Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BA2016

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
1363/06 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 99 lid 12 Wet op het notarisambt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2007, 69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 15 maart 2007 in de zaak onder rekestnummer 1363/06 NOT van:

[X],

wonende te [plaats],

APPELLANT,

gemachtigde: W. de Ruyter,

t e g e n

MR. [Y],

notaris te [plaats],

MR. [Z],

oud-notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDEN,

gemachtigde: mr. S. Colsen.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 1 september 2006 ingekomen een verzoekschrift – met bijlagen - namens appellant, verder te noemen klager, waarbij hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Gravenhage, verder te noemen de kamer, van 2 augustus 2006, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerden, verder te noemen de notarissen, niet ontvankelijk is verklaard.

1.2. Uit naam van de notarissen is een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen op 5 oktober 2006.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 januari 2007. Klager, de gemachtigde van klager en de notarissen en hun gemachtigde zijn verschenen. Zij hebben allen het woord gevoerd. Zowel klager als de gemachtigde van de notarissen heeft een pleitnota overgelegd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie als ook van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

De klacht valt uiteen in twee onderdelen.

1. Klager verwijt de oud-notaris dat hij klager bij het opstellen van de huwelijksvoorwaarden onvoldoende heeft ingelicht over de gevolgen van de huwelijksvoorwaarden, met name van het daarin opgenomen Amsterdams verrekenbeding. Klager stelt dat hij er altijd van uitgegaan is dat de woning op naam van zijn (ex-) vrouw was “geparkeerd” en de zaak op zijn naam.

2. Klager verwijt beide notarissen dat zij klager als vaste cliënt van het notariskantoor na het passeren van de akte van huwelijksvoorwaarden bij verschillende gelegenheden waarbij de notarissen hem hun diensten hebben verleend, niet op de hoogte hebben gehouden van ontwikkelingen in de jurisprudentie die van belang zouden kunnen zijn voor de uitleg en het effect van de huwelijksvoorwaarden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad - vanaf het arrest van 7 april 1995, NJ 1996, 486 – dient in geval van een Amsterdams verrekenbeding bij het einde van het huwelijk alsnog tot verrekening van het overgespaarde uit de inkomsten van iedere echtgenoot te worden overgegaan, indien zij tijdens hun huwelijk de periodieke verrekening daarvan hebben achterwege gelaten, èn dient in die verrekening te worden betrokken de vermogensvermeerdering die is ontstaan uit of door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar overdeeld gebleven.

In de huwelijksvoorwaarden, in 1993 verleden voor de oud-notaris, zijn klager en zijn echtgenote echter uitgegaan van de verrekening van slechts de bespaarde inkomsten. Een deling van de vermogensvermeerdering heeft bij het opstellen van deze huwelijksvoorwaarden niet in de bedoeling van de echtgenoten gelegen. In de transactie in 1994 van de aandelen was een clausule opgenomen, opdat klagers echtgenote noch haar familie aanspraak zou kunnen maken op het leiderschap van [A] B.V. of het vermogen van klager. Ook hieruit kon blijken dat het niet klagers bedoeling is geweest zijn vermogen met zijn echtgenote te delen.

De notarissen hebben nagelaten om klager over deze jurisprudentie en de gevolgen daarvan voor hem in te lichten. Indien zij dat wel hadden gedaan, had klager tijdens het huwelijk in overleg met zijn toenmalige echtgenote de huwelijksvoorwaarden nog waar nodig kunnen aanpassen.

5. Het standpunt van de notarissen

5.1. De notarissen hebben naar voren gebracht dat klager niet ontvankelijk is in zijn klacht. De akte huwelijksvoorwaarden is op 15 juni 1993 verleden. Klager was in ieder geval in het jaar 2001 reeds op de hoogte van de gevolgen van het verrekenbeding, terwijl hij pas in 2005 zijn klacht heeft ingediend.

5.2. Daarnaast hebben de notarissen aangegeven dat de oud-notaris voorafgaand aan het passeren van de akte expliciet erop heeft gewezen dat ingevolge de huwelijksvoorwaarden aan het eind van ieder jaar diende te worden afgerekend. Ook hebben de notarissen onder meer betoogd dat op de notarissen niet de verplichting rust om klager op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in de jurisprudentie en wetgeving ten aanzien van de uitleg en het effect van de huwelijksvoorwaarden welke klager overigens niet eenzijdig, zonder de medewerking van zijn toenmalige echtgenote, had kunnen doen veranderen.

6. De beoordeling

6.1. Het hof kan zich niet verenigen met hetgeen de kamer in de bestreden beslissing bij de beoordeling van de klacht ten overvloede onder 4. heeft overwogen.

Voor het overige heeft het onderzoek in hoger beroep naar het oordeel van het hof niet geleid tot de vaststelling van andere feiten dan wel tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen ten aanzien van de klacht, dan die vervat in de beslissing van de kamer waarmee het hof zich in zoverre geheel verenigt.

Een eventueel verzuim van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie of de kamer om klager te wijzen op de termijn bedoeld in artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt – zoals door klager betoogd – doet aan het hiervoor overwogene niet af.

6.2. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.3. Het voorgaande leidt daarom tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, J.C.W. Rang en F.A.A. Duynstee en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 15 maart 2007 door de rolraadsheer.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen ’s­Gravenhage

Beslissing van 2 augustus 2006 inzake de klacht onder nummer 05-38 van:

[X],

hierna ook te noemen klager,

gemachtigde W. de Ruyter,

tegen

1. mr. [Z],

oud­notaris, voorheen gevestigd te [plaats],

hierna ook te noemen notaris [Z],

en

2. mr. [Y],

notaris te [plaats],

hierna ook te noemen notaris [Y],

advocaat mr. M. Groen.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

? de klacht, met bijlagen, ingekomen op 22 november 2005;

? het antwoord van 20 februari 2006, met bijlagen, van de notarissen;

? de repliek van 10 maart 2006, met bijlagen, van klager;

? de dupliek van 4 april 2006 van de notarissen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juni 2006. Daarbij waren aanwezig de klager met zijn gemachtigde, alsmede de notarissen [Z] en [Y] met hun advocaat. De gemachtigde en de advocaat hebben tijdens de mondelinge behandeling gepleit volgens hun in kopie aan deze beslissing gehechte pleitaantekeningen.

De feiten

1. Op 15 juni 1993 is ten overstaan van notaris [Z] de akte van huwelijkse voorwaarden verleden tussen klager en zijn toenmalige echtgenote [B]. In de voorwaarden is een zogenaamd Amsterdams verrekenbeding opgenomen. Artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden luidt als volgt:

“De echtgenoten zijn verplicht elk jaar een staat van afrekening op te maken en beiden te ondertekenen, waaruit blijkt hoeveel de inkomsten en uitgaven als bedoeld in artikel 2 in het vorige kalenderjaar hebben bedragen en daarbij eventueel te verrekenen hetgeen door de ene echtgenoot overeenkomstig de in artikel 2 gemaakte regeling aan de andere echtgenoot moet worden vergoed. Niet opmaking van deze staat van afrekening is niet van invloed op de verplichting om het restant van de in artikel 2 bedoelde inkomsten in helfte te delen of in de daar bedoelde kosten en schulden uit het vermogen bij te dragen.”

Deze verrekening heeft in werkelijkheid nooit plaatsgevonden.

2. Op 15 juli 1994 is ten overstaan van notaris [Y] de akte verleden tot levering van aandelen door Liften­ en Machinefabriek [X] B.V. [op naam van de vader van klager] aan [A] B.V., een door klager opgerichte vennootschap, waarvan hij alle aandelen hield.

3. De kantoren van de notarissen [Z] en [Y] zijn in 1995 gefuseerd.

4. Op 1 februari 1996 zijn ten overstaan van notaris [Z] mede ten behoeve van klager de akten verleden tot levering van de woning aan de [adres] respectievelijk van de woning aan de [adres].

5. In september/oktober 1999 is ten overstaan van notaris [Y] ten behoeve van klager de akte verleden van een gewijzigd testament.

6. Vanaf mei 2000 tot eind december 2003 zijn de belangen van klager behartigd door een advocaat.

7. Toenmalig notaris [Z] is op 22 februari 2002 gedefungeerd.

8. Het huwelijk van klager en voormelde [B] is ontbonden door inschrijving op 1 mei 2003 van de echtscheidingsbeschikking. De gewezen echtgenoten hebben op 29 september 2004 ter comparitie voor de rechtbank ’s­Gravenhage bij wijze van schikking de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld. Onderdeel van de afwikkeling zijn ook de op naam van klager staande aandelen in [A] B.V. geweest.

De klacht

De klacht valt uiteen in twee onderdelen.

1. Klager verwijt notaris [Z] dat hij klager bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden onvoldoende heeft ingelicht over de gevolgen van de huwelijkse voorwaarden, met name van het daarin opgenomen Amsterdams verrekenbeding. Klager stelt dat hij er altijd van uitgegaan is dat de woning op naam van zijn [ex­]vrouw was “geparkeerd” en de zaak op zijn naam.

2. Klager verwijt beide notarissen dat zij klager als vaste cliënt van het notariskantoor na het passeren van de akte van huwelijkse voorwaarden bij verschillende gelegenheden waarbij de notarissen hem hun diensten hebben verleend, niet op de hoogte hebben gehouden van ontwikkelingen in de jurisprudentie die van belang zouden kunnen zijn voor de uitleg en het effect van de huwelijkse voorwaarden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ­ vanaf het arrest van 7 april 1995, NJ 1996, 486 ­ dient in geval van een Amsterdams verrekenbeding bij het einde van het huwelijk alsnog tot verrekening van het overgespaarde uit de inkomsten van iedere echtgenoot te worden overgegaan, indien zij tijdens hun huwelijk de periodieke verrekening daarvan hebben achterwege gelaten, én dient in die verrekening te worden betrokken de vermogensvermeerdering die is ontstaan uit of door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar onverdeeld gebleven.

In de huwelijkse voorwaarden in 1993 verleden voor notaris [Z] zijn klager en zijn echtgenote echter uitgegaan van de verrekening van slechts de bespaarde inkomsten. Een deling van de vermogensvermeerdering heeft bij het opstellen van deze huwelijkse voorwaarden niet in de bedoeling van de echtgenoten gelegen. In de transactie in 1994 van de aandelen was een clausule opgenomen, opdat klagers echtgenote noch haar familie aanspraak zou kunnen maken op het leiderschap van de [A] B.V. of het vermogen van klager. Ook hieruit kon blijken dat het niet klagers bedoeling is geweest zijn vermogen met zijn echtgenote te delen.

De notarissen hebben nagelaten om klager over deze jurisprudentie en de gevolgen daarvan voor hem in te lichten. Indien zij dat wel hadden gedaan, had klager tijdens het huwelijk in overleg met zijn toenmalige echtgenote de huwelijkse voorwaarden nog waar nodig kunnen aanpassen.

Het verweer

De notarissen hebben gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna ­ voor zover nodig ­ zal worden besproken.

De beoordeling van de klacht

1. De vraag waarvoor de Kamer zich allereerst gesteld ziet is of, en zo ja in hoeverre, klager kan worden ontvangen in zijn klacht. Daarbij dient de Kamer ambtshalve de ontvankelijkheid te beoordelen aan de hand van het bepaalde in artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt [Wna]. Ingevolge artikel 99 lid 12 Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende een vervaltermijn van drie jaren na de dag waarop de tot de klacht gerechtigde heeft kennisgenomen van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. De Kamer overweegt daarbij in aansluiting op vaste jurisprudentie van de Notariskamer van het Gerechtshof te Amsterdam, dat voor de aanvang van de termijn genoemd in artikel 99 lid 12 Wna doorslaggevend is wanneer klager van het handelen of nalaten van de notaris kennis heeft genomen en niet wanneer hij tot de conclusie is gekomen dat dit handelen of nalaten onjuist is. Een vervaltermijn, ook deze, dient om degene die zich benadeeld acht een naar het oordeel van de wetgever redelijke maar beperkte termijn, in dit geval een termijn van drie jaren, te geven waarbinnen hij of zij gebruik kan maken van de daartoe geëigende rechtsgang.

De Kamer verwijst daarvoor bovendien naar de overweging van de staatssecretaris bij de invoering van deze bepaling [Kamerstukken II, 23 706, nr. 12, p. 46-47]:

“De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. Gezien het karakter van de procedure, waarbij elke klager zelf de procedure zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, acht ik een dergelijke termijn alleszins aanvaardbaar. De notaris moet ook niet in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen. Ik stel daarom voor in artikel 94[lees: 99], twaalfde lid te bepalen dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot de klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat­notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen (nota van wijziging, onderdeel QQ 4).”

De Wet op het notarisambt noch de jurisprudentie bieden derhalve grond en/of mogelijkheid om uitzondering[en] op de bepaling van artikel 99 lid 12 Wna te maken.

2. De klachtonderdelen 1 en 2 stuiten beide af op de vervaltermijn van artikel 99 lid 12 Wna. De verwijten betreffen louter ­ in de visie van klager ­ omissies van de notarissen in de periode vanaf 1993 tot en met 1999 die toen ook al kenbaar waren voor klager.

De klacht is daarom in beide onderdelen niet­ontvankelijk.

3. De Kamer heeft onder ogen gezien dat dit verval van het recht om te klagen voor klager mogelijk in zoverre onbillijk is, dat van hem verwacht wordt dat hij klaagt over enig nalaten van de notarissen terwijl hij niet wist [of kon weten] dat er een probleem zou zijn. Uit zijn eigen stellingen blijkt echter dat hij in 2001 wel op de hoogte was van het probleem met het verrekenbeding. Daarbij komt dat hij in de periode vanaf 2000 juridische bijstand had van een advocaat. Ook gerekend vanaf 2001 zijn er vóór de indiening van de klacht meer dan drie jaren verlopen, zodat het recht op klagen is vervallen ook als daarbij een latere aanvangstermijn voor de vervalperiode wordt gekozen.

4. De Kamer overweegt geheel ten overvloede, zij het summier, nog het volgende. Voor het geval dat zij inhoudelijk aan de behandeling van de klacht zou zijn toegekomen, is zij van oordeel dat de informatieplicht van een notaris niet zo ver gaat dat hij bij elke volgende transactie van een cliënt ­ in dit geval in 1996 [notaris [Z]] en in 1999 [notaris [Y]] ­ eerdere dossiers van die cliënt zou moeten lichten om na te gaan of en in hoeverre eventuele wijziging van de jurisprudentie van invloed zou kunnen zijn op de verhoudingen die bij die dossiers zijn betrokken. Aangenomen kan worden dat notaris [Z] klager expliciet op het Amsterdamse verrekenbeding heeft gewezen en dat klager toen kennelijk niet is ontgaan wat het betekent. Dat hij en zijn toenmalige echtgenote de bepalingen van dat beding nooit hebben nageleefd, moet voor hun [en dus ook voor zijn] risico komen.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart de klacht in beide onderdelen niet­ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mrs. H.F.M. Hofhuis, voorzitter, R. van der Galiën, R.A. Gallas, G.H.I.J. Hage en J.Z. Moree, en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. A. Saab, in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2006.

Afschrift van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan de notarissen en de klager gezonden.

Binnen dertig dagen na de dagtekening van de begeleidende brief kan ieder der partijen van deze beslissing in hoger beroep komen bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH AMSTERDAM.