoofdje met gezicht, voorzien van zwarte kraaloogjes, rode wangen, oranje/gele neus en mond, waarbij de neus de vorm heeft van een pegeltje, dat rood is aangestipt. Op het hoofdje zit een hoedje met een gematteerd randje gegoten, waardoorheen een oogje is aangebracht. Door het oogje op de hoed is een zilverkleurig ophangdraadje in de vorm van lusje bevestigd. Rond het hoofdje zit een metalen ring met hierop bevestigd drie kunststof gematteerde balletjes met aan beide zijden van de ring een gematteerde handschoen. De metalen ring is voorts bevestigd aan het middelste blokje. De lengte van het artikel is ca. 14 cm, de breedte ca. 11 cm, de diepte ca. 3,5 cm en het artikel weegt ca. 172 gram. Het geheel wordt aangeboden in een verpakking voor verkoop in het klein.

- een artikel van doorzichtig kunststof in de vorm van een hoofdje met gezicht, voorzien van zwarte kraaloogjes, rode neus, roze wangen en mond, als ijsfiguur met een door glitters glimmend sjaaltje van kunststof. De neus op het hoofdje heeft de vorm van een pegeltje en is rood aangestipt. Op het hoofdje zit een matte muts of hoed waardoorheen een oogje is gegoten. Door dit oogje is een goudkleurig ophangdraadje in de vorm van een lusje bevestigd. Aan de onderzijde van het hoofdje is ook een oogje aanwezig met daaraan bevestigd een heldere kunststof kristal in de vorm van een bolletje of een prismavormpje. De lengte van het artikel is ca. 5 cm, de doorsnede ca. 2,4 cm en het artikel weegt ca. 12 gram. Het geheel wordt aangeboden in een verpakking van drie stuks, voor verkoop in het klein.

4. Het geschil, de relevante wetsbepalingen en teksten uit Toelichtingen

4.1. In hoger beroep is in geschil of de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de inspecteur voor de onderhavige goederen op onjuiste gronden een bindende tariefinlichting voor post 3926 40 00 van het GDT heeft verstrekt. De inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend; belanghebbende ontkennend, omdat zij bepleit dat de producten moeten worden ingedeeld in post 9505 10 90 van het GDT.

Voornoemde posten luiden als volgt:

Post 3926 40 00

“3926 Andere artikelen van kunststof en artikelen van andere stoffen bedoeld bij de posten 3901 tot en met 3914:

(..)

3926 40 00 - beeldjes en andere versieringsvoorwerpen”.

Post 9505 10 90

“9505 Feestartikelen, carnavalsartikelen en andere ontspanningsartikelen, benodigdheden voor het goochelen en fop- en schertsartikelen daaronder begrepen:

9505 10 - kerstfeestartikelen:

(..)

9505 10 90 -- van andere stoffen”.

Toelichting IDR op hoofdstuk 39

“Deze post omvat werken van kunststof, elders genoemd noch elders onder begrepen(zoals gedefinieerd in Aantekening 1 IDR op dit hoofdstuk) en artikelen van andere stoffen bedoeld bij de posten 39.01 tot en met 39.14.

Hieronder zijn dus voornamelijk begrepen:

(…)

3. beeldjes en andere versieringsvoorwerpen;”

IDR-Toelichting op hoofdstuk 95

“Deze post omvat de hierna genoemde groepen van producten.

A. Feestartikelen, carnavalsartikelen en andere ontspanningsartikelen, die in verband met hun gebruik, veelal van eenvoudige en weinig sterke makelij zijn.

Van deze artikelen kunnen worden genoemd:

1. feestversieringsartikelen voor het versieren van kamers, tafels, enz. (...); artikelen voor kerstboomversiering (engelenhaar, gekleurde kerstballen, dierfiguren, nabootsingen van andere voorwerpen, enz); (...);

2. artikelen die gewoonlijk bij kerstfeesten worden gebruikt, in het bijzonder imitatiekerstbomen, kerstkribben, personages en dierfiguren voor kerstkribben, engeltjes, kerstpistaches (knalbonbons), kerstkousen, kerstklompen en -blokken, kerstmannetjes, enz;

(...)”.

Nationale toelichting op hoofdstuk 95

“Onder deze post worden onder meer ingedeeld (kerst-)feestartikelen. Naast de in de toelichting IDR genoemde producten kunnen als (kerst-)feestartikelen worden ingedeeld producten, die:

a. uitsluitend een decoratieve waarde hebben, en die

b. als (kerst-)feestartikel ontworpen, vervaardigd en herkenbaar zijn.

Ad a. (..)

Ad b. Als (kerst-)feestartikel herkenbaar zijn.

De producten dienen door hun aard en hoedanigheid als (kerst-)feestartikelen herkenbaar te zijn. Dat wil zeggen dat aan de hand van de uitvoering van het artikel moet worden vastgesteld dat zij speciaal zijn ontworpen en vervaardigd voor een bepaald feest (Pasen, Kerst, Halloween, enz.).

Dit is onder meer het geval indien het artikel is voorzien van een opschrift als bijvoorbeeld ‘Vrolijk Pasen’, ‘Gelukkig Kerstfeest’, ‘Merry Christmas’, ‘Feliz Navidad’, ‘Happy Halloween’. De hier bedoelde artikelen worden in het algemeen uitsluitend gedurende een bepaalde periode van het jaar gebruikt.”.

5. Standpunten van partijen

- De inspecteur

5.1. Het oordeel van de rechtbank miskent dat de producten in overwegende mate met het kerstfeest moeten kunnen worden geassocieerd om als kerstfeestartikel te kunnen worden aangemerkt. Er moet een directe relatie bestaan met het kerstfeest. De omstandigheid dat het in de kerstperiode winter is en dat sneeuw dus in verband kan worden gebracht met de kerstperiode is daartoe onvoldoende. Er is dan slechts een indirecte relatie tussen het kerstfeest en sneeuw. Sneeuw of sneeuwmannen hebben een directe relatie met de winter en niet met het kerstfeest.

5.2. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat de onderhavige goederen deel uitmaken van een serie van zeven artikelen waarbij de vier andere artikelen wel zijn ingedeeld als kerstfeestartikel geldt dat de aangiften inzake deze andere artikelen niet fysiek zijn gecontroleerd zodat belanghebbende daar geen vertrouwen aan kan ontlenen. Met betrekking tot de Duitse BTI geldt dat, doordat het sneeuwmannetje daar een geschenk in zijn handen houdt, dat product wel een directe relatie heeft met het kerstfeest.

5.3. Ter zitting heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd. Kunstsneeuw is ook geen kerstfeestartikel. Bijvoorbeeld bij kunstijsbanen worden de ramen ook voorzien van kunstsneeuw. De producten worden gedurende een groot deel van het jaar ingekocht door belanghebbende en al vanaf juni verkocht aan tuincentra.

Mogelijk kan ook het sneeuwblokmannetje dat het zwaarste artikel uit de serie betreft aan een dikke tak in de kerstboom hangen.

- Belanghebbende

5.4. De mogelijkheid om goederen in een kerstboom op te kunnen hangen is niet relevant. Bovendien zijn de goederen wel geschikt om in een kerstboom of elders op te hangen. De litigieuze voorwerpen maken onderdeel uit van een serie van zeven artikelen. De andere vier artikelen zijn wel als kerstfeestartikel ingedeeld. Het verschil tussen beide categorieën artikelen is niet duidelijk.

5.5. Het criterium ‘directe relatie’ met het kerstfeest is ruimer dan alleen de aanwezigheid van een geschenk, nu niet elk artikel dat als kerstfeestartikel is aangemerkt, beschikt over een geschenk.

5.6. Ter zitting heeft belanghebbende, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd. De artikelen kunnen in de kerstboom worden opgehangen. Ik trek mijn aanbod tot getuigenbewijs op dit punt in. Het klopt dat belanghebbende de producten gedurende het hele jaar inkoopt en ook weer verkoopt aan tuincentra. De tuincentra echter verkopen de producten in de kerstperiode.

Belanghebbende zou graag een meer concreet criterium dan de directe relatie met het kerstfeest hebben om te toetsen of voldaan wordt aan de vereisten voor indeling als kerstfeestartikel. Hoe sterk moet die relatie zijn? Uiteraard blijft het een sterk casuïstische materie.

6. De overwegingen van de Douanekamer

6.1. De Douanekamer is van oordeel dat de producten de objectieve kenmerken en eigenschappen van kerstfeestartikelen ontberen. Zij houden geen rechtstreeks en specifiek verband met het kerstfeest. De Douanekamer acht in dit verband van belang dat de producten algemene decoratieartikelen zijn zonder specifieke verwijzing naar het kerstfeest. De artikelen zullen gelet op de omstandigheid dat zij sneeuw- en ijsblokmannetjes uitbeelden, gewoonlijk worden gebruikt in de winterperiode. Zulks brengt evenwel niet mee dat sprake is van kerstfeestartikelen. Ze zijn immers niet specifiek op het kerstfeest gericht en zullen gewoonlijk niet slechts in de kerstperiode worden gebruikt.

Bij bovenvermeld oordeel heeft de Douanekamer mede in aanmerking genomen de IDR-Toelichting op post 9505 waaruit valt af te leiden dat de goederen slechts onder post 9505 10 90 vallen, indien zij door hun eigenschappen en kenmerken gewoonlijk in de kerstperiode worden gebruikt.

6.2. Voorts overweegt de Douanekamer dat de omstandigheid dat het kerstfeest kan worden geassocieerd met sneeuw en ijs onvoldoende is om afbeeldingen van sneeuw en ijs in rechtstreeks en specifiek verband met het kerstfeest te brengen. De Douanekamer is van oordeel dat de desbetreffende producten dienen te worden ingedeeld als beeldjes en andere versieringsvoorwerpen in de zin van post 3926 40 00 van het GDT.

6.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de producten deel uitmaken van een serie van gelijksoortige artikelen, en dat vier andere artikelen van deze serie wel als kerstfeestartikelen zijn ingedeeld. Die stelling kan haar niet baten, nu een dergelijke omstandigheid niet van invloed is op de beoordeling waartoe de indiening van de onderhavige aanvragen voor een BTI de inspecteur noopte, nog daargelaten dat de inspecteur daartegenover heeft gesteld dat het hier op maandaangiften ingevoerde artikelen betreft, welke aangiften niet zijn gecontroleerd, en dat hij betwijfelt of de artikelen inderdaad deel uitmaakten van dezelfde serie als de onderhavige producten.

6.4. Uit hetgeen onder 6.1. tot en met 6.3. is overwogen volgt dat de inspecteur de producten in de sub 1.1. genoemde BTI’s terecht onder post 3926 40 00 van het GDT heeft ingedeeld. De uitspraak van de rechtbank kan derhalve niet in stand blijven.

7. Proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig één der partijen te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- bevestigt de uitspraak van de inspecteur.

Aldus vastgesteld op 10 april 2007 door mrs. A. Bijlsma voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en M.J. Kuiper, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

________________________________________