Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ8842

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2007
Datum publicatie
12-09-2008
Zaaknummer
23-004428-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De woorden 'Je gaat zien, ik sla al je tanden uit je bek, je gaat dood!' in casu geen bedreiging zoals bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht. Uit de aangifte blijkt niet dat er zodanige vrees is opgewekt bij de aangeefster dat van een bedreiging als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht kan worden gesproken. Doorslaggevend is de wijze waarop de aangeefster zelf de situatie en de bewoordingen heeft ervaren. Het hof kent in dit opzicht vooral betekenis toe aan de opmerking van aangeefster dat zij zich niet prettig voelde na het gedrag van verdachte en dat gedrag onacceptabel vond.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2007/167
NbSr 2007/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-004428-06

datum uitspraak: 1 februari 2007

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Amsterdam van 7 september 2006 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-421113-06 (zaak A), 13-412285-06 (zaak B) en 13-441518-06 (zaak C), alsmede 13-420146-06 (TUL) van het openbaar ministerie tegen

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 september 2006 en op de terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2007.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen in de zaken A, B en C. Van die dagvaardingen zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

De daarin vermelde tenlasteleggingen worden hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Vrijspraak

Het hof is met de aangeefster van oordeel dat het gedrag en de bewoordingen van verdachte zoals in de aangifte staan vermeld, onacceptabel zijn. Maar het hof moet vaststellen of er sprake is geweest van een bedreiging zoals bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht. Het hof is, anders dan de advocaat-generaal van oordeel dat een zodanige bedreiging niet wettig en overtuigend bewezen is. De aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar het volgende heeft toegevoegd: "Toen ik met [verdachte], [B.] en [E.] bij het trapportaal stond hoorde ik [verdachte] het volgende zeggen: 'Je gaat zien, ik sla al je tanden uit je bek, je gaat dood!'. Vervolgens zei ik: 'Ga je mij bedreigen? Als je dat doet dan doe ik aangifte bij de politie.' Ik hoorde hem het volgende zeggen: 'dit is geen bedreiging, ik ga het doen, wacht maar af deze week!', of woorden van gelijkende strekking. Dit heeft hij meerdere malen herhaald. Ik voelde mij hier niet prettig bij, ze zijn onberekenbaar en voor de docenten en voor mij is dit gedrag onacceptabel.". Uit de aangifte blijkt niet dat er zodanige vrees is opgewekt bij de aangeefster dat van een bedreiging als bedoeld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht kan worden gesproken. Het hof acht niet doorslaggevend wat er in het algemeen als bedreigend wordt ervaren, maar de wijze waarop de aangeefster zelf de situatie en de bewoordingen heeft ervaren. Het hof kent in dit opzicht vooral betekenis toe aan de opmerking van aangeefster dat zij zich niet prettig voelde na het gedrag van verdachte en dat gedrag onacceptabel vond. Die opmerking geeft niet blijk van een ernstige bedreiging als voor bewezenverklaring van artikel 285 Wetboek van Strafrecht is vereist.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak A en C onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van zaak A

hij op 14 juli 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk Kymco) toebehorende aan [D.], waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, te weten door het kettingslot van voornoemde bromfiets open te knippen met een betonschaar en het stuurslot te forceren;

ten aanzien van zaak C onder 1

hij op 25 november 2005 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens artikel 2 Politiewet, gedaan door [T.], hoofdagent van politie en [H.], agent van politie, die waren belast met het onderzoeken van een strafbaar feit, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaren van hem hadden gevorderd zich direct te verwijderen uit de omgeving van de Martin Vlaarkade, geen gevolg gegeven aan deze vordering;

ten aanzien van zaak C onder 2

op 25 november 2005 te Amsterdam toen de aldaar dienstdoende [T.], hoofdagent van politie en [H.], agent van politie, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 184 Wetboek van Strafrecht en artikel 2 Politiewet hadden aangehouden en vastgegrepen, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde politieambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, door opzettelijk gewelddadig met kracht te bewegen in een andere richting tegengesteld aan die waarin genoemde opsporingsambtenaren hem, verdachte wilden geleiden.

Hetgeen in zaak A en C onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het in zaak A bewezengeachte

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te

nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

ten aanzien van het in zaak C onder 1 bewezengeachte

opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar, belast met het onderzoeken van strafbare feiten

ten aanzien van het in zaak C onder 2 bewezengeachte

wederspannigheid

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De kinderrechter in de rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 12 weken waarvan 9 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich stelt onder toezicht en leiding van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam en dat hij het Medium Programma voltooit.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich strafbaar gemaakt aan een diefstal in vereniging van een bromfiets door in de nachtelijke uren op brutale wijze de Kymco bromfiets van [D.] weg te nemen, terwijl deze met een kettingslot afgesloten stond. Verdachte en zijn mededader hebben het kettingslot opengebroken en het stuurslot geforceerd en zijn met de bromfiets weggelopen van de plek waar deze vastgemaakt stond. Een dergelijke diefstal veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving en de benadeelde wordt rechtstreeks schade berokkend. Daarnaast heeft verdachte niet voldaan aan een vordering van twee opsporingsambtenaren die belast waren met het onderzoeken van strafbare feiten en op het moment dat hij voor het niet opvolgen van die vordering werd aangehouden heeft verdachte zich met geweld verzet tegen die opsporingsambtenaren. Door aldus te handelen heeft verdachte het gezag van de opsporingsambtenaren ondermijnd. Dit zijn ergerlijke feiten en de op te leggen jeugddetentie is een passende reactie op dergelijke vergrijpen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 november 2006 is verdachte eerder veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een (voorwaardelijke) jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van het onherroepelijk geworden vonnis van de Kinderrechter te Amsterdam van 6 februari 2006, in de zaak met parketnummer 13-420146-06, waarbij de verdachte ter zake van een door hem gepleegd strafbaar feit is veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 46 dagen met aftrek waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden dat verdachte tijdens zijn proeftijd onder toezicht blijft van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam.

Voormeld vonnis is op 6 februari 2006 onherroepelijk geworden.

Blijkens de daarbij behorende akte van uitreiking is de mededeling betreffende voornoemd vonnis op 7 augustus 2006 aan verdachte in persoon uitgereikt.

Gezien de oplegging door het hof van het hierna te melden geheel aan straffen en maatregel en met inachtneming van de justitiële documentatie van de verdachte acht het hof de toewijzing van de tenuitvoerlegging niet passend, maar zal het hof gelet op de artikelen 77cc jo 77dd van het Wetboek van Strafrecht voormelde proeftijd verlengen met één jaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 180, 184, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A en C onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A en C onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 10 (tien) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 7 (zeven) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt daarbij de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat

- verdachte gedurende de proeftijd zich onder toezicht stelt en blijft van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam en dat hij zich gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang die instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt het volgen van een behandeling bij de Bascule;

- verdachte het Medium Programma volgt (reeds voltooid).

Geeft aan genoemde instelling opdracht verdachte bij de naleving van die voorwaarden Hulp en Steun te verlenen

Bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht.

Verlengt de proeftijd van de voorwaardelijk niet ten uitvoergelegde jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zoals vermeld in het vonnis van de kinderrechter te Amsterdam van 6 februari 2006 met parketnummer 13-420146-06 met een termijn van 1 (een) jaar.

Dit arrest is gewezen door de 6e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.G.W. Willems-Morsink, mr. M.J.G.B. Heutink en mr. M.J.L. Mastboom, in tegenwoordigheid van mr. B.R. Koenders, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 februari 2007.