Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA2334

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2007
Datum publicatie
05-04-2007
Zaaknummer
1659/06 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klager heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de financiële stukken die in de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn ingebracht, afkomstig zijn van het notariskantoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 29 maart 2007 in de zaak onder rekestnummer 1659/06 NOT van:

[X],

wonende te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

MR. [Z],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Door appellant, verder te noemen klager, is bij een op 3 november 2006 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem, verder te noemen de kamer, van 12 oktober 2006, waarbij het verzet van klager tegen de beslissing van 9 mei 2006 van de plaatsvervangend voorzitter van de kamer gegrond is verklaard en de klacht gericht tegen geïntimeerde, hierna te noemen de notaris, ongegrond is verklaard.

1.2. Op 6 december 2006 is van de zijde van klager een aanvullend verzoekschrift ter griffie van het hof ingekomen

1.3. Van de zijde van de notaris is op 20 december 2006 een brief ter griffie van het hof ingekomen, waarin de notaris heeft medegedeeld dat hij niets heeft toe te voegen aan de uitspraak van de kamer en de daaraan ten grondslag liggende stukken. Op deze brief is door klager bij brief van 30 januari 2007 gereageerd.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 8 februari 2007. Klager en de notaris zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

Klager verwijt de notaris dat zijn klerk H.J. [A], verder te noemen: [A], financiële stukken in een procedure bij de Raad van State heeft ingebracht, die afkomstig moeten zijn geweest van het kantoor van de notaris. De stukken moeten zijn gekomen uit het boedeldossier van de overleden broer van klager en kunnen nergens anders worden opgevraagd. Mocht dit niet zo zijn, dan wenst klager een verklaring van de notaris waar deze stukken dan wel vandaan komen.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris heeft de stellingen van klager betwist en verweert zich als volgt.

5.2. De notaris heeft betoogd dat de litigieuze stukken niet van zijn kantoor afkomstig kunnen zijn omdat de op de stukken aanwezige kopiestempel niet op zijn kantoor in gebruik is geweest. Bovendien heeft de notaris naar voren gebracht dat de stukken voornoemd zich niet in het boedeldossier van de broer van klager bevinden en dat de daarin wel aanwezige balans verschilt van de balans die volgens klager door [A] in bedoelde procedure bij de Raad van State is overgelegd.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen omtrent de klacht dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.2. Het hof voegt daar aan toe dat, zelfs al zou vast zijn komen te staan dat [A] de stukken uit het boedeldossier van de overleden broer van klager zou hebben gebruikt, dit niet tot gegrondverklaring van de klacht zou kunnen leiden, nu gesteld noch gebleken is dat de notaris zelf ter zake enig tuchtrechtelijk relevant handelen of nalaten verweten kan worden.

6.3. Voor zover klager het hof verzoekt om vergoeding van de gemaakte kosten en een vergoeding van de door hem geleden schade, zal het hof dit verzoek passeren omdat de Wet op het notarisambt hierin niet voorziet.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.5. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, P.J.N. van Os en F.A.A.Duynstee en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 29 maart 2007 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE ARNHEM

Kenmerk: 07.831/2006/222

Beslissing van de Kamer van Toezicht te Arnhem in de verzetzaak van:

[X],

wonende te [plaats],

klager

tegen

[Z],

notaris te [plaats].

Het verloop van de procedure.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- de klacht met bijlagen van klager van 9 december 2005, ingekomen op 22 december 2005 bij de Kamer van Toezicht te Zutphen, gericht tegen notaris mr. [Z], verder te noemen mr. [Z];

- de beslissing van de president van het gerechtshof te Amsterdam van 3 januari 2006, waarbij de Kamer van Toezicht te Arnhem wordt belast met de behandeling van de klacht van klager;

- de brief van de plv. secretaris van de Kamer van Toezicht te Arnhem van 6 januari 2006;

- de brief van klager van 16 januari 2006;

- de brief met bijlagen van mr. [Z] van 25 januari 2006 als reactie op de klacht;

- de brief met bijlagen van M. Leerling namens klager van 9 februari 2006, als reactie op de brief van mr. [Z] van 25 januari 2006;

- de brief van de plv. secretaris van de Kamer van Toezicht te Arnhem van 17 februari 2006 aan klager;

- de brief van klager van 15 februari 2006;

- de brief met bijlage van mr. [Z] van 13 maart 2006;

- de beslissing van plv. voorzitter van de Kamer van Toezicht van 9 mei 2006, waarbij de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard;

- de brief van klager van 18 mei 2006, waarin verzet wordt aangetekend tegen de beslissing van de plv. voorzitter van de Kamer van Toezicht van 9 mei 2006;

- de brief van de notaris van 7 juni 2006.

Het verzet is vervolgens behandeld op de openbare zitting van de Kamer van Toezicht van 11 september 2006. Na daartoe te zijn opgeroepen zijn klager en de notaris verschenen.

De feiten.

In het verleden heeft de buurman van klager, H.J. [A] (hierna: [A]), het gemeentebestuur van [plaats] verzocht handhavende maatregelen te treffen tegen het agrarische bedrijf van klager en zijn broer, H. [X], wegens het ontbreken van een toereikende milieuvergunning. Deze procedure heeft zich tot aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voltrokken. Bij aanvullend beroepschrift van 9 juli 2002 heeft [A], via tussenkomst van zijn advocaat, in deze procedure een aantal financiële stukken met betrekking tot het agrarisch bedrijf van klager en zijn broer ingebracht. Deze stukken zijn opgemaakt door het Administratiecentrum Heerde B.V..

[A] was en is werkzaam als notarisklerk bij het notariskantoor [Z] en [B] te [plaats].

Het verzet en het verweer daartegen.

Klager is bij brief van 18 mei 2006 in verzet gekomen tegen de beslissing van de plv. voorzitter van de Kamer van Toezicht van 9 mei 2006. In deze beslissing heeft de plv. voorzitter de klacht van klager, gelet op de verjaringstermijn als neergelegd in artikel 99, twaalfde lid van de Wet op het notarisambt (Wna), kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de plv. voorzitter ten overvloede overwogen dat de klacht (inhoudelijk) ongegrond is.

Klager heeft zich in zijn verzet op het standpunt gesteld dat hij binnen drie jaar nadat hij van het gestelde onzorgvuldige handelen van de notaris heeft kennisgenomen zijn klacht heeft ingediend. Klager is dan ook van oordeel dat de plv. voorzitter zijn klacht ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Met betrekking tot de inhoud van de klacht stelt klager zich op het standpunt dat de door de heer [A] in de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingebrachte financiële stukken afkomstig moeten zijn geweest van het notariskantoor [Z] en [B]. De stukken bevinden zich, naar klager stelt, bij dat kantoor en zijn afkomstig uit het boedeldossier van zijn broer. De stukken zijn nergens anders op te vragen, aldus klager. [A], die als notarisklerk bij dit notariskantoor werkzaam was, heeft deze stukken zonder toestemming en medeweten van klager in genoemde procedure tegen de gemeente [plaats] ingebracht. Klager acht deze gang van zaken klachtwaardig.

Mr. [Z] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij betwist dat de stukken afkomstig zijn van zijn notariskantoor. Mr. [Z] stelt daartoe dat de op de stukken aanwezige “kopiestempel” nooit door het notariskantoor is gebruikt. Voorts bevinden de stukken van het Administratiecentrum Heerde B.V. zich ook niet in het boedeldossier van de broer van klager, zoals dit bij het notariskantoor van mr. [Z] aanwezig is. Ook de aan de aangifte voor het recht van successie gehechte balans per 1 januari 1988 verschilt van de balans per 31 december 1987 van het Administratiecentrum Heerde B.V., die is gevoegd bij de door klager overgelegde stukken, aldus mr. [Z].

De beoordeling van het verzet.

Ingevolge het bepaalde in artikel 99, twaalfde lid, van de Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen.

De Kamer is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting van 11 september 2006 met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld op welk moment klager op de hoogte is geraakt van het (gestelde) klachtwaardige handelen van de notaris. Gelet hierop kan dan ook niet worden vastgesteld of klager de verjaringstermijn heeft overschreden. De Kamer gaat er dan ook gevoeglijk van uit dat klager zijn klacht tijdig heeft ingediend. Het verzet tegen de niet-ontvankelijkheid is dus gegrond en de Kamer zal de klacht inhoudelijk beoordelen.

De beoordeling van de klacht.

Ingevolge artikel 98, eerste lid, van de Wna zijn notarissen aan het tuchtrecht onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij de zorg die zij als notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De Kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

De Kamer overweegt als volgt. De Kamer is van oordeel dat klager onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële stukken die op 9 juli 2002 in de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State door [A] zijn ingebracht, afkomstig zijn van het notariskantoor van mr. [Z]. Klager heeft geen (bewijs)stukken overgelegd waaruit afgeleid kan worden dat de stukken afkomstig moeten zijn geweest van het notariskantoor van mr. [Z]. De enkele stelling van klager dat de stukken zich daar bevonden en nergens anders op te vragen zijn, is onvoldoende. Daartegenover staat immers het verweer van mr. [Z] dat de stukken niet van zijn notariskantoor afkomstig zijn. Mr. [Z] heeft daarnaast gesteld dat hij contact heeft gehad met [A] en hem heeft gevraagd of de stukken van zijn notariskantoor afkomstig zijn. [A] heeft daarop ontkennend geantwoord, aldus mr. [Z]. In dit verband heeft mr. [Z] bij zijn brief van 13 maart 2006 een verklaring van [A] overgelegd waarin [A] het volgende verklaart:

“Bij het namens de ondergetekende bij de Raad van State ingediende aanvullende beroepschrift d.d. 9 juli 2002 is gevoegd een kopie van de jaarrekening van de gebroeders [X] over het jaar 1987.

De ondergetekende heeft genoemd kopie niet verkregen uit de archieven van notariskantoor [Z] en [B], doch op andere wijze.”

Gelet op het voorgaande is de Kamer van oordeel dat niet is gebleken dat de notaris onzorgvuldig heeft gehandeld.

De beslissing.

De Kamer van Toezicht:

verklaart het verzet gegrond,

verklaart de klacht tegen notaris mr. [Z] ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.P.M. Kester, plv. voorzitter, mr. H. Quispel, lid, mr. W.H. van Empel, mr. T.K. Lekkerkerker en mr. A.J.V. Tierolff, plv. leden en in tegenwoordigheid van mr. W.E.M. van Erp, plv. secretaris, uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2006.

De plv. secretaris De plv. voorzitter

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE ARNHEM

Kenmerk: 07.831/2006/222

Beslissing van de voorzitter van de Kamer van Toezicht te Arnhem op de klacht van

[X],

wonende te [plaats],

klager

tegen

mr. [Z],

notaris te [plaats].

De procedure.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- de klacht met bijlagen van klager van 9 december 2005, ingekomen op 22 december 2005 bij de Kamer van Toezicht te Zutphen, gericht tegen notaris mr. [Z], verder te noemen mr. [Z];

- de beslissing van de president van het gerechtshof te Amsterdam van 3 januari 2006, waarbij de Kamer van Toezicht te Arnhem wordt belast met de behandeling van de klacht van klager;

- de brief van de plv. secretaris van de Kamer van Toezicht te Arnhem van 6 januari 2006;

- de brief van klager van 16 januari 2006;

- de brief met bijlagen van mr. [Z] van 25 januari 2006 als reactie op de klacht;

- de brief met bijlagen van M. Leerling namens klager van 9 februari 2006, als reactie op de brief van mr. [Z] van 25 januari 2006;

- de brief van de plv. secretaris van de Kamer van Toezicht te Arnhem van 17 februari 2006 aan klager;

- de brief van klager van 15 februari 2006;

- de brief met bijlage van mr. [Z] van 13 maart 2006.

De feiten.

In het verleden heeft de buurman van klager, de heer H.J. [A], het gemeentebestuur van [plaats] verzocht handhavende maatregelen te treffen tegen het agrarische bedrijf van klager en zijn broer, de heer H. [X], wegens het ontbreken van een toereikende milieuvergunning. Deze procedure heeft zich tot aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voltrokken. Bij aanvullend beroepschrift van 9 juli 2002 heeft de heer H.J. [A], via tussenkomst van zijn advocaat, in deze procedure een aantal financiële stukken met betrekking tot het agrarisch bedrijf van klager en zijn broer ingebracht. Deze stukken zijn opgemaakt door het Administratiecentrum Heerde B.V..

De heer H.J. [A] was destijds werkzaam als notarisklerk bij het notariskantoor [Z] en [B] te [plaats].

De klacht en het verweer daartegen.

Klager klaagt erover dat het vertrouwen dat hij en zijn broer H. [X] het notariskantoor [Z] en [B] hadden gegeven, is geschonden en misbruikt. Daartoe stelt klager dat de door de heer [A] in de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingebrachte financiële stukken afkomstig moeten zijn geweest van het notariskantoor [Z] en [B]. De stukken bevinden zich, naar klager stelt, bij dat kantoor en zijn afkomstig uit het boedeldossier van zijn broer. De stukken zijn nergens anders op te vragen, aldus klager. De heer [A], die als notarisklerk bij dit notariskantoor werkzaam was, heeft deze stukken zonder toestemming en medeweten van klager in genoemde procedure tegen de gemeente [plaats] ingebracht. Klager acht deze gang van zaken klachtwaardig.

Indien genoemde financiële stukken niet afkomstig zijn van het notariskantoor [Z] en [B], wenst klager een verklaring van mr. [Z] waar deze stukken dan wel vandaan komen.

Mr. [Z] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en zich daarbij primair op het standpunt gesteld dat de klacht niet-ontvankelijk is gelet op de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt (Wna). Subsidiair heeft mr. [Z] zich op het standpunt gesteld dat de stukken niet afkomstig zijn van zijn notariskantoor. Mr. [Z] stelt daartoe dat de op de stukken aanwezige “kopiestempel” nooit door het notariskantoor is gebruikt. Voorts bevinden de stukken van het Administratiecentrum Heerde B.V. zich ook niet in het boedeldossier van de broer van klager, zoals dit bij de mr. [Z] aanwezig is. Ook de aan de aangifte voor het recht van successie gehechte balans per 1 januari 1988 verschilt van de balans per 31 december 1987 van het Administratiecentrum Heerde B.V., die is gevoegd bij de door klager overgelegde stukken, aldus mr. [Z].

De beoordeling van de klacht.

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 99 lid 2 van de Wna is de voorzitter van de Kamer bevoegd na een summier onderzoek de klacht terstond bij een met redenen omklede beslissing af te wijzen indien hij van oordeel is dat de klacht kennelijk niet ontvankelijk, dan wel kennelijk ongegrond is of van onvoldoende gewicht.

2. Ingevolge het bepaalde in artikel 99 lid 12 van de Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen.

3. De voorzitter overweegt in verband met die bepalingen het volgende. De bewuste stukken zijn op 9 juli 2002 door de heer [A] bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het geding gebracht. Naar mag worden aangenomen zijn die stukken kort nadien ter beschikking van klager gesteld en heeft hij ervan kennis kunnen nemen. Dat dit anders is geweest is niet gebleken. Gegeven de omstandigheid dat klager kort na 9 juli 2002 wist dat de bewuste stukken bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waren ingebracht, had klager vanaf dat moment zijn verwijt aan het adres van mr. [Z] kunnen formuleren en een klacht bij de Kamer kunnen indienen. Nu klager zijn klacht pas op 22 december 2005 bij de Kamer van Toezicht te Zutphen heeft ingediend, moet de hiervoor onder 2. genoemde termijn van drie jaren als verstreken worden beschouwd. Dit betekent dat de klacht van klager als niet ontvankelijk moet worden afgewezen.

4. Maar ook als dit niet het geval zou zijn geweest kan de klacht niet slagen. De voorzitter overweegt daartoe het volgende. Klager heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de stukken die op 9 juli 2002 in de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State door de heer [A] zijn ingebracht, afkomstig zijn van het notariskantoor van mr. [Z]. De enkele stelling van klager dat de stukken zich daar bevonden en nergens anders op te vragen zijn, is daartoe onvoldoende. Daartegenover staat immers de stelling van mr. [Z] dat de stukken niet van zijn notariskantoor afkomstig zijn. Mr. [Z] stelt daartoe dat de op de stukken aanwezig kopiestempel niet door zijn notariskantoor is gebruikt, dat de financiële stukken zich niet bevinden in het boedeldossier van de broer van klager en dat de balans gehecht aan de successieaangifte verschilt van de balans die is overgelegd in genoemde procedure.

Daarnaast heeft mr. [Z] bij zijn brief van 13 maart 2006 een verklaring van de heer [A] overgelegd waarin de heer [A] het volgende verklaart:

“Bij het namens de ondergetekende bij de Raad van State ingediende aanvullende beroepschrift d.d. 9 juli 2002 is gevoegd een kopie van de jaarrekening van de gebroeders [X] over het jaar 1987.

De ondergetekende heeft genoemd kopie niet verkregen uit de archieven van notariskantoor [Z] en [B], doch op andere wijze.”

5. Gelet op het verweer van mr. [Z] en de daarbij overgelegde verklaring van de heer [A] is de voorzitter van oordeel dat geenszins aannemelijk is gemaakt dat de door de heer [A] in de procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ingediende financiële stukken afkomstig zijn van het notariskantoor van mr. [Z]. Derhalve is niet gebleken dat de notaris onzorgvuldig heeft gehandeld.

6. Voor zover klager een verklaring wenst van mr. [Z] waaruit blijkt waar de stukken, indien deze niet van het notariskantoor van mr. [Z] afkomstig zijn, dan wel vandaan komen, merkt de voorzitter op dat een dergelijke verklaring niet door tussenkomst van de Kamer van Toezicht kan worden verkregen.

De beslissing.

De voorzitter van de Kamer van Toezicht

verklaart de klacht tegen notaris mr. [Z] kennelijk niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek, plaatsvervangend voorzitter, op 9 mei 2006.