Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ8358

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
06/00065
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor de heffing van parkeerbelasting is het aan de heffingsambtenaar -te stellen en bij betwisting- aannemelijk te maken dat de auto stil stond anders dan gedurende de tijd die nodig was voor het onmiddellijk laden van zaken.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/659
V-N 2007/23.28 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0347
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00065

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum,

de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak in de zaak no. 05/2510 van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Haarlem, van 11 januari 2006 in het geding tussen

X,

wonende te Z,

belanghebbende.

en

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 23 december 2004 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. De naheffingsaanslag ad € 46,20 in totaal betreft € 1,20 aan parkeerbelasting en € 45 aan kosten.

Het daartegen gemaakte bezwaar is door de heffingsambtenaar bij uitspraak van 30 mei 2005 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2006, verzonden op 13 januari 2006, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 20 februari 2006, bij het Hof ingekomen op 20 februari 2006Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2006. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld, welke tussen partijen niet in geschil zijn.

“2.1. Op 23 december 2004, omstreeks 15.12 uur, heeft eiser (Hof: in de uitspraak van het Hof aangeduid als belanghebbende) zijn auto tot stilstand gebracht aan de Hilvertsweg te Hilversum op een plaats en een tijdstip waar ter zake van parkeren parkeerbelasting verschuldigd is.

2. 2. Vervolgens heeft eiser in opdracht van zijn werkgever een tweetal in dozen verpakte beeldschermen uit een winkel afgehaald. Deze winkel lag op ongeveer 50 m afstand van de plaats waar hij zijn auto had geplaatst. Eiser had zijn komst naar de winkel telefonisch aangekondigd, de beeldschermen stonden gereed om te worden afgehaald en binnen vijf minuten nadat eiser zijn auto op voormelde plaats tot stilstand had gebracht, is hij weer weggereden.

2. 3. Op het moment waarop eiser evenbedoelde beeldschermen afhaalde, heeft een controleur van de gemeente Hilversum waargenomen dat eiser geen parkeerbelasting had voldaan en heeft daarop de naheffingsaanslag opgelegd. (…)”

2.2. Geschil

In hoger beroep is in geschil of sprake is van het onmiddellijk laden van zaken in de zin van artikel 1, aanhef en eerste lid, van de Verordening Parkeerbelastingen 2004 van de gemeente Hilversum (hierna: de verordening), gelijk belanghebbende stelt en de heffingsambtenaar betwist.

2.3. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Voor de aan deze beslissing ten grondslag liggende overwegingen, verwijst het Hof naar de uitspraak van de rechtbank.

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar hetgeen in de gedingstukken is vermeld.

2.5 Beoordeling van het geschil

2.5.1.1. Niet in geschil is dat voor het parkeren op de plek waar belanghebbendes auto stond op het desbetreffende tijdstip belasting diende te worden voldaan. In artikel 1, aanhef en eerste lid, van de verordening is bepaald dat onder ‘parkeren’ moet worden verstaan ‘het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden’. Deze bepaling is ontleend aan artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet.

2.5.1.2. Van laden en lossen is sprake bij het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring in- of uitladen van zaken van zodanig gewicht of zodanige omvang dat deze bezwaarlijk anders dan per auto konden worden vervoerd, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.

2.5.2. Tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende is het, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 1986, BNB 1986/256, aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat geen sprake is van (in casu) laden in de zin van voormelde bepaling.

2.5.3. In het onderhavige geval staat, als door belanghebbende gesteld en door de heffingsambtenaar niet althans onvoldoende betwist, vast dat belanghebbende de auto tot stilstand heeft gebracht teneinde naar de ongeveer 50 meter verder gelegen winkel te lopen, dat belanghebbende aldaar twee dozen heeft ontvangen, voor die ontvangst heeft getekend, de desbetreffende dozen vervolgens naar zijn auto heeft gebracht en geen andere handelingen heeft verricht dan deze handelingen. Tevens staat vast dat in elk van die dozen een beeldscherm zat. Gelet op hetgeen belanghebbende dienaangaande ter zitting heeft verklaard acht het Hof aannemelijk dat de onderhavige beeldschermen zaken zijn die gelet op hun gewicht en omvang, apart dan wel gezamenlijk, bezwaarlijk anders dan per auto kunnen worden vervoerd.

2.5.4. Onder de hiervoor vermelde omstandigheden is sprake van het onmiddellijk laden van zaken in de zin van de onder 2.5.1.1 opgenomen bepaling. Dit brengt mee dat de auto niet stond geparkeerd. De heffingsambtenaar heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Voorzover hij stelt dat indien een automobilist door zijn auto tot stilstand te brengen op 50 meter afstand van de plaats van waaruit hij de zaken wil laden, overgaat tot het parkeren van de auto, verwerpt het Hof die stelling. Nu de auto niet stond geparkeerd was geen parkeerbelasting verschuldigd. Hetgeen de heffingsambtenaar heeft gesteld omtrent de kenbaarheid van die verschuldigdheid mist derhalve betekenis.

2.5.5. Dat de controleur niet heeft kunnen waarnemen dat de auto aldaar stond gedurende de tijd die nodig was en werd gebruikt voor het onmiddellijk laden van zaken doet aan voormeld oordeel niet af, nu de vraag of sprake is van laden beoordeeld dient te worden aan de hand van de onder 2.5.1.2 opgenomen criteria. Het voldoen aan deze criteria brengt tevens mee dat voorbij kan worden gegaan aan hetgeen partijen hebben gesteld omtrent het zogenoemde door de gemeente Hilversum gevoerde 10-minutenbeleid.

2.6. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voorzover nodig met verbetering van de daartoe gebezigde gronden. Het Hof tekent hierbij nog aan dat in onderdeel 6 van die uitspraak kennelijk moet worden gelezen, dat het een uitspraak van de rechtbank Amsterdam betreft.

2.7. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de vergoeding gesteld op € 98,70 in hoger beroep wegens reis- en verletkosten.

3. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, P.M.F. van Loon en M.E. van Hilten, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.P. Wakkerman als griffier. De beslissing is op 19 januari 2007 in het openbaar uitgesproken.

Op grond van artikel 27l, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in verbinding met artikel 231, vierde lid, van de Gemeentewet, wordt van de gemeente Hilversum een griffierecht geheven van € 422.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.