Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:BE9526

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
01-09-2008
Zaaknummer
23-004571-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI1363, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BI1363
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontucht met geestelijk gehandicapte kinderen door chakra-therapeut

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-004571-05

datum uitspraak: 11 oktober 2006

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van

26 juli 2005 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-129218-04, 13-128108-02, 13-067262-04, en 13-461694-05 (resp. zaak A, zaak B, zaak C en zaak D), van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [plaats]op [datum],

niet ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens

thans gedetineerd in [plaats detentie].

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens mededeling van de raadsman op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissingen waarbij verdachte is vrijgesproken van het hem in zaak A onder 3, eerste gedeelte, onder 4, tweede gedeelte en in zaak D, eerste gedeelte cumulatief tenlastegelegde en het in zaak B onder 1 en 3 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 8 juli 2005 en 12 juli 2005 en op de terechtzitting in hoger beroep van 27 september 2006.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen (A, B, C en D), in al die zaken overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 8 juli 2005 op vorderingen van de officier van justitie toegestane wijziging van de tenlastelegging. Van die dagvaardingen en vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

De daarin vermelde tenlasteleggingen, voorzover in hoger beroep nog aan de orde, worden hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- zal worden vernietigd.

Betrouwbaarheid van de door Getuige 1, Getuige 2 en Getuige 3 afgelegde verklaringen

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd - kort gezegd - dat de in in het kader van de studioverhoren afgelegde, en op videoband opgenomen, verklaringen van Getuige 1, Getuige 2 en Getuige 3 niet voor het bewijs gebruikt mogen worden omdat deze als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de deskundige prof. dr. R. Bullens in zijn rapport van 11 september 2006 omtrent de betrouwbaarheid van genoemde verklaringen de toegepaste verhoortechnieken ten aanzien van de door Getuige 1 op 17 mei 2004 en 16 november 2004 afgelegde verklaringen heeft bekritiseerd en daarnaast bij beide verklaringen een aantal opmerkelijkheden en/of inconsistenties heeft geconstateerd. Doordat Getuige 1 twee maal op slechte en sturende wijze is verhoord en zij - ten gevolge van het op 8 juli 2004 afgenomen verhoor omtrent seksueel misbruik door een buurjongen - andere seksuele ervaringen heeft geprojecteerd op verdachte is ook de inhoud van de door haar afgelegde verklaring van 13 juli 2005 niet betrouwbaar. Bovendien heeft de deskundige de mogelijkheid geopperd dat in de onderhavige zaak ‘ruis’ is ontstaan.

Met betrekking tot de door Getuige 2 op 30 oktober 2004 en 13 juni 2005 afgelegde verklaringen heeft de raadsman aangevoerd dat bovengenoemde deskundige in zijn rapport ook de toegepaste verhoortechnieken ten aanzien van die verklaringen heeft bekritiseerd, dat hij heeft geconcludeerd dat zowel binnen de tweede verklaring als tussen de verklaringen onderling inconsistenties zijn te vinden en voorts dat Getuige 2 is beïnvloed in het afleggen van zijn (tweede) verklaring over seksueel misbruik door de verdachte.

Tenslotte heeft de raadsman met betrekking tot het op 4 november 2004 afgenomen studioverhoor van Getuige 3 aangevoerd dat dit een dermate moeilijke aangelegenheid was dat hiertoe een externe deskundige is aangetrokken en de rechtbank die verklaring naar aanleiding van het verslag van die deskundige niet voor het bewijs heeft gebruikt. De wijze van totstandkoming van het verhoor van 13 juni 2006 is wederom bekritiseerd door de deskundige prof. dr. R. Bullens in zijn rapport, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

1. Voor wat betreft de betrouwbaarheid van de verklaringen van Getuige 1 van 17 mei 2004, 8 juli 2004, 16 november 2004 en 13 juni 2005, van Getuige 2 van 30 oktober 2004 en 13 juni 2005 en van Getuige 3 van 4 november 2004 en 13 juni 2005, alle afgelegd bij gelegenheid van een studioverhoor, heeft het hof acht geslagen op de inhoud van die verklaringen en heeft het hof in het bijzonder gelet op het pro-justitia rapport met betrekking tot de betrouwbaarheid van die verklaringen, opgemaakt op 11 september 2006 door prof. dr. R. Bullens, vast beëdigd deskundige.

2. De verklaring van Getuige 1 van 8 juli 2004 over seksueel misbruik door een buurjongen gaat niet over aan verdachte verweten handelingen en zal hier verder buiten beschouwing blijven. Met betrekking tot de op 17 mei 2004 en 16 november 2004 afgenomen studioverhoren van Getuige 1 is de deskundige van mening dat deze op zeer matige wijze zijn afgenomen vanwege de suggestieve bevraging, het veelvuldig inbrengen van voorinformatie en de duidelijk vooringenomen houding van de interviewer. Getuige 1 heeft gedurende het eerste verhoor niet belastend voor verdachte met betrekking tot seksueel misbruik verklaard. Op 16 november 2004 heeft zij een belastende verklaring afgelegd. De deskundige stelt - onder meer - dat de meeste informatie van de interviewer komt en dat de verklaring van Getuige 1 een aanzienlijk aantal opmerkelijkheden en/of (lichte) inconsistenties bevat. Over de wijze waarop de verklaring van 13 juni 2005 is afgenomen, merkt de deskundige op dat van het grote aantal controlevragen een bedekt suggestieve werking kan zijn uitgegaan, maar dat het verhoor op redelijke wijze is afgenomen. De deskundige merkt met betrekking tot de inhoud op, dat de grote hoeveelheid nieuwe informatie die Getuige 1 in deze verklaring geeft opvallend is te noemen en dat hetgeen zij vertelt veel overlap vertoont met het seksueel misbruik door haar bovenbuurjongen. De deskundige is van mening dat Getuige 1 in gemiddelde mate suggestibel is. Ook deze verklaring bevat een aanzienlijk aantal opmerkelijkheden en/of inconsistenties en de verklaring verschilt (sterk) met de eerder door haar afgelegde verklaringen.

Met betrekking tot de betrouwbaarheid in het algemeen en een waarschijnlijk scenario met betrekking tot de totstandkoming van de verklaringen van Getuige 1, concludeert de deskundige dat niet uitgesloten kan worden dat Getuige 1 is beïnvloed en dat haar verklaringen dusdanig blootgesteld geweest zijn aan ‘ruis’ dat niet meer te achterhalen valt in hoeverre deze verklaringen door alle omstandigheden zijn beïnvloed (p. 98 en 99).

3. Het hof heeft vastgesteld dat de inhoud van bovengenoemde verklaringen van Getuige 1 zeer uiteenlopend is en is van oordeel, in lijn met de kritische kanttekeningen, die de deskundige zowel bij de toegepaste verhoortechnieken als bij de inhoud van haar verklaringen, heeft gemaakt, dat de verklaringen van Getuige 1 (van 17 mei 2004, 8 juli 2004, 16 november 2004 en 13 juli 2005) niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Dit brengt mee dat geen direct bewijs voorhanden is van de gedragingen die aan verdachte met betrekking tot Getuige 1 verweten worden. Als minder direct bewijs bevat het dossier echter de verklaringen van Getuige 6 van 11 mei 2004 en van Getuige 7 van 15 november 2004 (pagina 12-14 resp. pagina 251-253 van het dossier met proces-verbaalnummer 2004092343-3), waarin zij weergeven wat Getuige 1 hun heeft verteld over hetgeen verdachte heeft gedaan. Het hof merkt op dat de uitlatingen van Getuige 1 aan voornoemde getuigen een spontaan karakter hebben, zonder dat sprake was van beïnvloeding door derden. Het hof achte deze verklaringen betrouwbaar en overtuigend, te meer omdat deze op onderdelen steun vinden in hetgeen verdachte heeft verklaard.

Het hof ziet in hetgeen door de raadsman met betrekking tot de verklaringen van Getuige 6 en Getuige 7 is aangevoerd geen redenen te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de inhoud van die verklaringen, waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat eerdergenoemde deskundige Bullens in zijn rapport bevestigt dat hetgeen Getuige 1 aan Getuige 7 en Getuige 6 heeft verteld een authentieke en ongecontamineerde indruk maakt.

4. Het studioverhoor van Getuige 2 van 30 oktober 2004 acht de deskundige op matige tot redelijke wijze afgenomen. In dit verhoor verklaart Getuige 2 niet belastend voor verdachte met betrekking tot eventueel seksueel misbruik. Met betrekking tot de op 13 juni 2005 door Getuige 2 afgelegde belastende verklaring is de deskundige van mening dat het studioverhoor hiertoe op redelijk goede wijze is afgenomen. De deskundige merkt op dat inhoudelijk zowel binnen die verklaring als tussen die verklaring en de op 30 oktober 2004 afgelegde verklaring inconsistenties zijn te vinden en dat de verklaring enkele opmerkelijkheden bevat.

Met betrekking tot de betrouwbaarheid in het algemeen en een waarschijnlijk scenario met betrekking tot de totstandkoming van de verklaringen van Getuige 2 concludeert de deskundige dat niet uitgesloten kan worden dat Getuige 2 is beïnvloed (‘door de algehele commotie, door de druk die hij wellicht voelde, door een zekere wenselijkheid om bepaalde informatie te verschaffen c.q. informatie te creëren, door het feit dat hij dhr. M. nooit echt vertrouwde en door de wens om weer thuis te kunnen wonen’) en dat hij op basis daarvan een verklaring aangaande seksueel misbruik heeft afgelegd (p. 98 en 99).

5. De tegenstrijdigheden in de door Getuige 2 afgelegde verklaringen van 30 oktober 2004 en 13 juni 2005 zijn ook door het hof gesignaleerd. Het hof is van oordeel, in lijn met de kritische kanttekeningen die de deskundige, zowel bij de toegepaste verhoortechnieken als bij de inhoud van zijn verklaringen, heeft gemaakt, dat de verklaringen van Getuige 2 niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

6. Met betrekking tot de totstandkoming van de door Getuige 3 op 4 november 2004 afgelegde verklaring is de deskundige van mening dat het verhoor op redelijke wijze is afgenomen. De deskundige bekritiseert de inhoud van die verklaring niet. Hij merkt op dat ten gevolge van haar verstandelijke handicap, Getuige 3 korte antwoorden geeft en niet altijd duidelijk is wat zij bedoelt en of zij begrijpt wat haar wordt gevraagd. Daarnaast is de deskundige van oordeel dat Getuige 3 regelmatig mee gaat in gesloten vragen maar diverse malen suggestieresistent reageert en dat zij over het algemeen niet imponeert als zijnde in bovemate suggestibel.

7. In de door Getuige 3 op 4 november 2004 afgelegde verklaring zijn het hof inhoudelijk geen incongruenties opgevallen. Ook de deskundige heeft de inhoud alsmede de wijze van totstandkoming van die verklaring niet bekritiseerd. Het hof acht die verklaring dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Mede gelet op de opmerkingen van de deskundige, dat Getuige 3 de vragen van de interviewster niet altijd lijkt te begrijpen, heeft het hof de inhoud van die verklaring, die overigens gedeeltelijk steun vindt in de verklaring van haar broertje Getuige 4 en de verklaring van verdachte zelf, met de grootst mogelijke behoedzaamheid gewogen.

8. De deskundige bekritiseert de toegepaste verhoortechnieken bij het studioverhoor van Getuige 3 van 13 juni 2005 en stelt dat inhoudelijk zowel binnen die verklaring als tussen die verklaring en de op 4 november 2004 afgelegde verklaring inconsistenties zijn te vinden.

9. Het hof heeft tegenstrijdigheden binnen de verklaring van Getuige 3 van 13 juni 2005 vastgesteld en zal, mede in aanmerking genomen de kritiek van de deskundige op de wijze van totstandkoming en op de inhoud van de verklaring, die verklaring niet voor het bewijs bezigen.

Overige ter terechtzitting gevoerde verweren

De verklaringen van Getuige 5

Nu Getuige 5 ten overstaan van de rechter-commissaris op 27 juni 2005 haar belastende verklaring bij de politie van 3 juni 2004 op essentiële onderdelen heeft ingetrokken en zij, zoals de raadsman terecht heeft betoogd, niet ter terechtzitting is gehoord, zal het hof slechts haar verklaring van 27 juni 2005 voor het bewijs gebruiken. Het hof acht die verklaring voldoende betrouwbaar, terwijl deze wordt ondersteund door de verklaring van Getuige 8 van 3 juni 2004. Alhoewel Getuige 8 in haar verklaring niet mededeelt dat Getuige 5 haar verteld zou hebben dat verdachte haar borsten heeft aangeraakt, was Getuige 9 hiervan blijkens haar verklaring van 7 juni 2004 wel op de hoogte. Voorts heeft verdachte de verklaring van Getuige 5 gedeeltelijk bevestigd.

Ontuchtige handelingen

Namens verdachte is - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de handelingen als bedoeld in de tenlastelegging (naar het hof begrijpt met betrekking tot de feiten in zaak A onder 3, in zaak B onder 2, en in zaak C onder 1 en 2) niet als ontuchtige handelingen moeten worden beschouwd, nu deze handelingen zijn verricht in het kader van de uitoefening van de therapeutische behandeling door verdachte en daarbij elke seksuele intentie of prikkel heeft ontbroken.

Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

1. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 9 oktober 1991, Stb. 519 (Kamerstukken II, 1988-1989, 20 930, nr. 3) gaat het bij het begrip ‘ontuchtige handelingen’ in de zin van artikel 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm.

De artikelen 247 en 249 Sr strekken tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die daartoe zelf, gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen worden geacht niet of onvoldoende in staat te zijn respectievelijk tot bescherming van minderjarigen in een afhankelijke positie doordat een ander een overwicht op hen heeft en als gevolg van die afhankelijkheid en dat overwicht minder weerstand (aan de dader) kunnen bieden dan anderen (vgl. HR 24 juni 1997, NJ 1997, 676 resp. HR 7 januari 1997, NJ 1997, 361).

Voor de vraag of een handeling als ontuchtige handeling kan worden gekwalificeerd, is dan ook niet doorslaggevend of de dader met de handeling zelf ontuchtige bedoelingen had.

2. Met betrekking tot de aan verdachte - hier van belang zijnde - tenlastegelegde handelingen is uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende komen vast te staan:

- Verdachte heeft (ter terechtzitting in hoger beroep) verklaard dat hij tijdens zijn gecombineerde behandelingen chakramassages gaf aan de kinderen waarbij hij het gehele lichaam van onder tot boven, voor en achter aanraakte. De geslachtsdelen en billen en/of borsten maken deel uit van het gehele lichaam en werden daarbij dus ook aangeraakt, aldus verdachte.

- De patiënten, onder wie minderjarige kinderen, die een chakramassage ontvangen zijn gedurende die behandeling naakt, hetgeen behoort tot de behandelingsmethodiek van verdachte.

- Verdachte heeft (ter terechtzitting in hoger beroep) voorts verklaard dat, alhoewel dit ten behoeve van de massages niet noodzakelijk was, hij tijdens het geven van de massages zelf doorgaans ook naakt was.

- De therapeutische behandelingen, waaronder de chakramassages, werden door verdachte niet alleen verricht op de ‘behandeltafel’, te weten op een matras op de grond in het kantoor / kinderdagverblijf, maar ook in het bed van de slaapkamer van verdachte op zijn boot

- Verdachte gaf de chakramassages ook gedurende zogenaamde nachtbehandelingen (verklaring Getuige 10).

3. Het hof is van oordeel dat het aanraken van de geslachtsdelen en/of borsten en/of billen, gezien de wijze waarop en de omstandigheden waaronder verdachte die handelingen verrichtte, veel verder gingen dan in het kader van een – overigens niet wetenschappelijk erkende - gecombineerde therapie en in het bijzonder therapeutische massage door een niet erkende arts of therapeut verantwoord en aanvaardbaar is, alsmede dat die handelingen -ook voor sommige slachtoffers- een duidelijke seksuele lading hadden.

Als gevolg van hun jonge leeftijd, afhankelijke positie, achterstand in ontwikkeling van de geestvermogens en soms lichamelijke handicap waren de slachtoffers bovendien niet in staat zich aan de handelingen van verdachte te onttrekken, als zij de betekenis daarvan al konden doorgronden. Zo heeft Getuige 5 verklaard dat zij niet tegen verdachte kon zeggen dat ze het onprettig vond bij hem te slapen omdat zij bang voor verdachte was (verklaring van 27 juni 2005). Getuige 4 heeft verklaard dat hij verdachte niet durfde te zeggen dat hij het niet leuk vond dat hij bij verdachte in zijn blootje moest slapen en verdachte met zijn zusje knuffelde (verklaring van 5 november 2004, doorgenummerde p. 78 en 88 van het dossier met registratienummer 2004266299-1).

4. Het hof merkt in dit verband nog op dat verdachte (naar hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard) de ouders van Getuige 1 en Getuige 2 niet verteld heeft dat hij doorgaans naakt was tijdens de behandelingen en hen voorts niet heeft verteld dat de kinderen naakt rondliepen. Blijkens hun verklaringen waren de ouders van Getuige 3 in het geheel niet door verdachte op de hoogte gesteld van de therapeutische lichamelijke behandelingen met chakramassages die verdachte hun dochter gaf (verklaringen van 30 oktober 2004, pagina 8-16 van dossier met registratienummer 2004266299). Zowel Getuige 1 (verklaring van 11 mei 2004 van Getuige 6, pagina 12 en 13 van dossier met registratienummer 2004092343-3) als Getuige 4 (bovengenoemde verklaring, pagina 90) hebben verklaard dat zij niet mochten praten over hetgeen zich tussen verdachte en de kinderen afspeelde. De geheimen die verdachte rond de behandelingen in stand trachtte te houden, duiden er op dat verdachte zich er zeer van bewust was dat dergelijke handelingen door anderen dan de minderjarigen die zich niet in staat waren aan die handelingen te onttrekken, maatschappelijk niet aanvaardbaar waren.

5. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Ontuchtig afscheren van schaamhaar

Ten aanzien van de in zaak B onder 2 tenlastegelegde ontuchtige handeling, bestaande in het afscheren van het schaamhaar van Getuige 11, heeft verdachte betoogd dat ook aan deze handeling het ontuchtig karakter ontbreekt omdat dit uit medische noodzaak en voorts uit oogpunt van hygiëne geboden was.

Het hof verwerpt dit verweer.

Vast staat dat verdachte geen toestemming van de moeder van Getuige 11 had om het schaamhaar van haar dochter af te scheren, hetgeen ook door verdachte wordt erkend. Enige medische noodzaak tot het afscheren van het schaamhaar is niet aannemelijk geworden. Er bevinden zich voorts geen stukken in het dossier die de stelling van verdachte dat zijn huisarts een dergelijke handeling goedkeurde, onderschrijven.

Het hof is van oordeel dat het afscheren van het schaamhaar van Getuige 11 door verdachte een ontuchtige handeling is die past in het patroon van het optreden van verdachte jegens jonge meisjes en de gesprekken die verdachte met jonge meisjes heeft gevoerd, zoals dit uit het dossier naar voren komt. Zo heeft verdachte de destijds minderjarige Getuige 12, met wie hij een seksuele verhouding had, gevraagd haar schaamhaar af te scheren (verklaring van 10 december 2002, dossierpagina 75 van het dossier met proces-verbaalnummer 2002091578-1), heeft verdachte de ouders van Getuige 3 verzocht het schaamhaar van hun dochter af te mogen scheren (p. 11 en 14-15 van dossier met registratienummer 2004266299) en heeft verdachte (ter terechtzitting in hoger beroep) verklaard dat hij met Getuige 1 een gesprek heeft gevoerd over het afscheren van haar schaamhaar.

Afbeeldingen met seksuele gedragingen

Verdachte heeft met betrekking tot het in zaak A onder 2 tenlastegelegde feit ter terechtzitting aangevoerd dat de betreffende foto’s geen seksuele gedragingen bevatten omdat er geen ‘handeling’ door de gefotografeerde of een derde wordt verricht op de afbeelding.

De raadsman van verdachte heeft voorts betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit omdat de wederrechtelijkheid ontbreekt nu verdachte de foto’s onder zich had met de intentie van een telekinetische behandeling van de afgebeelde meisjes en uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot artikel 240b Sr afgeleid kan worden dat niet bedoeld is het voorhanden hebben van dergelijke foto’s voor wetenschappelijke, educatieve of therapeutische doeleinden strafbaar te stellen.

1. Hieromtrent overweegt het hof in de eerste plaats dat het begrip ‘seksuele gedraging’ in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht ruim moet worden opgevat. Voorzover verdachte heeft bedoeld aan te voeren dat de term ‘seksuele gedraging’ in artikel 240b Sr inhoudt dat voor toepasselijkheid van die bepaling minstens twee deelnemers zijn vereist of dat degene die in beeld is gebracht een seksuele handeling bij zichzelf moet verrichten, overweegt het hof dat die stelling geen steun vindt in het recht. Het hof merkt in dit verband op dat door de manier waarop en de toestand waarin een geslachtsdeel is gefotografeerd, het poseren een seksuele gedraging kan opleveren (vgl. HR 4 december 1990, NJ 1991, 312).

2. Op de betreffende foto’s is steeds een geheel naakt meisje in een onnatuurlijke en seksueel uitdagende houding afgebeeld, waarbij de nadruk ligt op de geslachtsdelen en ook uit het totaalbeeld van de foto’s komt duidelijk naar voren dat het gaat om de geslachtsdelen. Zoals verdachte (ter terechtzitting in eerste aanleg) heeft verklaard, hebben de meisjes op zijn verzoek op die wijze geposeerd. De stelling van verdachte dat het om een natuurlijke lotushouding ging, kan niet als juist worden aanvaard.

3. Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat het op de vorenomschreven wijze poseren een gedraging vormt welke door de manier waarop en de toestand waarin het geslachtsdeel en de geposeerde zijn gefotografeerd, een seksueel karakter heeft.

Het verweer van de verdediging dat de foto’s bestemd zijn voor een zuiver therapeutische behandeling van de geportretteerden op afstand acht het hof volstrekt ongeloofwaardig, mede gelet op de plaats waar de foto’s in het huis van verdachte zijn aangetroffen, te weten het kastje in de slaapkamer van verdachte op zijn woonschip naam (pagina 23 zaak ‘logica’, procesverbaalnummer 2004252887 en pv van bevindingen met nummer 2004252887-15 van 18 oktober 2004, opgemaakt door Brigadier, brigadier van politie).

4. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Vrijspraak

Zaak A onder 4

Tegen de achtergrond van het dossier en hetgeen de verdachte is verweten omtrent seksueel misbruik is het hof van oordeel dat de hem in zaak A onder 4 tenlastegelegde bedreigende woorden niet duiden op een misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling. Mitsdien zal het hof verdachte hiervan vrijspreken.

Zaak C onder 1, eerste deel

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van het seksueeel binnendringen van het lichaam van Getuige 1, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Zaak D

De primaire kenbron van de beschuldiging met betrekking tot Getuige 2 is het proces-verbaal van studioverhoor van 13 juni 2005 van Getuige 2. Het hof zal die verklaring, zoals hiervoor al is overwogen, niet gebruiken voor het bewijs. In het dossier bevindt zich geen ondersteundend bewijs dat rechtsstreeks betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen van verdachte jegens Getuige 2. Bij deze stand van zaken zal het hof verdachte vrijspreken van het hem in zaak D tenlastegelegde.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3, tweede en derde gedeelte, in zaak B onder 2 en 4 en in zaak C onder 1, tweede en derde gedeelte en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

- ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde -

hij op 15 oktober 2004 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een enkelloops geweer, merk/type Franchi/Auilon-trois coups, voorhanden heeft gehad.

- ten aanzien van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde –

hij op 15 oktober 2004 te Amsterdam afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten

een foto met daarop afgebeeld een geheel naakt meisje in de leeftijd van 7 tot en met 13 jaar oud op een bed met witte lakens en een wit kussen, terwijl het karakter van de afbeelding is:

- die van een jeugdige in een onnatuurlijke pose

- die van een jeugdige in een duidelijk seksueel getinte houding

- waarbij de nadruk op de geslachtsdelen is gelegd

- waarbij uit het totale beeld duidelijk is dat het gaat om de geslachtsdelen

en

een foto met daarop afgebeeld een geheel naakt meisje in de leeftijd van 7 tot en met 13 jaar oud op een bed met blauwe lakens en een groen kussen, terwijl het karakter van de afbeelding is:

- die van een jeugdige in een onnatuurlijke pose

- die van een jeugdige in een duidelijk seksueel getinte houding

- waarbij de nadruk op de geslachtsdelen is gelegd

- waarbij uit het totale beeld duidelijk is dat het gaat om de geslachtsdelen.

- ten aanzien van het in zaak A onder 3 (2e en 3e gedeelte) tenlastegelegde -

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2003 tot en met 30 september 2004 te Amsterdam telkens met Getuige 3, geboren op 21 juli 1989, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten van de vagina en/of de borsten en/of de billen van die Getuige 3

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2003 tot en met 30 september 2004 te Amsterdam telkens ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige Getuige 3, geboren op 21 juli 1989, immers heeft hij, verdachte, telkens de vagina en/of de borsten en/of de billen van die Getuige 3 betast.

- ten aanzien van het in zaak B onder 2 tenlastegelegde -

hij in de periode van 13 augustus 2002 tot en met 14 augustus 2002 te Amsterdam met

Getuige 11, geboren op 3 februari 1989, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig afscheren van het schaamhaar van die Getuige 11

en

hij in de periode van 13 augustus 2002 tot en met 14 augustus 2002 te Amsterdam ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige

Getuige 11, geboren op 3 februari 1989, immers heeft hij, verdachte, het schaamhaar van die Getuige 11 afgeschoren.

- ten aanzien van het in zaak B onder 4 tenlastegelegde -

hij op 9 juli 2003 te Amsterdam opzettelijk voorhanden heeft gehad een vervalste ontheffingskaart voor een personenauto van het merk Peugeot, gekentekend kentekennummer ten behoeve van het vervoer van invalide - dan wel slecht ter been zijnde- bezoekers, voorzien van het nummer NUMMER en de geldigheidsdatum van 17 augustus 2000 tot en met 17 september 2002 – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen-, terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid hierin dat die ontheffingskaart was voorzien van een stukje papier met daarop het merk Peugeot en het kenteken kentekennummer

en

hij op of omstreeks 10 juli 2003 te Amsterdam opzettelijk voorhanden heeft gehad een valse ontheffingskaart voor een personenauto van het merk Fiat, gekentekend kentekennummer ten behoeve van het vervoer van invalide - dan wel slecht ter been zijnd e- bezoekers voorzien van het nummer NUMMER en de geldigheidsdatum van 1 januari 2002 tot en met 1 januari 2004 – zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen-, terwijl hij

wist dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid hierin dat die ontheffingskaart middels een computer geheel nagemaakt is.

- ten aanzien van het in zaak C onder 1 (2e en 3e gedeelte) tenlastegelegde -

hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2003 tot en met 15 oktober 2004 te Amsterdam telkens met Getuige 1, geboren op 16 januari 1989, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten van de vagina en/of borsten van die Getuige 1 en/of uit het kussen van de borsten van die Getuige 1

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2003 tot en met 15 oktober 2004 te Amsterdam ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde Getuige 1, geboren op 16 januari 1989, immers heeft hij, verdachte, telkens de vagina en/of borsten van die Getuige 1 betast en/of de borsten van die Getuige 1 gekust.

- ten aanzien van het in zaak C onder 2 tenlastegelegde -

hij op tijdstippen in de periode van 20 mei 2004 tot en met 2 juni 2004 te Amsterdam telkens met Getuige 5, geboren op 7 juni 1989, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig strelen of betasten van de borsten van die Getuige 5

en

hij op tijdstippen in de periode van 20 mei 2004 tot en met 2 juni 2004 te Amsterdam telkens ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde Getuige 5, geboren op 7 juni 1989, immers heeft hij, verdachte, de borsten van de Getuige 5 gestreeld of betast.

Hetgeen in zaak A onder 1, 2, 3, tweede en derde gedeelte, in zaak B onder 2 en 4 en in zaak C onder 1, tweede en derde gedeelte en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezengeachte:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met een betrekking tot een wapen van categorie III.

ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezengeachte:

een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het in zaak A onder 3 (tweede en derde gedeelte), in zaak C onder 1 (tweede en derde gedeelte) en in zaak C onder 2 bewezengeachte, telkens:

eendaadse samenloop van:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd

en

ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het in zaak B onder 2 bewezengeachte:

eendaadse samenloop van:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen

en

ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.

ten aanzien van het in zaak B onder 4 bewezengeachte:

opzettelijk een vals geschrift voorhanden hebben, terwijl hij weet dat het geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van de in zaak A onder 1, 2, 3, tweede en derde gedeelte en 4, in zaak B onder 2 en 4, in zaak C onder 1 en 2 en in zaak D tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Voorts heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen deels toegewezen en overigens niet ontvankelijk verklaard en heeft de rechtbank de teruggave aan verdachte gelast van de nog niet teruggegeven inbeslaggenomen voorwerpen met uitzondering van het inbeslaggenomen geweer, dat de rechtbank heeft onttrokken aan het verkeer.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de in zaak A onder 1, 2, 3, tweede en derde gedeelte en 4, in zaak B onder 2 en 4, in zaak C onder 1, tweede en derde deel en 2 en in zaak D, tweede en derde deel tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden. Hij heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij Getuige 3 wordt toegewezen en dat de vorderingen van de benadeelde partijen Getuige 1 en Getuige 2 deels worden toegewezen en overigens niet ontvankelijk zullen worden verklaard. Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd het geweer te onttrekken aan het verkeer en ten aanzien van de overige voorwerpen, met uitzondering van een videoband die reeds aan verdachte is teruggegeven, de teruggave aan verdachte te gelasten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich in een periode van ruim twee en een half jaar schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met minderjarige kinderen, onder wie meervoudig geestelijk en/of lichamelijk gehandicapte kinderen. De kinderen werden aan de zorg en waakzaamheid van verdachte als leider van een dagactiviteitencentrum voor gehandicapte kinderen toevertrouwd. In het kader van een gecombineerde therapeutische behandeling met chakramassages heeft verdachte de geslachtsdelen en/of borsten en/of billen van zijn slachtoffers betast en heeft hij de borsten van één van de gehandicapte slachtoffers gekust. De gehandicapte kinderen waren geheel afhankelijk van de zorg van verdachte zolang zij bij hem op het dagactiviteitencentrum of op zijn boot verbleven. Ook heeft verdachte de borsten van een buitenlands minderjarig meisje dat tijdelijk bij hem op zijn boot verbleef betast toen zij bij hem in bed lag en tijdens een massage. Dit meisje was geheel afhankelijk van verdachte nu zij de Nederlandse taal niet sprak en in Nederland niemand had om op terug te vallen.

Verdachte heeft bij zijn handelen alleen aan zichzelf en de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens gedacht en is voorbijgegaan aan de kwetsbaarheid van de jonge kinderen. Verdachte heeft aldus het vertrouwen, dat de kinderen en ook de ouders van de slachtoffers in hem hadden gesteld, op grove wijze beschaamd. Daarnaast heeft hij door zijn handelen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, die vanwege hun jeugdige leeftijd, afhankelijkheid en/of lichamelijke en/of geestelijke handicap in een kwetsbare positie verkeerden en niet in afdoende mate in staat waren aan het handelen van verdachte weerstand te bieden. Het is van algemene bekendheid dat de slachtoffers van zeer ernstige misdrijven, waaronder dergelijke zedendelicten zijn te rangschikken, nog lang ernstig kunnen lijden onder de psychische gevolgen.

Uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is het beeld naar voren gekomen dat op de boot van verdachte en in zijn dagactiviteitencentrum een sfeer heerste waarin naakt rondlopen en het naakt geven en ontvangen van massages waarbij borsten en geslachtsdelen werden betast of gestreeld normaal was, iets wat verdachte heeft beoogd en vond passen in de opzet van zijn therapeutische behandelingen van de minderjarigen. Als de minderjarige kinderen lieten merken iets niet te willen of niet leuk te vinden werd verdachte boos. Ook beangstigde verdachte zijn slachtoffers en schiep hij een sfeer van geheimen rond de behandelingen om te voorkomen dat zij hun ouders of derden zouden vertellen wat zich rond de therapeutische behandelingen afspeelde. Uit de manier waarop verdachte via het internet eerst contact heeft gelegd met de moeder van Getuige 5 en Getuige 5 vervolgens onder allerlei beloftes aan haar moeder alleen naar zijn woonschip heeft getroggeld, om haar vervolgens onder dreigementen zover te krijgen te doen en dulden wat hij beoogde, blijkt dat verdachte op zeer geraffineerde wijze te werk ging.

Het hof rekent het de verdachte in het bijzonder aan dat hij fundamenteel miskent dat wat hij heeft gedaan laakbaar is en schadelijke gevolgen kan hebben voor zijn slachtoffers. Uit de houding van verdachte tijdens de behandeling in hoger beroep kan het hof niet anders dan afleiden dat verdachte ervan overtuigd is dat zijn handelen niet strafbaar is en door de maatschappij als acceptabel beschouwd zou moeten worden, hetgeen het hof veel zorgen baart. Dit leidt het hof tot de gedachte dat verdachte zijn veroordeling niet zal accepteren en in die veroordeling geen redenen ziet zijn gedrag jegens minderjarige kinderen te veranderen.

De enige bescherming die de samenleving geboden kan worden tegen iemand als verdachte, die ”andersdenkenden” beticht van bekrompen opvattingen, is een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, zodat die persoon tijdelijk uit die samenleving gehaald wordt. Indien het uit hoofde van zijn beroep mogelijk was geweest zou het hof eveneens verdachte ontzetten uit het recht tot uitoefening van het beroep als begeleider en/of verzorger van minderjarige kinderen. Het hof had dit een passende bijkomende straf gevonden om te voorkomen dat verdachte op deze manier nog langer met kinderen omgaat.

De voorgaande overwegingen brengen mee dat het hof, hoewel het minder feiten bewezen acht dan de advocaat-generaal, geen reden ziet een lichtere straf op te leggen dan gevorderd, niettegenstaande het feit dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 augustus 2006, niet eerder is veroordeeld.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte in aanmerking komt voor strafvermindering omdat (a) in zaak B de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden is geschonden, en (b) bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld, te weten (i) voorafgaand en direct na de eerste aanhouding van verdachte in juli 2003 zijn door de Sociale Jeugd- en Zedenpolitie (zomaar) mensen en organisaties uit de omgeving van verdachte benaderd over seksueel misbruik door verdachte en (ii) door de late toevoeging van aanvullende stukken aan het dossier heeft de verdediging mevrouw VdK, die op dat moment reeds was overleden, niet kunnen horen over - naar het hof begrijpt - enkele uit die aanvullende stukken voortvloeiende vragen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

(a) Op 9 juli 2003 is verdachte in verzekering gesteld terzake van de in zaak B tenlastegelegde

feiten. De rechtbank te Amsterdam heeft op 26 juli 2005 vonnis gewezen ten aanzien van de aan verdachte in vier zaken tenlastegelegde feiten. Het hof stelt vast dat bedoelde redelijke termijn ten aanzien van de in zaak B tenlastgelegde feiten is geschonden met 17 dagen.

Uit het dossier blijkt dat in april 2004 naar aanleiding van een telefoontje van de moeder van Getuige 1 nader onderzoek is ingesteld naar seksueel misbruik van minderjarige kinderen door verdachte. Gezien de omvang van het onderzoek, de sterke verwevenheid tussen de in de verschillende zaken tenlastegelegde feiten waarin verdachte seksueel misbruik van minderjarige kinderen wordt verweten en de complexiteit van de zaken, gelegen in onder meer de moeilijkheid van het horen van de geestelijk gehandicapte slachtoffers, zal het hof volstaan met de vaststelling van de overschrijding van bedoelde redelijke termijn met 17 dagen en hieraan, mede gelet op de zeer geringe mate van overschrijding, geen gevolgen verbinden.

(b) Het standpunt van de raadsman dat (zomaar) mensen zijn benaderd ontbeert feitelijke grondslag en door de verdediging is niet aangegeven welk(e) voorschrift(en) is (zijn) geschonden respectievelijk welke niet naleving van de specifiek onder artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden vallende rechten en vrijheden aan de orde is, noch welk onherstelbaar nadeel de verdediging hierdoor zou hebben geleden. Een en ander is evenmin gebleken. Dit onderdeel van het verweer treft mitsdien geen doel. Ten aanzien van het betoog van de raadsman dat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen nadat aanvullende stukken in het dossier waren gevoegd overweegt het hof dat niet valt in te zien dat het plotseling overlijden van mevrouw VdK, waardoor zij niet meer gehoord kon worden, voor rekening van het openbaar ministerie zou moeten komen. Ook dit onderdeel van het verweer faalt mitsdien.

Het hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op het omtrent verdachte opgemaakt reclasseringsrapport van 30 september 2004 en het rapport van psycholoog J.M. Oudejans van 24 mei 2005.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen

Het hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geweer, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar aangezien het in zaak A onder 1 bewezengeachte met betrekking tot dit voorwerp is begaan, terwijl het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, te weten 2 foto's, zijnde afbeeldingen van seksuele gedragingen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien deze zijn vervaardigd of bestemd tot het begaan van het in zaak A onder 1 bewezengeachte, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.

Vordering van de benadeelde partij Getuige 3

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte in zaak A onder 3 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De verdachte heeft het thans in hoger beroep nog aan de orde zijnde deel van de vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het hem in zaak A onder 3 tenlastegelegde.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij ziet op kosten die niet door de benadeelde partij zelf zijn gemaakt, zodat zij niet kan worden aangemerkt als degene die deze schade heeft geleden. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij zal dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Vordering van de benadeelde partij Getuige 1

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte in zaak C onder 1 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 5105,38 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het hem in zaak C onder 1 tenlastegelegde feit.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak C onder 1 bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof stelt deze thans vast op een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade. De vordering zal dan ook tot dit bedrag worden toegewezen.Ten aanzien van de gevorderde € 105, 38 aan materiële schade is het hof van oordeel dat deze kosten niet door de benadeelde partij zelf zijn gemaakt, zodat zij terzake niet kan worden aangemerkt als degene die deze schade heeft geleden. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Vordering van de benadeelde partij Getuige 2

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte in zaak D tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 4082,42 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

Nu verdachte van het in zaak D tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, zal het hof de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk verklaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 55 lid 1, 57, 225, 240b, 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 4, in zaak C onder 1- eerste deel en in zaak D tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3- tweede en derde gedeelte, in zaak B onder 2 en 4 en in zaak C onder 1- tweede en derde gedeelte en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 1, 2,

3- tweede en derde gedeelte, in zaak B onder 2 en 4 en in zaak C onder 1- tweede en derde gedeelte en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 geweer, kleur bruin, ' Luigi Franchi' (nr. 4 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen van 12 juli 2005) en

- 2 foto's, zijnde afbeeldingen van seksuele gedragingen (behorende tot de foto's, genoemd onder nr. 3 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen goederen van 12 juli 2005).

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de in de aan dit arrest gehechte 'lijst met inbeslaggenomen voorwerpen' van 6 juli 2005 nader omschreven voorwerpen onder de nummers 2, 3 (met uitzondering van de 2 foto’s die op grond van bovenstaande beslissing reeds zijn onttrokken aan het verkeer) 4, 7, 8 en 9.

Ten aanzien van de benadeelde partij Getuige 3:

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij Getuige 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan Getuige 1, wonende te Amsterdam, rekeningnummer nummer, een bedrag van EUR 1.105,38 (duizend honderdvijf euro en achtendertig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 1.105,38 (duizend honderdvijf euro en achtendertig eurocent), zulks ten behoeve van Getuige 1.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 16 (zestien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij Getuige 2:

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door de 3e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. J.H.M. Willems en mr. J.M.A. van Atteveld, in tegenwoordigheid van mr. M. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 oktober 2006.