Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ8856

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
23-001894-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BG7743, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BG7743
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zijn aspirant-hoofdconducteuren, die ten tijde van de strafbare feiten in dienst waren bij een privaatrechtelijke rechtspersoon, te weten de NS, en die (nog) niet de hoedanigheid hadden van buitengewoon opsporingsambtenaar, ambtenaren in de zin van de de artikelen 267, 269 en 304 van het Wetboek van Strafrecht?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 267
Wetboek van Strafrecht 304
Wet personenvervoer 2000
Wet personenvervoer 2000 87
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 117
NBSTRAF 2007/92
NbSr 2007/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-001894-05

datum uitspraak: 9 februari 2007

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Amsterdam van 18 oktober 2004 in de strafzaak onder parketnummer 13-012372-04 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 oktober 2004 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 13 juni 2006, 2 oktober 2006 en 26 januari 2007.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren

De raadsman heeft betoogd dat de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], beiden werkzaam als aspirant-hoofdconducteur bij de NV Nederlandse Spoorwegen (hierna: de NS), geen ambtenaar zijn in de zin van de betrokken bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht (artikelen 267/269 en 304), hetgeen -indien juist- gevolgen heeft voor -ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde- de vraag of moet zijn voldaan aan het klachtvereiste en -ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde- de vraag of de strafverzwarende omstandigheid bewezen kan worden verklaard. De raadsman heeft in dit verband onder meer aangevoerd -kort samengevat en zoals nader uiteengezet in de door hem overgelegde pleitnotities- dat de Hoge Raad in zijn arrest van 30 mei 1995, NJ 1995, 620, weliswaar een uitbreiding aan het begrip 'ambtenaar' heeft gegeven, in die zin dat daaronder tevens dient te worden begrepen "degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd teneinde een deel van de taak van de Staat of zijn organen te verrichten", maar dat een conducteur van de NS niet aan genoemd criterium voldoet en derhalve niet als ambtenaar in vorenbedoelde zin kan worden aangemerkt.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof stelt vast dat de betrokken aspirant-hoofdconducteuren ten tijde van de feiten in dienst waren bij een privaatrechtelijke rechtspersoon, te weten de NS, en neemt voorts, gelet op hetgeen [slachtoffer 1] hieromtrent in zijn aangifte verklaart, aan dat beiden (nog) niet de hoedanigheid hadden van buitengewoon opsporingsambtenaar. Daaruit vloeit evenwel niet aanstonds voort dat zij geen ambtenaar zijn in de zin van genoemde wetsbepalingen, aangezien dit begrip in het strafrecht een autonome betekenis heeft en -onder omstandigheden- ruim behoort te worden uitgelegd.

Van belang is in dit verband dat de aspirant-hoofdconducteuren -die blijkens hun aangifte in uniform waren gekleed en belast met respectievelijk 'ingangscontrole' (bij de trein) en 'toezichthoudende werkzaamheden' (op het perron)- kennelijk op grond van artikel 87, 3e lid, Wet Personenvervoer 2000, als daartoe door de vervoerder (in casu de NS) aangewezen personen waren belast met toezicht en naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 70 tot en met 74 van genoemde wet. Laatstgenoemde artikelen betreffen 'bepalingen voor de reiziger' en zien onder meer op het (wettelijk) verbod zonder geldig vervoersbewijs van het openbaar vervoer gebruik te maken en het (wettelijk) verbod op -kort gezegd- gedragingen die de orde, rust en veiligheid in en rond het openbaar vervoer verstoren. Gelet hierop is het hof van oordeel dat weliswaar niet kan worden gezegd dat eerderbedoelde aspirant-hoofdconducteuren onder (direct) toezicht en verantwoording van de overheid waren aangesteld, maar wel dat hun functie, gegeven de hun wettelijk toebedeelde taak, een zodanig openbaar karakter heeft dat zij om die reden kunnen worden aangemerkt als ambtenaar in eerderbedoelde zin. Het hof merkt daarbij nog op dat het bij bestudering van de wetsgeschiedenis van de Wet Personenvervoer 2000 geen aanwijzingen heeft gevonden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Het voorgaande brengt mee dat het verweer in al zijn onderdelen wordt verworpen.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

- ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde -

hij op 28 juli 2004 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten (de in uniform geklede) [slachtoffer 1], gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in het openbaar heeft beledigd, door in de richting en in het gezicht/gelaat van die [slachtoffer 1] te spugen;

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -

hij op 28 juli 2004 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten de in uniform geklede [slachtoffer 1], gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met kracht in zijn gezicht/gelaat heeft geslagen, waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft ondervonden;

- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde -

hij op 28 juli 2004 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend een

ambtenaar, te weten de in uniform geklede [slachtoffer 2], gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefeningvan zijn bediening, met kracht in zijn gezicht/gelaat heeft geslagen en tegen zijn benen heeft geschopt/getrapt, waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft ondervonden.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

- ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte -

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

- ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezengeachte -

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De politierechter in de rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging -door middel van spugen- en mishandeling van een ambtenaar, respectievelijk ambtenaren, nadat hij tevoren de aanwijzingen van de aspirant-hoofdconducteur [slachtoffer 1] had genegeerd. Dit laakbare gedrag in de openbare ruimte veroorzaakt bij reizigers gevoelens van onrust en onbehagen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 januari 2007 is verdachte eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder soortgelijke als de onderhavige.

Het hof zou, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, hebben opgelegd. Echter, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, in hoger beroep -te weten met 3 maanden- acht het hof matiging van die straf als na te melden passend.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 3 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 400,-- zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

Namens verdachte is betoogd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing daarvan.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden, en wel tot een bedrag van EUR 100,--. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van het toegewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 63, 267, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 70 (zeventig) uren.

Beveelt dat bij niet naar behoren verrichten van de taakstraf, deze wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 35 (vijfendertig) dagen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2], wonende te Utrecht, rekeningnummer 59.08.49.875, een bedrag van EUR 100,00 (honderd euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 100,00 (honderd euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer 2].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 (twee) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de 24e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. Veldhuisen, mr. Hartsuiker en mr. Wildenburg, in tegenwoordigheid van mr. Heijermans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 februari 2007.