Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:BP6301

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-01-2006
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
1295/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg HR 13-04-2001 (LJN AB1065) en tussenarrest 26-02-2004 (LJN BP6300).

Eindarrest: Aanrijding op provinciale weg. Overstekende eend. Voldoende afstand houden. Plotseling onnodig krachtig remmen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ACHTSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van

[ APPELLANT ],

wonend te [ S ],

APPELLANT,

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

t e g e n

de naamloze vennootschap N.V. [ APPELLANT ]SCHAPPIJ VAN ASSURANTIE, DISCONTERING EN BELEENING DER STAD ROTTERDAM ANNO 1720,

gevestigd te Rotterdam,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. L.P. Broekveldt.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna weer [ Appellant ] en Stad Rotterdam genoemd.

Op 26 februari 2004 heeft het hof in deze zaak een tussenarrest uitgesproken, waarnaar het verwijst voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die dag.

Ingevolge het tussenarrest is op 29 juni 2004 een getuige gehoord.

Beide partijen hebben vervolgens een memorie na enquête genomen, eerst Stad Rotterdam.

Daarna hebben partijen opnieuw recht gevraagd op de stukken.

2. Beoordeling

2.1 Bij het tussenarrest is Stad Rotterdam toegelaten te bewijzen dat [ Appellant ] kort voor de botsing zeer plotseling en onnodig krachtig heeft geremd.

2.2 Teneinde het van haar verlangde bewijs te leveren heeft Stad Rotterdam haar verzekerde [ R ], de bestuurder van de bij de botsing betrokken Mazda, als getuige doen horen. [ Appellant ] heeft geen getuigen voorgebracht.

2.3 Het bewijs is niet geleverd. [ R ] heeft erkend dat het mogelijk is dat [ Appellant ] met de door hem bestuurde Opel zijn snelheid tot 50 km/u heeft verminderd, voordat [ Appellant ] zijn auto voor de overstekende eend tot stilstand bracht. Uit de verklaring van [ R ] volgt tevens dat hij een beoordelingsfout heeft gemaakt. [ R ] dacht dat [ Appellant ] zijn snelheid verminderde vanwege verkeer van een zijweg en veronderstelde dat [ Appellant ] zou optrekken omdat er van die zijweg geen verkeer kwam; toen [ R ] merkte dat [ Appellant ] niet optrok maar stopte, was het te laat: [ R ] is toen met zijn auto ondanks krachtig remmen tegen de auto van [ Appellant ] opgebotst.

2.4 De grieven van [ Appellant ] slagen derhalve. Zijn vordering moet worden toegewezen, met verwijzing van Stad Rotterdam in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Stad Rotterdam aan [ Appellant ] te vergoeden de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, die deze heeft geleden en nog zal lijden tengevolge van de aanrijding op 7 januari 1994, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 1994 tot de dag van voldoening;

verwijst Stad Rotterdam in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep en begroot die kosten voorzover tot heden aan de kant van [ Appellant ] gevallen, op € 975,23 voor de eerste aanleg en op € 2.901,24 voor het hoger beroep;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Huijzer, A. van Haeringen en D.J. Cohen Tervaert en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2006.