Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA5062

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
rekestnummer 05/1232
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klacht ingevolge art. 12 Sv. Klaagster heeft gesteld dat indien de politie anders zou hebben gehandeld, E. mogelijk niet was overleden. Bij beschikking van 31 oktober 2006 heeft het hof als oordeel te kennen gegeven dat – kort weergegeven - de door de desbetreffende politie ambtenaren genomen beslissingen en de ten behoeve van het vervoer van E. genomen maatregelen adequaat waren, dat niet is gebleken dat E. onnodig lang slachtoffer van die maatregelen is geweest en evenmin dat die maatregelen onnodig ingrijpend waren. Dit oordeel was, vanzelfsprekend, een voorlopig oordeel, immers achtte het hof het noodzakelijk, alvorens zijn eindoordeel te geven, klaagster in de gelegenheid te stellen nader medisch onderzoek naar de doodsoorzaak van E. te verrichten en in het bijzonder het rapport van de onderzoeker, dr. Schumacher, in het geding te brengen.

Vooropgesteld moet worden dat de tragische dood van E. door een ieder wordt betreurd. Waar het in dit geding evenwel om gaat is te bezien of er aan de zijde van de beklaagden strafrechtelijk verwijtbaar is gehandeld, als gevolg waarvan de dood van E. (mede) kan zijn ingetreden. Het hof is van oordeel dat daarvoor onvoldoende aanknopingspunten in het dossier zijn te vinden. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat nader onderzoek aanleiding zou kunnen zijn voor een andersluidend oordeel. Derhalve moet de conclusie zijn dat het beklag dient te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Beschikking van op het beklag met het rekestnummer 05/1232 van

[klaagster], weduwe van E.,

wonende te […]

gemachtigde: mr. M. Ferschtman, advocaat te Amsterdam..

Ingekomen stukken

Na het wijzen van de beschikking van 31 oktober 2006 in de onderhavige beklagzaak heeft het hof kennis genomen van de volgende stukken:

- een rapport van 21 oktober 2004 van dr. D.A Rouse, consultant in forensic medicine and pathology;

- een brief van de gemachtigde van klaagster van 19 januari 2007, met als bijlage een rapport van 17 januari 2007 van de arts J.H. Schumacher, verbonden een de Stichting MedischAdviesKollektief;

- een brief van de gemachtigde van beklaagden van 17 maart 2007, met als bijlage een rapport van de forensisch arts mr. dr. C. Das, verbonden aan GGD Amsterdam, Forensisch Medisch Expertisecentrum;

- een emailbericht van de gemachtigde van beklaagden van 12 april 2007;

- een brief van de gemachtigde van klaagster van 12 april 2007, met als bijlage een schriftelijke verklaring van klaagster;

- een brief van 16 april 2007 van de advocaat-generaal.

Overwegingen omtrent de inhoud van deze stukken

1. Bij beschikking van 31 oktober 2006 heeft het hof als oordeel te kennen gegeven dat – kort weergegeven - de door de desbetreffende politie abtenaren genomen beslissingen en de ten behoeve van het vervoer van E. genomen maatregelen adequaat waren, dat niet is gebleken dat E. onnodig lang slachtoffer van die maatregelen is geweest en evenmin dat die maatregelen onnodig ingrijpend waren.

Dit oordeel was, vanzelfsprekend, een voorlopig oordeel, immers achtte het hof het noodzakelijk, alvorens zijn eindoordeel te geven, klaagster in de gelegenheid te stellen nader medisch onderzoek naar de doodsoorzaak van E. te verrichten en in het bijzonder het rapport van de onderzoeker, dr. Schumacher, in het geding te brengen.

2. Klaagster heeft in het geding gebracht een rapport van dr. D.A Rouse van 21 oktober 2004, waarin het volgende is weergegeven:

“In such cocaine related deaths there is evidence to suggest that the type of restraint may be relevant in the causation of death with so-called “hog-tying” being particularly relevant”

Kennelijk verstaat Rouse onder de zogeheten “hog-tying position” het binden van handen en voeten, waarbij de gebonden handen en voeten ruggelings met elkaar worden verbonden. Uit het dossier noch uit het verhandelde in raadkamer is komen vast te staan dat ten aanzien van E. deze “hog-tying position” is toegepast.

Met betrekking tot dit onderdeel blijft het hof bij zijn eerdere oordeel, namelijk dat te onzent geen richtlijnen of aanbevelingen/ambtsinstructies bestaan, die politiefunctionarissen verplichten in een geval het als het onderhavige anders te handelen dan zij hebben gedaan. Omtrent de wijze waarop E. is geboeid en vervoerd moet het oordeel zijn dat dit de toets van zorgvuldigheid kan doorstaan, gelet op de omstandigheden waaronder een en ander plaatsvond.

3.1 Klaagster heeft in het geding gebracht het rapport van de arts J.H. Schumacher van 17 januari 2007. Schumacher concludeert dat aan het intreden van de dood een ernstig zuurstoftekort ten grondslag ligt dat is ontstaan door een belemmerde ademhaling bij een positionering in buikligging met op de rug geboeide handen en voeten. Aan deze conclusie heeft Schumacher het volgende ten grondslag gelegd:

“In de transportbus ligt E. in buikligging met zijn borstkas en hoofd op een bank en drie meerijdende politiefunctionarissen belemmeren hem voldoende adem te halen doordat zij zijn borstkas telkenmale neerdrukken als hij zich opricht om te ademen.”

3.2 De door Schumacher aan zijn conclusie ten grondslag gelegde feiten vinden geen steun in het dossier. Het hof herhaalt hetgeen in de tussenbeschikking is weergegeven (p.2):

“ (…) waarna de politieambtenaren erin slagen de polsen en enkels van E. (…) te boeien. E. wordt vervolgens in een politiebus geplaatst, min of meer op zijn knieën met zijn benen op de grond en zijn buik, borst en hoofd op de bank, en overgebracht naar het politiebureau aan de Elandsgracht. Tijdens het vervoer maakt E. nog steeds heftige en ongecontroleerde bewegingen en blijft hij onaanspreekbaar.”

3.3 Op grond van hetgeen in 3.2. is weergegeven, is het hof van oordeel dat de conclusie van Schumacher, namelijk dat de dood van E. is ontstaan door een (door politieambtenaren) belemmerde ademhaling, niet is gebaseerd op de feiten en derhalve als speculatief moet worden beoordeeld.

4. Namens de beklaagden is in het geding gebracht een rapport van de forensisch arts mr. dr. C. Das, hoofd afdeling Forensische Geneeskunde GGD Amsterdam, van 13 maart 2007. Volgens Das is het overlijden van E. veroorzaakt door een combinatie van factoren, te weten:

* overmatig cocaïne gebruik

* uitputting door gebrek aan slaap

* opwindingstoestand (voornamelijk) door cocaïne

* uitputting door vechtpartijen

* cardiale overbelasting (langdurige tachycardie) met als gevolg “cardiale break down”

* door de circulatiestilstand is zuurstofgebrek opgetreden en hebben hersenen en andere vitale organen onherstelbare schade opgelopen

* door de reanimatiehandelingen is het hart wel weer op gang gekregen, maar de circulatie als geheel is kennelijk niet meer voldoende op gang gekomen

Aan zijn conclusies heeft Das ten grondslag gelegd de bevindingen van:

- het proces-verbaal 20040095 van de Rijksrecherche;

- het sectieverslag van het NFI;

- het toxicologisch rapport van het NFI;

- de rapportage van de Intensive Care afdeling van het OLVG dd 6 oktober 2004 (inclusief nagezonden stukken);

- het rapport van dr. Rouse, patholoog in Engeland, dd 21 oktober 2004;

- de rapportages van het MedischAdviesKollektief (MAK) dd 19 september 2006 en 17 januari 2007.

Volgens Das is er blijkens de gegevens in het dossier geen sprake geweest van “positionele asfyxie”. Volgens hem moet het, gelet op het voortdurende verzet van E. en zijn krachtsinspanningen tot in het hoofdbureau van politie, zeer onwaarschijnlijk tot uitgesloten worden geacht dat er van een belemmerde ademhaling sprake is geweest.

5.1 Het hof schaart zich achter de bevindingen en conclusies zoals geformuleerd in het rapport van 27 december 2004 van dr. R. Visser, onder verwijzing naar hetgeen hieromtrent in de tussenbeschikking is weergegeven, alsmede achter het rapport voornoemde rapport van mr. dr. C. Das.

5.2. Klaagster heeft gesteld dat indien de politie anders zou hebben gehandeld, E. mogelijk niet was overleden.

Vooropgesteld moet worden dat de tragische dood van E. door een ieder wordt betreurd. Waar het in dit geding evenwel om gaat is te bezien of er aan de zijde van de beklaagden strafrechtelijk verwijtbaar is gehandeld, als gevolg waarvan de dood van E. (mede) kan zijn ingetreden.

Het hof is van oordeel dat daarvoor onvoldoende aanknopingspunten in het dossier zijn te vinden. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat nader onderzoek aanleiding zou kunnen zijn voor een andersluidend oordeel. Derhalve moet de conclusie zijn dat het beklag dient te worden afgewezen.

4. De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

door mrs. I.M.H. Van Asperen de Boer-Delescen, A.H.A. Scholten en P.A.M. Mevis, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Van Stein Callenfels als griffier.

Mr. Mevis is verhinderd deze beschikking mede te ondertekenen.