Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ9928

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
05-03-2007
Zaaknummer
1215/2006 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het klachtonderdeel dat inhoudt dat de notaris in de declaratie van 4 april 2005 niet de werkzaamheden mocht betrekken waarvoor reeds op 11 december 1990 een - overigens onbetaald gebleven - declaratie werd verzonden, is gegrond. Het stond de notaris niet vrij voor deze werkzaamheden voor de tweede maal een declaratie uit te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 22 februari 2007 in de zaak onder rekestnummer 1215/2006 NOT van:

[naam].,

wonende te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

MR. [naam],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellant, verder te noemen klager, is bij een op 1 augustus 2006 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Dordrecht, verder te noemen de kamer, van 6 juli 2006, waarbij de klacht tegen geïntimeerde, hierna te noemen de notaris, deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk is verklaard, waarbij de kamer zich tevens onbevoegd heeft verklaard om te oordelen over de hoogte van de declaratie en het toekennen van een schadevergoeding.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 18 augustus 2006 een verweerschrift met bijlagen ingediend ter griffie van het hof.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 11 januari 2007. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, klager aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

4.1. Klager verwijt de notaris dat hij op 5 april 2004 een factuur aan de erven heeft gezonden voor werkzaamheden waartoe de erven geen opdracht hebben gegeven en die bovendien voor de erven van nul of generlei waarde zijn gebleken.

4.2. Voorts wordt de notaris verweten dat hij in strijd met de afspraak die is gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van het beroep met betrekking tot een eerder door klager tegen de notaris ingediende klacht bij het gerechtshof te Amsterdam in 1996, de betaling van de door hem verrichtte werkzaamheden niet collegiaal heeft geregeld met de boedelnotaris.

4.3. Ten slotte verzoekt klager het hof om de notaris te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding toe ad € 10.000,--.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris betwist de stellingen van klager gedeeltelijk en voert daartoe het volgende aan.

5.2. De aan de erven per adres de boedelnotaris [X] te [plaats] gezonden factuur van 5 april 2004 omvat tevens de declaratie van werkzaamheden verricht door de voorganger van de notaris, mr. [Y]. Na het defungeren van mr. [Y] is deze werkzaam gebleven als kandidaat-notaris op het kantoor van de notaris. In die hoedanigheid is hij - na bemiddeling van de kamer op verzoek van de erven (waarvan blijkt uit de brieven van de secretaris van de kamer van 1 februari 1994 en 29 september 1994) werkzaamheden blijven verrichten ten behoeve van de erven teneinde de boedelnotaris bij de afwikkeling van beide nalatenschappen bij te staan. Namens de erven is voorts door een broer van klager een verzoek tot matiging van de declaratie gedaan; hieruit leidt de notaris af dat de declaratie en de daarin begrepen verrichte werkzaamheden, zijn erkend door de erven.

5.3. Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel, het niet collegiaal regelen van de nota conform het bepaalde in de beslissing van het hof van 19 december 1996, wijst de notaris er op dat hij heeft getracht om tot een collegiale afwikkeling met de boedelnotaris mr. [X] te komen, maar dat deze niet bereid was de declaratie van de notaris te voldoen

6. De beoordeling

6.1. Voor zover klager heeft bedoeld te klagen over de kwaliteit van de werkzaamheden die zijn verricht in de periode van 1989 tot en met 1997 is klager - gelet op het bepaalde in artikel 99 lid 12 wet op het Notarisambt - niet ontvankelijk in zijn klacht, aangezien er meer dan drie jaren zijn verstreken tussen het verrichten van de laatste werkzaamheden door medewerkers van het kantoor van de notaris en/of de notaris in 1997 en het indienen van de klacht door klager op 10 februari 2006 .

6.2. Ten aanzien van het klachtonderdeel dat de notaris van de erven geen opdracht zou hebben gekregen voor het verrichten van de werkzaamheden waarvoor hij een declaratie heeft verzonden, volgt het hof de notaris in zijn verweer. Het hof is van oordeel dat uit de omstandigheden rond de overdracht van de dossiers, het aanblijven van de oud-notaris mr. [Y] als kandidaat-notaris op het kantoor van de notaris – mede ter afwikkeling van deze dossiers - en uit voormelde brieven van de kamer afgeleid kan worden dat de erven akkoord zijn gegaan met het blijven verrichten van werkzaamheden door de notaris, althans zijn medewerkers. In zoverre is de klacht ongegrond.

6.3. Het klachtonderdeel dat inhoudt dat de notaris in de declaratie van 4 april 2005 niet de werkzaamheden mocht betrekken waarvoor reeds op 11 december 1990 een - overigens onbetaald gebleven - declaratie werd verzonden, is gegrond. Het stond de notaris niet vrij voor deze werkzaamheden voor de tweede maal een declaratie uit te brengen.

6.4. Het hof komt niet toe aan een marginale toetsing van de hoogte van de declaratie voor de niet eerder gedeclareerde werkzaamheden nu daarvoor door klager te weinig is gesteld en onvoldoende gegevens aan het hof zijn voorgelegd. Dit klachtonderdeel acht het hof ongegrond.

6.5. De klacht over het collegiaal regelen van de kosten op basis van de beslissing van dit hof van 19 december 1996 berust op een verkeerde lezing van de beslissing van het hof. Het hof heeft in die beslissing overwogen dat bij de overdracht van de dossiers aan de boedelnotaris de zekerheidstelling voor de betaling van het honorarium van de notaris een zaak zou moeten zijn van collegiaal overleg tussen de notaris en de boedelnotaris. De verzending van de onderhavige declaratie door de notaris aan de erven staat daar echter buiten. Het klachtonderdeel is ongegrond.

6.6. Het hof zal klager in zijn verzoek strekkende tot veroordeling van de notaris tot betaling van € 10.000,-- ter zake van schade niet ontvankelijk verklaren, omdat de Wet op het notarisambt niet in een beslissing daarop voorziet.

6.7. Nu het hof, anders dan de kamer, tot een gedeeltelijk gegrondverklaring van de klacht van klager komt, kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing vernietigen.

6.8. Ten slotte is het hof van oordeel dat, ondanks de gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht, het opleggen van een maatregel achterwege kan blijven vanwege het onder de omstandigheden onvoldoende gewicht van het handelen van de notaris waartegen het gegrondverklaarde klachtonderdeel zich richt. Bovendien heeft de notaris ter terechtzitting er blijk van gegeven het onjuiste van zijn handelen ter zake in te zien.

6.9. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.10. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing, en opnieuw rechtdoende:

- verklaart klager niet ontvankelijk in het klachtonderdeel met betrekking tot de in de tijdvak van 1989 tot 1997 verrichte werkzaamheden;

- verklaart klager niet ontvankelijk in zijn verzoek de notaris te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 10.000,--;

- verklaart het klachtonderdeel met betrekking tot het betrekken in de declaratie van 5 april 2004 van eerder gedeclareerde werkzaamheden gegrond, zonder oplegging van een maatregel;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en F.A.A. Duynstee en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 22 februari 2007 door de rolraadsheer.

Kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Dordrecht

KvT Klachtnummer: 03/06

Datum: 6 juli 2006

Beslissing op de klacht van:

[naam].,

wonende te [plaats],

klager

tegen :

Mr. [naam],

notaris te [plaats],

verweerder.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘klager’ en ‘de notaris.’

Verloop van de procedure

1. De kamer beslist op de volgende processtukken:

- de brief van klager aan de kamer de dato 23 december 2005;

- het klaagschrift met bijlagen dat op 13 februari 2006 door de kamer is ontvangen;

- de notitie van de telefonische toelichting van klager op zijn klachtschrijven;

- het verweerschrift dat op 3 april 2006 door de kamer is ontvangen;

- de mondelinge behandeling op 24 mei 2006.

Feiten

2. Bij de beoordeling van de klacht wordt van het volgende uitgegaan.

3. Bij vonnis van 1 november 1988 van de rechtbank Dordrecht is notaris mr. [Y] (hierna [Y]) benoemd tot notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling van de nalatenschappen klagers ouders dient te geschieden. In 1991 is [Y] gedefungeerd en is als kandidaat-notaris gaan werken op het kantoor van de notaris, zijn voormalige associé. Het protocol van [Y] is overgedragen aan notaris mr. [X] (hierna [X]).

4. Na zijn defungeren heeft [Y] en later kandidaat-notaris [B], eveneens werkzaam op het kantoor van de notaris, werkzaamheden verricht in de nalatenschapsdossiers. Hiervoor is aan de erfgenamen in december 1990 een factuur gestuurd. Deze factuur is betwist en onbetaald gebleven.

5. De dossiers zijn naar aanleiding van een uitspraak van het hof te Amsterdam de dato 19 december 1996 overgedragen aan [X] die de verdere afhandeling van de nalatenschappen op zich heeft genomen. In het arrest van het hof staat de volgende passage:

‘Desgevraagd heeft de notaris ter zitting van het hof toegegeven dat de zekerheidsstelling van de betaling van het honorarium een punt van collegiaal overleg is waarmee de erven niets van doen hebben.’

6. De notaris heeft de erven op 5 april 2004 een nieuwe declaratie toegezonden voor verrichte werkzaamheden in de periode 17 juli 1989 tot 4 juli 1997. De (niet betaalde) nota van december 1990 is hierin begrepen.

Klacht

7. De klacht strekt ertoe dat de kamer een passende maatregel treft tegen de notaris om de volgende redenen.

8. De notaris heeft klachtwaardig gehandeld door in 2004 een factuur te zenden aan de erven voor werkzaamheden waarvoor zij geen opdracht hebben gegeven.

9. Tevens heeft de notaris klachtwaardig gehandeld door de betaling van de door hem verrichte werkzaamheden niet collegiaal te regelen met de boedelnotaris, zoals tijdens de mondelinge behandeling bij het hof in Amsterdam in 1996 is afgesproken.

10. Klager vraagt de kamer tot slot om de notaris te veroordelen tot betaling van de door hem aangerichte schade, in deze te stellen op € 10.000,-.

Verweer

11. De notaris voert als verweer aan dat [Y] en later [B], na het defungeren van [Y], op verzoek van de kamer van toezicht en met instemming van klager, nog werkzaamheden hebben verricht om de nalatenschappen af te wikkelen.

12. De notaris voert voorts aan dat hij heeft getracht om tot collegiale afwikkeling te komen met [X], door [X] zijn declaratie toe te sturen. [X] was echter niet bereid deze declaratie te voldoen.

Beoordeling van de klacht

13. De declaratie van de notaris beslaat de periode van 17 juli 1989 tot 4 juli 1997. Voor het in rekening brengen van de –niet betaalde- werkzaamheden van [Y] in de periode van 17 juli 1989 tot het moment van zijn defungeren in 1991 bestaat in ieder geval een basis. [Y] is immers door de rechtbank benoemd tot notaris ten overstaan van wie de scheiding en deling van de nalatenschappen van klagers ouders dient te geschieden en niet betwist is dat hij als zodanig werkzaamheden heeft verricht.

14. Vast staat voorts dat klager namens het merendeel van de erven begin januari 1994 in overleg met de secretaris van de kamer akkoord is gegaan met de afspraak dat [Y] nog zorg zou dragen voor het opstellen van de conceptakte van scheiding en deling, waarna deze voor [X] zou worden gepasseerd. Op grond hiervan bestaat derhalve ook een grondslag voor het declareren van de door de notaris, althans bij hem werkzame kandidaat-notarissen, verrichte werkzaamheden na 1991 bij de erven.

Voor zover klager de hoogte van de declaratie betwist, is de kamer niet bevoegd tot oordelen, aangezien dergelijke klachten dienen te worden voorgelegd aan de ringvoorzitter.

15. Voor zover partijen zich erop beroepen dat de declaratie van de notaris zou moeten worden betaald door [X] en dat [X] hierover het besluit moet nemen, gaan partijen uit van een onjuiste uitleg van het arrest van het hof. In dit arrest is immers alleen bepaald dat de zekerheidsstelling van de betaling van het honorarium een kwestie van collegiaal overleg tussen [X] en de notaris betrof.

16. De kamer is voorts niet bevoegd een schadevergoeding toe te kennen en onthoudt zich dus van een oordeel over dit onderdeel van de klacht.

17. Voor zover klager nog bedoeld heeft te klagen over de werkzaamheden van de notaris, althans van de onder zijn verantwoordelijkheid werkende medewerkers, of over het niet tijdig overdragen van de dossiers, dan wordt overwogen dat klager op grond van artikel 99 lid 12 Wna niet ontvankelijk is in deze klachten. Er zijn immers meer dan drie jaren verstreken na de laatste werkzaamheden van het kantoor van de notaris in de dossiers in 1996 en het overdragen van het dossier in 1997, voordat de klacht op 23 december 2005 bij de kamer is ingediend.

Beslissing

de Kamer van Toezicht:

verklaart de klachten met betrekking tot het toesturen van de declaratie in 2004 en het niet collegiaal regelen van de kosten ongegrond;

verklaart zich niet bevoegd om te oordelen over de hoogte van deze declaratie en om een schadevergoeding toe te kennen;

voor zover klager heeft bedoeld te klagen over de verrichte werkzaamheden tot 1996:

verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klacht;

Deze beslissing is genomen door mr. Verschoof, voorzitter, mr. Snelders, mr. Hoppel, mr. Jochems en mr. Van Ringelesteijn, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2006.