Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7019

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
843/06
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BC0258, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BC0258
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling kinder- en partneralimentatie. De man heeft onvoldoende financiële inzage verstrekt waardoor het hof niet in staat is zich voldoende inzicht te verwerven in het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan.

Het verzoek van de man om vernietiging van de bestreden beschikking dient reeds om die reden te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 11 januari 2007 in de zaak met rekestnummer 843/06 van:

[…] ,

wonende te […] ,

APPELLANT,

procureur: mr. D.A.J. Sturhoofd,

t e g e n

[…] ,

wonende te […] ,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. F.C.A. van Zuilen.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 1 juni 2006 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 7 maart 2006 van de rechtbank te Haarlem, met kenmerken 116054/05-2648 en 121378/06-461.

1.3. De vrouw heeft op 25 oktober 2006 een verweerschrift ingediend.

1.4. De man heeft op 31 oktober 2006 aanvullende stukken ingediend.

1.5. De zaak is op 8 november 2006 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Zoals afgesproken bij de behandeling heeft de man bij brief van 13 november 2006 nog stukken aan het hof toegezonden. De vrouw heeft daarop bij brief van 20 november 2006 gereageerd.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen zijn [in] 1987 gehuwd en in september 2004 feitelijk uiteen gegaan. Hun huwelijk is op 7 juni 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 7 maart 2006 in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 21 juli 2005 van de rechtbank te Haarlem is bepaald dat de man met ingang van 1 juli 2005 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal betalen van € 1.300,- per maand.

2.4. In 2004 heeft de Belastingdienst -kort gezegd- navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen aan de man opgelegd wegens een door hem verzwegen bankrekening in Luxemburg met een saldo per 31 januari 1994 van omgerekend € 44.057,-. Na bezwaar van de man zijn deze navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen gehandhaafd.

2.5. De man is van de beslissing van de Belastingdienst in beroep gekomen. Op dit beroep is nog niet bij einduitspraak beslist.

2.6. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1953. Hij is [in] 2006 getrouwd met mevrouw [y] .

Zijn echtgenote voorziet in eigen levensonderhoud.

Hij ontvangt een pensioenuitkering volgens specificaties van september en oktober 2006 van € 2.397,- bruto per maand. Daarnaast ontvangt hij een WAO-uitkering volgens specificatie van oktober 2006 van € 1.943,- bruto per maand.

Aan huur betalen hij en zijn echtgenote € 1.000,- per maand.

Per 1 januari 2006 is hij verzekerd op grond van de Zorgverzekeringswet. Aan premie betaalt hij € 120,- per maand. Tevens betaalt hij belasting over de door zijn uitkeringsinstantie vergoede inkomensafhankelijke bijdrage.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met [kind] , de dochter van partijen, welke omgang eenmaal per twee weken van vrijdag tot zondag alsmede gedurende de helft van de vakanties plaatsvindt.

2.7. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1958. Zij vormt samen met [kind] een éénoudergezin.

Zij is sinds 31 augustus 2005 parttime - 24 uur per week - in loondienst bij [de maatschap] . Haar salaris bedraagt volgens specificaties van oktober en november 2005 € 1.348,- bruto per maand, inclusief vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt zij een WAO-uitkering volgens specificatie van april 2005 van € 379,- per maand.

Aan huur en enige servicekosten betaalt zij € 516,- per maand.

Per 1 januari 2006 is zij verzekerd op grond van de Zorgverzekeringswet. Aan premie betaalt zij € 101,- per maand. Zij ontvangt een zorgtoeslag van € 34,- per maand. Daarnaast betaalt zij belasting over de door haar werkgever vergoede inkomensafhankelijke bijdrage.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is - voor zover thans van belang - bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] zal betalen van € 450,- per maand en een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 1.210,- per maand.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat hij met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand zal betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] van € 312,- per maand en voorts, met ingang van 1 september 2005, althans met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 350,- per maand.

3.3. De vrouw verzoekt - naar het hof begrijpt - de bestreden beschikking te bekrachtigen, zonodig met verbetering van de gronden.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Allereerst is het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen aan de orde.

4.2. De vrouw stelt dat bij de bepaling van het netto gezinsinkomen meegenomen dienen te worden de aanzienlijke inkomsten die de man voor de Belastingdienst heeft verzwegen. De man heeft deze inkomsten op een geheime bankrekening in Luxemburg staan. De Belastingdienst heeft de man in verband daarmee navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd.

4.3. De man betwist hetgeen de vrouw stelt. Het is echter, aldus de man, niet mogelijk een verklaring van de desbetreffende bank hieromtrent te verkrijgen. De man stelt dat het netto gezinsinkomen van partijen op grond van zijn salaris en de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de vrouw € 3.650,- per maand bedroeg.

4.4. Uit de stukken in het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de Belastingdienst de man in 2004 navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen heeft opgelegd wegens het verzwijgen van een op zijn naam gestelde bankrekening in Luxemburg.

4.5. Het vorenstaande brengt naar het oordeel van het hof mee dat de stelling van de vrouw dat er in het verleden zwarte inkomsten zijn geweest voldoende aannemelijk is geworden. Dat de man tegen de navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen beroep bij de belastingkamer heeft ingesteld, doet daar niet aan af nu dit in feite slechts inhoudt dat de man ook in die procedure net als in de onderhavige (procedure) het bestaan van een geheime rekening in Luxemburg ontkent. Dit is onvoldoende om te kunnen spreken van een gemotiveerde betwisting door de man van het bestaan van zwarte inkomsten. Een en ander klemt temeer nu, gelet op het feit dat partijen in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd geweest, de aanslagen ook de vrouw regarderen. Gelet op de door de fiscus opgelegde aanslagen kan niet meer worden gesproken van een enkele stelling van de vrouw die door een betwisting van de man terzijde kan worden gesteld. Noch de door de man nagezonden tussenuitspraak van de belastingkamer van het hof, noch het feit dat de man stelt geen verklaring van de bank te kunnen overleggen maakt dit anders.

4.6. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de man onvoldoende financiële inzage heeft verstrekt waardoor het hof niet in staat is zich voldoende inzicht te verwerven in het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan. Het verzoek van de man om vernietiging van de bestreden beschikking dient reeds om die reden te worden afgewezen. Bespreking van de overige grieven kan dan ook achterwege blijven.

4.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Clement, M. Wigleven en M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2007 door de rolraadsheer.