Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4621

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
08-05-2007
Zaaknummer
04/01555
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft belanghebbende, aangewezen als schuldenaar krachtens artikel 1 jo artikel 2f Wet op de accijns, twee stukken gezonden: een brief waarin een naheffing wordt aangekondigd en een uitnodiging tot betaling waarin die naheffing wordt gerealiseerd. De wetssysttematiek van de AWR laat echter niet toe dat het heffingsinstrument van het ene regime (belastingheffing bij wege van voldoening of afdracht op aangifte) wordt gebruikt bij een verschuldigdheid die in het andere regime (heffing van belasting bij wege van uitnodiging tot betaling) moet worden geplaatst. De vergissing van de inspecteur wordt afgestraft. Ook zijn beroep op artikel 6:22 Awb faalt aangezien de keuze van een verkeerd heffingsinstrument van een andere orde is dan de schending van een vormvoorschrift. De uitnodiging tot betaling kan niet in stand blijven. De Douanekamer komt aan het geschil ten principale niet toe. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 921

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 04/1555 DK

de dato 24 april 2007

1. De procedure

1.1. Op 22 april 2004 is bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) een beroepschrift ingekomen van mr. A van B & C te D namens X te Z, belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane P (hierna:de inspecteur) van 15 maart 2004, kenmerk xxxx waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling, gedagtekend 23 juli 1998, kenmerk xxxx, ten bedrage van ƒ 295.092 (€ 133.906,91) aan accijns, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht van € 136 geheven. Belanghebbende heeft zijn beroepschrift nader aangevuld bij brief van 8 juni 2004. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van 7 november 2006.

Ter zitting zijn verschenen mr. A voornoemd, vergezeld van belanghebbende, en namens de inspecteur mr. E, tot zijn bijstand vergezeld van mr. F. Tijdens de zitting heeft de inspecteur een pleitnota overgelegd en voorgelezen, welke tot de gedingstukken wordt gerekend.

2. De feiten

2.1. De inspecteur heeft belanghebbende aangewezen als schuldenaar krachtens artikel 1 juncto artikel 2f van de Wet op de accijns (hierna: de Wet), omdat hij een hoeveelheid van 2,1 miljoen sigaretten voorhanden heeft gehad die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet in de heffing waren betrokken.

2.2. Op 23 juli 1998 zijn aan belanghebbende twee stukken uitgereikt, te weten een brief waarin een naheffing wordt aangekondigd en een uitnodiging tot betaling waarin die naheffing wordt gerealiseerd.

2.2.1. De tekst van voornoemde brief luidt, voorzover van belang, als volgt:

“Betreft

Naheffing accijns

Geachte heer X,

Onlangs ontving ik van de FIOD het proces-verbaal, nr. xxxx, dat tegen u is opgemaakt inzake het voorhanden hebben van sigaretten, welke niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken.

Uit het proces-verbaal - en met name op basis van de door u op 6 maart 1998 afgelegde verklaring – concludeer ik dat u 1997 een hoeveelheid van 2.100.000 sigaretten voorhanden hebt gehad. Deze sigaretten waren niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing van accijns betrokken.

Op grond van artikel 2f juncto artikel 1 van de Wet op de accijns bent u voor deze hoeveelheden

ƒ 295.092,= aan accijns verschuldigd geworden. Voor een berekening van de verschuldigde belasting verwijs ik u naar de bijgevoegde toelichting.

Deze belastingen had u ingevolge artikel 53a van de Wet op de accijns de dag na de aanvang van het voornoemde voorhanden hebben op aangifte moeten voldoen, hetgeen u hebt nagelaten. Ik zal op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen deze belastingen alsnog bij u naheffen.

Bij deze brief ontvangt u een naheffingsaanslag. Tegen die naheffingsaanslag kunt u bezwaar maken. Op de naheffingsaanslag is aangegeven op welke wijze u dat moet doen. (…).”

2.2.2. De tekst van de uitnodiging tot betaling luidt, voorzover van belang, als volgt:

"betreft

Uitnodiging tot betaling

(…)"

Het hieronder vermelde bedrag is verschuldigd wegens een ontvangen proces-verbaal nr. xxxx van de FIOD.

Specificatie van het bedrag:

Tabaksaccijns ƒ295.092,00

Totaal ƒ295.092,00

(…)

Bezwaar:

Tegen deze uitnodiging tot betaling kunt u schriftelijk bezwaar maken. Voor de hiervoor te volgen procedure verwijs ik u naar de volgende pagina.

Bezwaar tegen de uitnodiging van betaling.

Tegen de uitnodiging van betaling kunt u bezwaar maken. Als u van deze mogelijkheid gebruik wilt maken moet u binnen 6 weken na dagtekening van de uitnodiging tot betaling een bezwaarschrift indienen bij de afdeling Bezwaar van het douane district Amsterdam.(…)".

2.3. Na gemaakt bezwaar is belanghebbende gehoord op 15 november 1999. Daarvan is een verslag opgemaakt.

2.4. Op 15 maart 2004 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

De tekst van de uitspraak op bezwaar luidt - voorzover van belang - als volgt:

"(…).

Op 21 augustus 1998 heb ik uw brief van 20 augustus 1998 ontvangen waarin u, namens X te Z (hierna: belanghebbende) bezwaar maakt tegen het bedrag van fl. 295.092,00 (€ 133.906,91) dat als tabaksaccijns is vermeld in de uitnodiging tot betaling (te lezen als naheffingsaanslag) van 23 juli 1998, met nummer xxxx (hierna: de naheffingsaanslag).

(…).

Beschouwing

1. De feitelijke grondslag van de accijnsschuld

De in het Fiod-dossier weergegeven feitelijke constateringen, de door belanghebbende, door S en door T bij verhoor afgelegde verklaringen en de inhoud van de in november 1996 getapte telefoongesprekken tussen belanghebbende en T maken in hun onderlinge samenhang de tenslotte op 6 maart 1998 door belanghebbende afgelegde verklaring, waarin hij aangaf "ongeveer 15 keer per keer 14 hele casen à 10.000 sigaretten" aangebracht te hebben gekregen, tot een aannemelijke verklaring. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur deze verklaring op goede gronden als een op zijn minst genomen voor waar te aanvaarden benadering van de werkelijke gebeurtenissen mogen beschouwen.

(…).

Conclusie

Gelet op het voorgaande is op goede gronden vastgesteld dat belanghebbende de nageheven accijns verschuldigd is geworden. Nu hij ter zake geen accijns op aangifte heeft voldaan, is de onderhavige naheffingsaanslag ten bedrage van

fl. 295.092,00 terecht aan belanghebbende opgelegd.

Uitspraak

Ik wijs het bezwaar af."

2.5. Voornoemd FIOD-dossier is door de inspecteur als bijlage 1 van het verweerschrift overgelegd.

2.6. In bijlage 8 van het verweerschrift is een vonnis van 17 november 1999 van de rechtbank Haarlem opgenomen, waarbij belanghebbende wegens het opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen, die niet in de heffing zijn betrokken, strafrechtelijk is veroordeeld.

3. Het geschil

In geding is of belanghebbende op goede gronden is aangesproken voor een accijnsschuld van tabaksproducten, groot

€ 130.688,70 (oorspronkelijk ƒ 295.092,--, na teruggaaf ƒ 288.000,--.)

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De problematiek van de benaming van de accijnsaanslag wordt met vertrouwen aan het oordeel van de Douanekamer gelaten.

4.2. De garagebox van belanghebbende is slechts verhuurd tegen een redelijke vergoeding. Niet is aangetoond dat belanghebbende eigenaar van de sigaretten in de garagebox was en in deze accijnsvrije sigaretten handelde.

4.3. Belanghebbende heeft tegenover de FIOD-ambtenaren niet verklaard dat hij ongeveer 15 keer en per keer 14 dozen van 10.000 sigaretten bij de garagebox heeft aangebracht. Om die reden is die door de ambtenaren opgestelde verklaring niet ondertekend.

4.4. Onvoldoende is vastgesteld dat de verklaring van belanghebbende juist is nu de genoemde sigaretten niet zijn aangetroffen noch is gebleken van hun aanwezigheid uit andere bron.

4.5. Ter zitting heeft belanghebbende hieraan, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd.

Er is meer dan zeven jaar verstreken sinds de inspecteur de naheffingsaanslag heeft opgelegd en door belanghebbende bezwaar is aangetekend. Dit maakt het moeilijk de feiten te reconstrueren. De bewijslast van belanghebbende zou daarom moeten worden verlicht, hetgeen tot vernietiging van de uitnodiging tot betaling zou moeten leiden. Het beroep op verjaring wordt ingetrokken.

Belanghebbende heeft de garagebox in 1997 slechts drie maanden gehuurd. Er is echter geheven over 2,1 miljoen sigaretten met betrekking tot het hele jaar 1997. Subsidiair wordt daarom bepleit dat slechts 1/4 van de 2,1 miljoen sigaretten, dus 525.000 sigaretten, de basis van de naheffingsaanslag zouden moeten vormen.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Belanghebbende heeft sigaretten voorhanden gehad in de zin van artikel 1 juncto artikel 2f van de Wet. Op grond van artikel 20 Algemene wet rijksbelastingen is een naheffingsaanslag voor tabaksaccijns opgelegd.

5.2. Als gevolg van een administratieve misslag bevat de naheffingsaanslag de tekst 'uitnodiging tot betaling' in plaats van 'naheffingsaanslag'. Belanghebbende is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Het moet voor belanghebbende duidelijk zijn geweest op welke gronden en voor welk bedrag hij de tabaksaccijns verschuldigd was, nu in de motivering de vermelding "naheffingsaanslag" en de grondslagen voor de naheffing waren opgenomen. Mede ter voorkoming van een verzwaring van de administratieve lasten voor belanghebbende is de keus gemaakt met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de ‘uitnodiging tot betaling’ niet in te trekken en in de bezwaarfase de misslag toe te lichten.

5.3. Belanghebbendes stelling dat hij zijn garagebox louter verhuurde tegen een redelijke vergoeding valt niet te rijmen met zijn verklaringen tegenover de FIOD en evenmin met de bevindingen van deze instantie in het rapport van 29 juni 1998.

5.4. Er is geen reden tot twijfel aan de juistheid van de verklaringen die belanghebbende aan de FIOD heeft afgelegd.

5.5. Ter zitting heeft de inspecteur hieraan, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd.

In geschil is, na ambtshalve teruggaaf, nog een bedrag van ƒ 288.000.

In een eerder stadium van deze zaak was ook nog sprake van een bijkomende heffing voor douanerechten en omzetbelasting maar die zaak is bij de Douanekamer weer ingetrokken, aangezien geen sprake was van het belastbare feit invoer.

Het zou beter zijn geweest om de naheffingsaanslag met het opschrift 'uitnodiging tot betaling' in te trekken en vervolgens een nieuwe naheffingsaanslag te doen uitgaan.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Het systeem van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aangaande het opleggen van een heffing

6.1.1. Hoofdstuk IV van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) draagt de titel “Heffing van belasting bij wege van voldoening of afdracht op aangifte”, terwijl de titel van Hoofdstuk IVA van de AWR luidt: “Heffing van belasting bij wege van uitnodiging tot betaling”.

Kort gezegd vallen de gedragingen, welke in casu belanghebbende worden verweten, en de eventueel daaruit voortvloeiende verschuldigdheid, onder het regime van Hoofdstuk IV (artikel 53 van de Wet juncto artikel 20 van de AWR), en valt de verschuldigdheid van accijns terzake van de invoer van tabaksproducten onder het regime van Hoofdstuk IVA (artikel 62 van de Wet juncto artikel 22a AWR).

6.1.2. Deze duidelijke wetssystematiek brengt met zich dat het heffingsinstrument van het ene regime niet kan worden gebruikt bij een verschuldigdheid die, blijkens de feiten, geheel in het andere regime moet worden geplaatst.

6.2. De brief (2.2.1.) en de uitnodiging tot betaling (2.2.2.)

6.2.1. Bij de onderhavige heffing van tabaksaccijns heeft de hiervoor genoemde – niet geoorloofde – verwisseling van heffingsinstrumenten plaatsgevonden. De sub 2.2.1. geciteerde brief, waarin van ‘naheffing’ wordt gesproken, kan de inspecteur niet baten, nu hij de uitnodiging tot betaling in stand heeft gelaten en niet heeft vervangen door een - in casu geboden – naheffingsaanslag.

6.2.2. Ook het beroep op artikel 6:22 van de Awb faalt, aangezien de keuze van een verkeerd heffingsinstrument van een andere orde is dan de schending van een vormvoorschrift.

6.3. Conclusie

Uit het vorenstaande volgt dat de uitnodiging tot betaling niet in stand kan blijven, en dat de Douanekamer aan het geschil ten principale niet toekomt.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 2 (beroepschrift en verschijnen ter zitting) x 1,5 (gewicht) x € 322 = € 966.

8. De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, alsmede de litigieuze uitnodiging tot betaling;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot € 966, aan belanghebbende te voldoen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan het griffierecht ad € 136 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 24 april 2007 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, en mrs. A. Bijlsma en J.J.A.M. Kennis, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de indiener de Hoge Raad verzoeken de wederpartij te veroordelen tot betaling van de proceskosten.