Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7233

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
398/06 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Binnentreden woning door gerechtsdeurwaarder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 25 januari 2007 in de zaak onder rekestnummer 398/06 GDW van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X].,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y],

beiden gevestigd te [plaats],

APPELLANTEN,

gemachtigde: [Z],

t e g e n

[A]

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: [B]

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellanten, verder te noemen klaagsters, is bij een op 8 maart 2006 ter griffie per fax ingekomen verzoekschrift hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 24 januari 2006, verzonden op 6 februari 2006. Vervolgens is op 10 maart 2006 het beroepschrift – met bijlagen – per post ter griffie ingekomen.

1.2. Bij genoemde beslissing heeft de kamer gegrond verklaard het verzet van klaagsters tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 2 augustus 2005, waarbij de voorzitter de klacht van klaagsters als kennelijk niet-ontvankelijk heeft afgewezen. Voorts heeft de kamer de voorzittersbeslissing vernietigd en de klachten ongegrond verklaard.

1.3. Van de zijde van de gemachtigde van geïntimeerde, hierna te noemen de gerechtsdeurwaarder, is op 23 maart 2006 een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 22 juni 2006. De gemachtigde van klaagsters is verschenen. Aan de zijde van de gerechtsdeurwaarder is [B], hierna: [B] verschenen. Ter zitting is gebleken dat [B] niet kon aantonen dat hij gemachtigd was voor de gerechtsdeurwaarder op te treden. De heer [A] was ten tijde van de ambtshandelingen waarop de klacht ziet toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder op het kantoor van [B], maar is daar inmiddels niet meer werkzaam. Aangezien de gerechtsdeurwaarder zelf niet voor de openbare terechtzitting was opgeroepen is de mondelinge behandeling van de zaak aangehouden tot 23 november 2006. Op deze openbare terechtzitting is [B] opnieuw verschenen, onder overlegging van een machtiging van de gerechtsdeurwaarder ([A]). Klaagsters en de gerechtsdeurwaarder zijn niet verschenen. Klaagsters hebben dit laten weten bij brief ter griffie van het hof ingekomen op 22 november 2006.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld.

4. Het standpunt van klaagsters

4.1. Klaagsters verwijten de gerechtsdeurwaarder op 27 oktober 2004 de woning aan de [adres] te [plaats] te zijn binnen getreden in het kader van de tenuitvoerlegging van een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2004, terwijl het dictum van dat vonnis niet legitimeert tot het binnentreden van de woning en dat vonnis niet ten uitvoer kon worden gelegd ten laste van een ander dan de veroordeelde partij, te weten [K] , niet zijnde (een van) klaagsters. Klaagsters wijzen er nadrukkelijk op dat in het vonnis de gevorderde hulp van de sterke arm niet is toegewezen. De gerechtsdeurwaarder heeft dit miskend door toch met behulp van de sterke arm binnen te treden. Voorts wijzen klaagsters erop dat indien de gerechtsdeurwaarder de in artikel 3:16 BW bedoelde registers had geraadpleegd hij had kunnen weten dat klaagsters op 14 oktober 2004 eigenaren van de woning waren geworden. Het enkele feit dat eerdergenoemde [K] tot 29 november 2004 op het adres van de woning heeft ingeschreven gestaan kan niet doorslaggevend zijn bij de beslissing tot het binnentreden van een woning. Aan de hand van een eenvoudig onderzoek bij het kadaster had de gerechtsdeurwaarder kunnen vaststellen dat de eigendom van de woning was overgegaan op klaagsters.

4.2. Door te handelen zoals hij heeft gedaan heeft de gerechtsdeurwaarder klaagsters vermogensschade berokkend. Zo hebben zij een nieuw slot moeten plaatsen en konden zij de woning niet verkopen aan een partij die reeds, onder voorbehoud dat de woning ook bij bezichtiging nog zou bevallen, een bod had gedaan. Vanwege het door de gerechtsdeurwaarder geplaatste slot kon de woning op de overeengekomen dag niet worden getoond. Daarop heeft genoemde partij van de koop afgezien. Uiteindelijk is de woning tegen een lagere koopprijs aan een ander verkocht. Voorts hebben klaagsters nieuwe energiemeters moeten plaatsen en hebben zij schade geleden door het enorme tijdsbeslag dat de gang van zaken op hun organisatie heeft gelegd.

4.3. Het bericht dat de gerechtsdeurwaarder heeft achtergelaten op de voordeur van de woning was ontoereikend omdat het onvoldoende informatie bevatte. Zo bleek niet welke gerechtsdeurwaarder op welk tijdstip de woning was binnengetreden. Het kantoor van de gerechtsdeurwaarder bleek vervolgens ook niet bereid om enige toelichting te geven.

4.4. Ten slotte had de gerechtsdeurwaarder niet tot het (doen) verwijderen van de energiemeters mogen overgaan.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

5.1. De gerechtsdeurwaarder heeft in de processtukken geconcludeerd dat klaagsters niet zouden kunnen worden ontvangen in hun klacht. Ter zitting van dit hof van 23 november 2006 heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder dit verweer ingetrokken.

5.2. De gerechtsdeurwaarder wijst erop dat [K] ten tijde van de tenuitvoerlegging van het vonnis, op 27 oktober 2004, stond ingeschreven op het adres [adres] te [plaats]. Ten bewijze hiervan wijst de gerechtsdeurwaarder op een schrijven van de Politie Rotterdam – Rijnmond waarin onder meer wordt bevestigd dat na onderzoek in de gemeentelijke basisadministratie is gebleken dat [K] van 1 juni 2002 tot 29 november 2004 stond ingeschreven als bewoner. [K] was dan ook feitelijk gebruiker en het is niet van belang wie de eigendom van de woning heeft. Ter zitting van het hof heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder bevestigd dat het gebruikelijk is om voorafgaande aan een binnentreden ter beslaglegging op roerende zaken via een on-line verbinding met de gemeentelijke basisadministratie na te gaan of de debiteur nog steeds op het genoemde adres woont. Ook in dit geval is dat gebeurd, aldus de gemachtigde.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot vaststelling van andere feiten dan wel andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt, waarbij het hof mede in zijn beoordeling heeft meegewogen dat ter zitting is komen vast te staan dat de gerechtsdeurwaarder, alvorens tot zijn handelen over te gaan, ook nog via de on-line verbinding met de gemeentelijke basisadministratie is nagegaan of [K] woonachtig was op het adres [adres] te [plaats]. Het hof tekent hierbij voorts aan dat in dit verband slechts van belang was wie feitelijk gebruik maakte van de woning, en niet wie de eigenaar daarvan was. Uit de gemeentelijke basisadministratie moest worden afgeleid dat de woning feitelijk nog steeds bij [K] in gebruik was. Dat de eigendom van de woning van [K] was overgegaan op klaagsters doet daarom niet ter zake.

6.2. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.3. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing met gedeeltelijke verbetering van de gronden.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, J.C.W. Rang en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 25 januari 2007 door de rolraadsheer.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 24 januari 2005 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake het verzet in de zaak met nummer 369.2005 ingesteld door:

1. [X]

2. [Y]

beide gevestigd te [ ],

klaagsters,

gemachtigde [ ],

tegen:

[A],

toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde,

gemachtigde [ ].

1. Verloop van de procedure

Bij beschikking van 2 augustus 2005 (zaaknummer 145.2005) heeft de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders (hierna: de voorzitter) beslist op een door klaagsters tegen beklaagde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) ingediende klacht.

Bij brief van 10 augustus 2005 is klaagsters een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden.

Bij brief met bijlagen van 22 augustus 2005 hebben klaagsters tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld.

Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 13 december 2005, alwaar de gemachtigde van klaagsters en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 24 januari 2006.

2. De gronden van het verzet

In verzet hebben klaagsters aangevoerd dat aan de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder inderdaad hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt als aan de klacht in de zaak met nummer 372.2004 (klacht) en 152.2005 (verzet) waarin onder meer gerechtsdeurwaarder [ ] beklaagde is. Anders dan de voorzitter kennelijk meent, brengt dat niet mee dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder van zijn tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid ontheven is.

De voorzitter heeft miskend dat steeds als een zeker feitencomplex tot civielrechtelijke aansprakelijkheid van een (kandidaat) gerechtsdeurwaarder zou kunnen leiden, datzelfde feitencomplex ook tuchtrechtelijke consequenties kan hebben. Of dat feitencomplex daadwerkelijk deze consequenties behoort te hebben kan slechts worden bepaald na een inhoudelijk onderzoek. Tot het verrichten van dat inhoudelijk onderzoek is de Kamer verplicht, op voorwaarde dat aan de Kamer een voldoende duidelijk omschreven feitencomplex met een voldoende duidelijke en gemotiveerde conclusie voorligt. Aan die voorwaarde is voldaan, zodat de uitgesproken kennelijke niet-ontvankelijkheid niet had mogen worden uitgesproken.

In deze zaak is de klacht gericht tegen [ ] op grond van zijn eigen onrechtmatig handelen, bestaande in het onbevoegd en met veroorzaking van schade binnentreden van de aan klaagsters in eigendom toebehorende woning zodat ook ten aanzien van hem mag worden geklaagd bij de Kamer en de Kamer ook ten aanzien van hem een inhoudelijk oordeel behoort te geven.

3. De ontvankelijkheid van het verzet

Klaagsters hebben het verzet tegen voormelde beslissing van de voorzitter ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in hun verzet kunnen worden ontvangen.

4. De beoordeling van de gronden van het verzet

De Kamer is van oordeel dat de beslissing van de voorzitter niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd. Het enkele feit dat eerder een klacht met hetzelfde feitencomplex tegen een andere gerechtsdeurwaarder ongegrond is verklaard kan er niet toe leiden dat een klacht op grond van hetzelfde feitencomplex tegen een andere gerechtsdeurwaarder niet-ontvankelijk wordt verklaard. Die klacht dient eerst opnieuw te worden beoordeeld.

5. De inleidende klacht

5.1 In de inleidende klacht hebben klaagsters de gerechtsdeurwaarder het volgende verweten.

A. De gerechtsdeurwaarder is -in het kader van een tegen de heer [ ] gewezen vonnis- zonder daartoe bevoegd te zijn de woning van klaagsters binnengetreden. Het dictum van dit vonnis -waarbij de kantonrechter de in de dagvaarding gevorderde hulp van de sterke arm niet heeft toegewezen- legitimeert niet tot binnentreden van de woning. De heer [ ] is immers samengevat slechts veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het opnemen van de meterstanden, het onderbreken van de energielevering dan wel aan terugname van de meetinrichting en zo gedaagde hierna niet toe over zal gaan het toelaten van werknemers voor het onderbreken en weghalen van de energiemeters. Klaagsters vragen bijzondere aandacht voor het feit dat de gevorderde “sterke arm” door de rechter niet is toegewezen. Het in het dictum van het vonnis bedoelde resultaat kon slechts worden bereikt door vrijwillige medewerking van de heer [ ]. Indien deze niet vrijwillig zijn medewerking zou verlenen- hetgeen hij kennelijk heeft gedaan- legitimeert het vonnis niet tot binnentreden met behulp van de “sterke arm”. De gerechtsdeurwaarder heeft dit ten onrechte miskend door de woning toch binnen te treden. Het dictum van dit vonnis kon ook niet tenuitvoer worden gelegd ten laste van een ander dan de veroordeelde partij. Klaagsters voeren daartoe samengevat aan dat zij de eigendom van de woning hadden verworven voordat het vonnis tenuitvoer werd gelegd. De heer [ ] was derhalve niet meer bij machte te voldoen aan hetgeen waartoe hij was veroordeeld. De gerechtsdeurwaarder had uit de registers kunnen weten wie de eigenaren van de woning waren. De gerechtsdeurwaarder heeft zulks niet gedaan en heeft daardoor uitermate onzorgvuldig gehandeld.

B. Door te handelen als hierboven gesteld heeft de gerechtsdeurwaarder klaagsters vermogensschade berokkend onder meer bestaande in de kosten van het plaatsen van een nieuw slot in de voordeur van de woning. Klaagsters hebben een nieuw slot moeten plaatsen, omdat het door de gerechtsdeurwaarders geplaatste slot niet van het type was, dat in de deur van de woning behoorde te zijn geplaatst. De kosten van vervanging vormen de schade. Ook hebben zij vermogensschade geleden als gevolg van het feit dat de woning niet kon worden verkocht aan een partij die reeds een bod had gedaan omdat de woning niet kon worden bezocht vanwege het feit dat de gerechtsdeurwaarder een ander slot op de deur had geplaatst. De woning is tegen een lagere prijs verkocht aan een ander. Daarnaast hebben klaagsters nieuwe energiemeters moeten laten plaatsen en hebben zij nog nader te begroten schade geleden in verband met het tijdsbeslag dat het optreden van de gerechtsdeurwaarder heeft veroorzaakt.

C. De gerechtsdeurwaarder heeft na het binnentreden van de woning verzuimd zijn naam te vermelden op het door hem achtergelaten bericht. Het betreft hier een ambtshandeling die niet met geheimzinnigheid mag zijn omgeven. Wettelijk is voorgeschreven dat een exploot onder meer de voornamen, de naam en het kantooradres van de gerechtsdeurwaarder moet bevatten. Klaagsters ontgaat het dat -waar het een wezenlijk ingrijpender ambtshandeling dan het betekenen van een exploot betreft- bij het achterlaten van een bericht dan een lichtere eis zou mogen gelden op het punt van de kenbaarheid van de identiteit van de handelend gerechtsdeurwaarder. Ook de gerechtsdeurwaarders van het kantoor waren niet tot het geven van enige toelichting bereid.

D. Het in het voorgaande van de klacht gestelde maakt duidelijk dat de gerechtsdeurwaarder niet tot het (doen) verdwijnen van de energiemeters had mogen overgaan.

6. De beoordeling van de klacht

6.1 Ten aanzien van klachtonderdeel A geldt in zijn algemeenheid dat hoe langer de termijn tussen betekening en tenuitvoerlegging van een vonnis is gelegen, des te eerder er aanleiding bestaat (nogmaals) tot adresverificatie over te gaan. In dit geval heeft de gerechtsdeurwaarder ter zitting een van de politie afkomstige en aan klaagsters gerichte brief getoond. In deze brief vermeldt de politie dat haar uit onderzoek is gebleken dat de heer [ ] van 1 juni 2002 tot 29 november 2004 stond ingeschreven op het adres [ ] te [ ]. Naar het oordeel van de Kamer had controle voor de beslaglegging derhalve geen aanleiding kunnen geven tot een andere handelwijze van de gerechtsdeurwaarder.

Al eerder heeft de Kamer overwogen dat de rechtsgrond en daarmee de legitimatie van het binnentreden in de woning is gelegen in het feit dat de gerechtsdeurwaarder het door de kantonrechter gewezen vonnis bij exploot van 6 september 2004 aan de heer [ ] heeft betekend waarbij bevel is gedaan aan de inhoud van dat vonnis te voldoen bij gebreke waarvan de titel onder meer zou worden tenuitvoergelegd door inbeslagneming van roerende zaken. Blijkens het door de gerechtsdeurwaarder bij verweer op de inleidende klacht overgelegde proces-verbaal van 27 oktober 2004 heeft de gerechtsdeurwaarder zich naar de betreffende woning begeven en is hij de woning binnengetreden op grond van het bepaalde in artikel 444 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Op grond van dat artikel heeft een gerechtsdeurwaarder ter inbeslagneming toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Na het binnentreden van de woning werd de woning leeg aangetroffen, kon het bij exploot van 6 september 2004 aangekondigde beslag niet worden gelegd waarna vervolgens uitvoering is gegeven aan het bepaalde onder B van het dictum van het vonnis van 9 augustus 2004. Naar het oordeel van de Kamer volgt hieruit dat de gerechtsdeurwaarder het vonnis op rechtsgeldige wijze ten uitvoer heeft gelegd tegen de heer [ ]. Alhoewel het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering geen voorschrift bevat dat met zoveel woorden de verplichting van de uitvoerende macht om medewerking te verlenen aan de executie van rechterlijke vonnissen bepaalt, ligt in de woorden “In naam der Koningin” een bevel aan de uitvoerende macht opgesloten om aan de uitvoering van het vonnis medewerking middels de sterke arm te verlenen. Het feit dat ondertussen klaagsters eigenaar van de woning waren geworden doet aan het voorgaande niet af. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is derhalve niet gebleken zodat dit klachtonderdeel geen doel treft.

6.2 Ten aanzien van het derde klachtonderdeel geldt dat de Kamer in de onderhavige procedure slechts onderzoekt of door het handelen van een gerechtsdeurwaarder de tuchtrechtelijke norm is geschonden. Naar het oordeel van de Kamer kan het door de gerechtsdeurwaarder achtergelaten bericht niet worden gelijkgeschakeld met de eisen waaraan een exploot dient te voldoen. Een exploot is een authentieke akte waaraan bewijskracht toekomt. Het door de gerechtsdeurwaarder achtergelaten bericht heeft tot doel kenbaar te maken waar de sleutels opgehaald konden worden van het na openbreking van de deur geplaatste slot. Dit is een gebruikelijke gang van zaken. Tuchtrechtelijk laakbaar handelen is hierbij niet gebleken.

6.3 Het tweede en vierde klachtonderdeel behoeven op grond van hetgeen hiervoor onder 6.1 is overwogen geen bespreking meer. Ten aanzien van hetgeen door klaagsters is aangevoerd over de door haar geleden schade geldt bovendien dat de Kamer niet bevoegd is zich hierover uit te laten. De tuchtprocedure biedt daarvoor geen plaats.

7. Op grond van het voorgaande dient de beslissing van de voorzitter te worden vernietigd en de klachten ongegrond te worden verklaard.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

? verklaart het verzet gegrond;

? vernietigt de beslissing van de voorzitter van 2 augustus 2005;

? verklaart de klachten ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.A.H. Melissen, plaatsvervangend-voorzitter, mr. G.H.I.J. Hage en J.P.J.J. Timmermans (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2006 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.