Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA5790

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
29-05-2007
Zaaknummer
2006/1186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Hetgeen de memorie van antwoord van de Stichting onder 1 inhoudt, lijkt geen andere conclusie toe te laten dan dat de stichting Algemene Woningstichting Houten ten tijde van de inleidende dagvaarding als zodanig al niet meer bestond. [..] Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte over het onder 2.1 overwogene uit te laten, eerst de Stichting en vervolgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 maart 2007

tweede civiele kamer

rolnummer 2006/1186

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

Nevenzittingsplaats Arnhem

Arrest

in de zaak van:

[appellant sub 1]

en

[appellant sub 2],

beiden laatstelijk wonende te [woonplaats],

appellanten,

procureur: mr. A.A.M. Hesseling,

tegen:

de stichting Algemene Woningstichting Houten,

gevestigd te Houten,

geïntimeerde,

procureur: mr. A.S. Rueb.

1 Het verloop van het geding

1.1 Voor de procedure tot aan het arrest in het incident van 5 december 2006 verwijst het hof naar dat arrest.

1.2 Op de rolzitting van 23 januari 2007 heeft de Stichting het tegen haar verleende verstek gezuiverd door alsnog, bij procureur, te verschijnen.

1.3 Vervolgens heeft de Stichting bij memorie van antwoord de grieven bestreden, een nieuwe productie in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep, waaronder vast recht en salaris procureur.

1.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Hetgeen de memorie van antwoord van de Stichting onder 1 inhoudt, lijkt geen andere conclusie toe te laten dan dat de stichting Algemene Woningstichting Houten ten tijde van de inleidende dagvaarding als zodanig al niet meer bestond. Dat volgt ook uit het bij dezelfde memorie overgelegde uittreksel uit het handelsregister. Het ontbreken van rechts- en procesbevoegdheid bij de Stichting als degene op wiens naam de procedure is ingeleid, leidt het hof voorlopig tot de conclusie – welke conclusie het hof ambtshalve onder ogen heeft te zien, omdat de openbare orde in het geding is – dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat de Stichting alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De omstandigheid dat de naam “Algemene Woningstichting Houten” door de rechtsopvolgster van de voormalige stichting Algemene Woningstichting Houten, de Stichting Viveste, als handelsnaam wordt gebruikt, brengt hierin geen verandering, omdat – daargelaten hoe een zodanig gebruik zich verhoudt tot de verbodsbepaling van artikel 4 lid 1 Handelsnaamwet – de naam als bedoeld in artikel 45 lid aanhef en onder b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in geval van een rechtspersoon de statutaire naam is.

2.2 Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte over het onder 2.1 overwogene uit te laten, eerst de Stichting en vervolgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. In verband met de omstandigheid dat het een spoedappèl betreft, zal het hof aan bedoelde gelegenheid korte termijnen verbinden. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van 20 maart 2007 voor akte aan de zijde van de Stichting, ambtshalve peremptoir, en bepaalt dat de zaak vervolgens op de rol van 3 april 2007 wordt uitgeroepen voor akte aan de zijde van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], eveneens ambtshalve peremptoir, een en ander met het doel als onder 2.2 omschreven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Valk, Frankena en Van Osch, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2007.