Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4513

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
451/2007
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van ABN AMRO Holding N.V. en ABN AMRO Bank N.V. tot verduidelijken en zo nodig wijzigen of aanpassen van het dictum van de eerder door de Ondernemingskamer in deze procedure gewezen beschikking wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 344
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2007, 61
RF 2007, 46
RO 2007, 53
ARO 2007, 79
Ondernemingsrecht 2007, 103 met annotatie van M.J. van Ginneken
JRV 2007, 354
JOR 2007/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING van 4 mei 2007 in de zaak met rekestnummer 451/2007 OK van

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING VAN EFFECTENBEZITTERS,

gevestigd te Den Haag,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

P. SCHOENFELD ASSET MANAGEMENT LIMITED LIABILITY COMPANY,

gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,

3. J.T.M. DE LAAT,

wonende te Lage Mierde,

4. J.F. VAN DER STEENE,

wonende te Rotterdam,

5. J.D. STENEKER,

wonende te Gorredijk,

6. J.A. DE VRIES,

wonende te Groningen,

VERZOEKERS,

advocaat: MR. J.H. LEMSTRA,

procureur: MR. P.N. VAN REGTEREN ALTENA,

t e g e n

1. de naamloze vennootschap

ABN AMRO HOLDING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTERS,

advocaten: MR. P.D. OLDEN, MR. J.D. KLEYN, MR. J.L. BURGGRAAF en MR. G. TE WINKEL,

procureur: MR. P.D. OLDEN,

e n t e g e n

de rechtspersoon naar het recht van Delaware (Verenigde Staten van Amerika)

BANK OF AMERICA CORPORATION,

gevestigd te Charlotte, North Carolina, Verenigde Staten van Amerika,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: MR. H.A. DE SAVORNIN LOHMAN en MR. W.S. VLETTER,

procureur: MR. H.A. DE SAVORNIN LOHMAN,

e n t e g e n

de rechtspersoon naar het recht van Engeland en Wales

BARCLAYS PLC,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: MR. D.J. ORANJE en MR. J.F. OUWEHAND,

procureur: MR. D.J. ORANJE,

e n t e g e n

1. de rechtspersoon naar het recht van Schotland

THE ROYAL BANK OF SCOTLAND GROUP PLC,

gevestigd te Edinburgh, Verenigd Koninkrijk,

2. de naamloze vennootschap

FORTIS N.V.,

gevestigd te Utrecht,

3. de naamloze vennootschap naar het recht van Belgiƫ

FORTIS S.A./N.V.,

gevestigd te Brussel,

4. de rechtspersoon naar het recht van Spanje

BANCO SANTANDER CENTRAL HISPANO S.A.,

gevestigd te Santander, Spanje,

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: MR. R.M. HERMANS en MR. H.J. DE KLUIVER,

procureur: MR. R.M. HERMANS.

1. Het verloop van het geding

1.1 De Ondernemingskamer verwijst wat het verloop van het geding betreft in de eerste plaats naar haar beschikking in deze zaak van 3 mei 2007.

1.2 ABN AMRO Holding N.V. (hierna ABN AMRO Holding te noemen) en ABN AMRO Bank N.V. (hierna ABN AMRO Bank te noemen) hebben bij op 3 mei 2007 te 23.23 uur per e-mail ten huize van de voorzitter van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift de Ondernemingskamer verzocht het dictum van haar genoemde beschikking van 3 mei 2007 te verduidelijken en zo nodig te wijzigen of aan te passen "zodanig dat het antwoord op de (...) onder 4. [van het verzoekschrift; Ondernemingskamer] opgeworpen vraag uit het dictum blijkt".

1.3 De andere bij de onderhavige zaak betrokken partijen is op 4 mei 2007 (per e-mail) verzocht (kort) hun standpunt ten aanzien van het verzoek kenbaar te maken, van welke gelegenheid zij gebruik hebben gemaakt.

1.4 ABN AMRO Holding en ABN AMRO Bank hebben daarop de Ondernemingskamer (telefonisch en per e-mail) verzocht op het onderhavige verzoek te beslissen - naar de Ondernemingskamer begrijpt - zonder dat het verzoek ter openbare terechtzitting wordt behandeld en zonder dat de andere bij de onderhavige zaak betrokken partijen in de gelegenheid zijn (nader) verweer te voeren tegen het verzoek. De andere partijen hebben, desgevraagd, met dat verzoek uitdrukkelijk ingestemd.

2. De gronden van de beslissing

2.1 Het hiervoor bedoelde onderdeel 4. van het verzoekschrift houdt in:

Het is voor ABN AMRO (..) van zeer groot belang dat ABN AMRO duidelijkheid verkrijgt ten aanzien van de vraag of het uitvoeren van de "go-shop-bepaling", zoals geformuleerd in onder andere artikel 5.3 van de Koopovereenkomst ook dan door het in de Beschikking neergelegde verbod wordt getroffen, indien de onder deze bepaling eventueel te sluiten Alternative Acquisition Agreement, zoals gedefinieerd in de Koopovereenkomst, wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat goedkeuring zal zijn verkregen van de (buitengewone) algemene vergadering van aandeelhouders van ABN AMRO Holding N.V.

2.2 Het ligt reeds op zichzelf niet voor de hand aan te nemen en in wettelijke bepalingen of in het stelsel van de wet is ook geen aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat het de rechter vrij staat zijn eigen beslissing te verduidelijken en zo nodig te wijzigen of aan te passen in verband met de omstandigheid dat omtrent de precieze betekenis van die uitspraak in verband met een specifieke vraag bij een of meer partij(en) in het geding waarin de uitspraak is gevallen onduidelijkheid bestaat. Een andere opvatting zou bovendien tot bepaald onwenselijke gevolgen (kunnen) leiden. Slechts in het kader van een eventueel executiegeschil kan de uitleg van een rechterlijke beslissing aan de orde worden gesteld.

2.3 Omtrent het vorenoverwogene kan niet anders worden geoordeeld op grond van de door ABN AMRO Holding en ABN AMRO Bank in haar verzoekschrift genoemde wettelijke bepalingen. Er is immers in de beschikking van 3 mei 2007 geen sprake van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of van een verzuim te beslissen over een onderdeel van het verzochte als bedoeld in artikel 32 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Evenmin kan het onderhavige verzoek worden gekwalificeerd als - in het midden gelaten dat een zodanig verzoek dient te zijn opgenomen in een verweerschrift tegen het verzoek van een andere partij - een zelfstandig verzoek als bedoeld in artikel 282 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ten slotte gaat het in het verzoekschrift niet om een verzoek tot het regelen van de gevolgen van een getroffen voorziening als bedoeld in artikel 2:357 lid 2 (de Ondernemingkamer beschouwt de vermelding van lid 1 in het verzoekschrift als een kennelijke verschrijving) BW.

2.4 Het beroep van ABN AMRO Holding en ABN AMRO Bank op de beschikking van de Ondernemingskamer van 8 oktober 1981 in de zaak met rekestnummer 17/1981 OK faalt eveneens, nu daarin slechts de - overigens voor zich sprekende bevestigend te beantwoorden en beantwoorde - vraag aan de orde was of op de voet van artikel 2:356 BW getroffen voorzieningen voor wijziging vatbaar zijn.

2.5 Het verzoek van ABN AMRO Holding en ABN AMRO Bank dient derhalve te worden afgewezen.

2.6 De Ondernemingskamer acht termen aanwezig de kosten van het geding te compenseren zoals hierna te vermelden.

4. De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst het verzoek van ABN AMRO Holding N.V. en ABN AMRO Bank N.V. af;

compenseert de kosten van het geding tussen partijen aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Willems, voorzitter, mr. Faase en mr. Van Loon, raadsheren, mr. Rongen en drs. Baart RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. Van Hassel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 4 mei 2007.

coll.:

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.