Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA5915

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
14-06-2007
Zaaknummer
905/05
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brief van pensioenfonds geeft dezelfde uitkering aan voor deeltijdpensioen als andere brief voor voltijdpensioen vermeldt. Klaarblijkelijke vergissing had ook een leek op pensioengebied moeten opvallen. Geen aanspraak op het hogere bedrag, ook al is pensioenfonds dit gaan betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[PENSIOENDEELNEMER],

wonende te [...],

APPELLANT,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SFB PENSIOENEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. E. Lutjens.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant – [pensioendeelnemer] – is bij dagvaarding van 12 mei 2005 in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, verder: de kantonrechter, op 16 maart 2005 onder rolnummer 04-20331 tussen partijen heeft uitgesproken.

1.2. Bij memorie van grieven heeft [deelnemer] twee grieven tegen dat vonnis aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd zoals in die memorie is vermeld.

1.3. Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde – SFB – de grieven bestreden en geconcludeerd zoals in die memorie is vermeld.

1.4. Vervolgens is arrest gevraagd op de gedingstukken van de beide instanties.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. Waarvan het hof uitgaat

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter onder 1 sub a tot en met m een aantal in dit geding vaststaande feiten opgesomd. Die feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1. Deze zaak betreft – zakelijk samengevat – het volgende:

a. [deelnemer] – geboren op [...] 1941 - is op [...] 1964 in de bouwsector gaan werken. Op [...] 1970 is hij in dienst getreden van [...] B.V. in de functie van bedrijfsleider;

b. [deelnemer] heeft via SFB deelgenomen aan de vroegpensioenregeling die in het vonnis waarvan beroep onder 1 sub b wordt vermeld;

c. in 2000 heeft [deelnemer] navraag bij SFB gedaan naar zijn mogelijkheden om met vroegpensioen te gaan;

d. bij twee verschillende brieven van 9 augustus 2000 heeft SFB daarop geantwoord; de desbetreffende brieven worden in het vonnis waarvan beroep onder 1. sub e en f deels geciteerd;

e. [deelnemer] heeft aan SFB bericht dat hij akkoord ging met de inhoud van tweede brief en met ingang van 1 januari 2001 gebruik wilde maken van het deeltijdvroegpensioen van 16 uur per week;

f. SFB heeft aan [deelnemer] in de periode van 1 januari 2001 tot 1 juli 2003 conform de berekening in de tweede brief een bedrag van € 743,61 netto per maand uitbetaald; [deelnemer] is daarnaast voor 24 uur per week blijven werken;

g. met ingang van 1 juli 2003 heeft de voltijdregeling toepassing gekregen; SFB heeft op 21 juli 2003 een specificatie van het over juli 2003 uit te keren vroegpensioen aan [deelnemer] gestuurd ten bedrage van € 2.340,14 bruto, € 1.648,73 netto;

h. [deelnemer] had op grond van de tweede brief van 9 augustus 2000 op een hoger bedrag gerekend en heeft SFB daarover opgebeld; bij brief van 3 september 2003 heeft SFB [deelnemer] daarop geschreven zoals in het vonnis waarvan beroep onder 1 sub k. (deels) wordt geciteerd;

i. hierna is een discussie tussen partijen ontstaan over de berekeningswijze van de vroegpensioenuitkeringen van [deelnemer], welke discussie is uitgemond in de onderhavige procedure;

j. in deze procedure vordert [deelnemer] hetgeen in het vonnis waarvan beroep onder 2. wordt vermeld; na tegen die vordering door SFB gevoerd gemotiveerd verweer heeft de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep die vordering afgewezen en [deelnemer] in de proceskosten veroordeeld;

k. door middel van de grieven bestrijdt [deelnemer] de juistheid van die beslissing en van de gronden waarop die berust.

1.2. Het volgende wordt overwogen.

Naar aanleiding van het in 2000 door [deelnemer] aan SFB gedaan verzoek om hem in te lichten over de mogelijkheden om met vroegpensioen te gaan heeft SFB aan [deelnemer] twee brieven gezonden, beide gedateerd op 9 augustus 2000.

4.3. De eerste brief, met als onderwerp “indicatie vroegpensioen uta”, luidt – voorzover hier van belang – als volgt:

“Hierbij ontvangt U een indicatie van Uw uitkering vroegpensioen, vastgesteld volgens de bepalingen in het reglement van de stichting vroegpensioenfonds voor het Uta-personeel in de bouwbedrijven.

U heeft aangegeven per 1 januari 2001 gebruik te willen maken van de regeling vroegpensioen. Voor Uw uitkering geldt dan op basis van de huidige gegevens het volgende.

- het bruto vroegpensioen per jaar is vastgesteld op f 30.013,44;

(...)

Met de berekening is rekening gehouden met eventueel nog op te bouwen vroegpensioenaanspraken. Aangezien deze gegevens op dit moment nog niet definitief zijn kunnen wij niet garanderen dat deze berekening juist is. Tevens kunnen de premie- en loonbelastingtabellen nog gewijzigd worden.

(...) ”

Bij deze brief is een bijlage met uitkeringsgegevens gevoegd die – voorzover hier van belang – het volgende vermeldt:

“Periode van 1 januari 2001 t/m 30 juni 2006

Deze periode betreft een periode waarin U van de regeling vroegpensioen gebruik maakt.

Bruto uitkering f 2501,12

Overhevelingstoeslag f 51,75 +/+

Loonheffing f 340,50 -/-

Netto uitkering f 2213,37”.

4.4. De tweede brief van 9 augustus 2000, eveneens met als onderwerp “indicatie vroegpensioen uta”, luidt voorzover hier van belang als volgt:

“Hierbij ontvangt U een indicatie van uw uitkering vroegpensioen, vastgesteld volgens de bepalingen in het reglement van de stichting vroegpensioenfonds voor het uta-personeel in de bouwbedrijven.

U heeft aangegeven per 1 januari 2001 gebruik te willen maken van de regeling vroegpensioen. Voor uw uitkering geldt dan op basis van de huidige regeling het volgende.

- het bruto vroegpensioen per jaar is bij deeltijd vastgesteld op f 30.013,44;

- het bruto vroegpensioen per jaar is bij voltijd vastgesteld op f 80.488,68;

(....)

Met de berekening is rekening gehouden met eventueel nog op te bouwen vroegpensioenaanspraken. Aangezien deze gegevens op dit moment nog niet definitief zijn kunnen wij niet garanderen dat deze berekening juist is. Tevens kunnen de premie- en loonbelastingtabellen nog gewijzigd worden.”

Bij deze brief is een bijlage met uitkeringsgegevens gevoegd die – voorzover hier van belang – vermeldt:

“Periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2003

Deze periode betreft een periode waarin u van de deeltijd-regeling vroegpensioen gebruikt maakt.

Bruto uitkering f 2501,12

Overhevelingstoeslag f 53,75 +/+

Loonheffing f 916,16

Netto uitkering f 1638,71

Periode van 1 juli 2003 t/m 30 juni 2006

Deze periode betreft een periode waarin U van de voltijd-regeling vroegpensioen gebruikt maakt.

Bruto uitkering f 6707,39

Overhevelingstoeslag f 142,08

Loonheffing f 2103,66

Netto uitkering f 4745,81”.

4.5. Vaststaat dat [deelnemer] aan SFB heeft meegedeeld dat hij van de in de tweede brief genoemde mogelijkheid gebruik wenste te maken alsmede dat SFB tot haar brief aan [deelnemer] van 3 september 2003 over het daarin genoemde tijdvak overeenkomstig hetgeen in de bijlage bij die tweede brief werd vermeld pensioenuitkeringen aan [deelnemer] heeft gedaan. Voorts staat - als door [deelnemer] erkend – vast, zulks na een door SFB gemaakte herberekening van de aan [deelnemer] toekomende vroegpensioenaanspraken, dat aan [deelnemer] over het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2003 slechts een vroegpensioenuitkering toekwam van – in euro’s - € 45,57 bruto per maand en vanaf 1 juli 2003 van € 2.395,12 bruto per maand, alsmede dat SFB wegens een door haar gemaakte vergissing abusievelijk tot haar brief van 3 september 2003 aan [deelnemer] de – veel hogere bedragen – heeft uitbetaald die in de bijlage bij de tweede brief voor het tijdvak te rekenen vanaf 1 januari 2001 tot 1 juli 2003 waren vermeld. Die teveel betaalde bedragen is SFB vervolgens gaan verrekenen met de bedragen die vanaf juli 2003 aan [deelnemer] overeenkomstig de aan hem toekomende aanspraken dienden te worden uitbetaald.

4.6. In dit geding vordert [deelnemer] – kort gezegd - een verklaring voor recht dat SFB gehouden is hem uitkeringen te doen overeenkomstig de bijlage bij genoemde tweede brief, alsmede dat aan SFB op straffe van een dwangsom zal worden verboden om hetgeen zij na genoemde herberekening te veel blijkt te hebben betaald alsnog met het aan [deelnemer] toekomende te verrekenen. Daartoe heeft [deelnemer] aangevoerd – zakelijk samengevat - dat hij bij de door hem gemaakte keuze voor de in de tweede brief vermelde mogelijkheid heeft gedwaald als gevolg van een door SFB gemaakte fout, dat de consequenties van die fout naar redelijkheid en billijkheid voor rekening van SFB dienen te blijven, en dat het maken van die fout tevens een onrechtmatige daad van SFB jegens [deelnemer] oplevert, waardoor aan [deelnemer] schade is berokkend, en wel tot het bedrag van € 37.268,12 aan te veel betaalde vroegpensioenuitkeringen dat SFB in verrekening wenst te brengen, welke schade SFB aan [deelnemer] dient te vergoeden.

De kantonrechter heeft die vorderingen afgewezen. De grieven die [deelnemer] tegen die beslissing richt lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.7. In de genoemde eerste brief van 9 augustus 2000 wordt kennelijk – nu het woord “deeltijd” daarin niet wordt genoemd – een indicatie gegeven van de aan [deelnemer] toekomende pensioenuitkering in het geval hij ingaande 1 januari 2001 over het tijdvak tot en met 30 juni 2006 zou kiezen voor een voltijd vroegpensioenuitkering. Uit de stellingen van [deelnemer] valt af te leiden dat ook hij de eerste brief aldus heeft begrepen. Volgens die brief bedraagt een dergelijke uitkering NLG 30.013,44 bruto per jaar of wel NLG 2.501,12 bruto per maand. De tweede brief noemt twee tijdvakken, te weten het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2003 en het tijdvak van 1 juli 2003 tot en met 30 juni 2006 (dat wil zeggen tot [...] [deelnemer] 65 jaar zou worden). Vergelijking van de twee brieven met de daarbij behorende bijlagen doet meteen opvallen dat in de tweede brief in het eerste tijdvak – hoewel dat een deeltijd vroegpensioen-tijdvak betreft – precies dezelfde bruto vroegpensioenuitkering staat geïndiceerd als in de eerste brief voor de voltijd-uitkering, terwijl daarna – te weten in de periode van de voltijd-uitkering met ingang van 1 juli 2003 – volgens de tweede brief op een nog veel hoger bedrag aanspraak kan worden gemaakt, namelijk op een bedrag van f 6.707,39 bruto per maand. Vergelijking van de twee brieven met hun bijlagen leert voorts dat op basis van de eerste brief over een tijdvak van 66 maanden aanspraak zou kunnen worden gemaakt op een totaalbedrag van NLG 165.073,92 bruto, terwijl dat op basis van de tweede brief over dezelfde periode op een bedrag van totaal NLG 356.743,98 bruto (dus meer dan twee maal zo veel) zou uitkomen, te weten 30 maanden x 2.501,12 = NLG 75.033,60 plus 42 x 6707,39 = NLG 281.710,38, hoewel het bij de keuze voor de in de tweede brief geboden mogelijkheid gedurende de eerste dertig maanden slechts om een deeltijdpensioenuitkering gaat. Een dergelijke uitkomst is zodanig ongerijmd en klaarblijkelijk berustend op een vergissing met betrekking tot de door [deelnemer] opgebouwde en eventueel nog op de bouwen vroegpensioenaanspraken, dat deze vergissing aan [deelnemer] – ook als er van wordt uitgegaan dat hij een leek op pensioengebied is – bij een redelijkerwijs van hem te vergen nauwkeurige lezing en vergelijking van de inhoud van de beide genoemde brieven en hun bijlagen (zonodig met hulp van derden) had moeten opvallen, alsmede dat van hem had mogen worden verwacht dat hij zich – alvorens voor de in de tweede brief genoemde mogelijkheid te kiezen – door SFB nader had laten informeren omtrent de inhoud van de beide brieven en de daarin genoemde bedragen. Aangenomen mag worden dat – zo hij dat had gedaan – de in de tweede brief door SFB gemaakte vergissing was uitgekomen en die vergissing toen reeds door SFB zou zijn rechtgezet. Ook de omstandigheid dat SFB te rekenen vanaf 1 januari 2001 uitkeringen aan [deelnemer] is gaan doen die strookten met de uitkering als vermeld op de bijlage bij de tweede brief mocht [deelnemer] er niet op doen vertrouwen dat hij op die uitkering aanspraak kon maken: zonder daaromtrent bij SFB nader navraag te doen mocht [deelnemer] er immers niet van uitgaan dat de klaarblijkelijk gemaakte vergissing reeds bij SFB was ontdekt en diende hij rekening te houden met de mogelijkheid dat het bedrag van de uitkering als uitvloeisel van die bij SFB nog niet ontdekte vergissing was aan te merken. Een verkeerde voorstelling bij [deelnemer] omtrent de aan hem toekomende uitkering dient dus voor zijn rekening te blijven, hoezeer het ook te betreuren valt dat bedoelde vergissing door SFB is gemaakt en pas in 2003 aan het licht is gekomen. Redelijkheid en billijkheid staan er onder deze omstandigheden dan ook niet aan in de weg dat SFB – toen de gemaakte vergissing was ontdekt – het door haar teveel betaalde is gaan verrekenen met de bedragen die nog aan [deelnemer] dienden te worden uitbetaald. Evenmin is er grond voor toekenning van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen aan de zijde van SFB als door [deelnemer] gevorderd.

De grieven kunnen dus niet slagen.

5. Slotsom

5.1. De grieven worden verworpen. Het door [deelnemer] gedaan bewijsaanbod dient als onvoldoende gespecificeerd te worden gepasseerd.

5.2. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, met veroordeling van [deelnemer] als in het ongelijk gesteld in de kosten van het hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [deelnemer] in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van SFB begroot op € 244,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Bockwinkel, J.E. Molenaar en G.C. Makkink en is op 11 januari 2007 in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken.