Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:BA6607

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
02/03725 DK
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de douanekamer van het Hof Amsterdam heeft belanghebbende bewezen dat de (meeste van de) door haar ingevoerde boter daadwerkelijk van oorsprong uit Estland was. Ondanks de omstandigheid dat de certificaten als “onjuist” moeten worden aangemerkt op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie, wordt zij derhalve beschermd door artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW. De uitnodigingen tot betaling moeten mitsdien (grotendeels) vernietigd worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 02/03725 DK

de dato 21 december 2006

1. De procedure

1.1. Op 5 juni 2002 is ter griffie een beroepschrift ingekomen van mr. X, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Y te Z, belanghebbende.

Het beroep, aangevuld bij brief van 17 maart 2003, is gericht tegen de in één geschrift vervat-te uitspraken van de inspecteur van het Douanedistrict B(hierna: de inspecteur) van 26 april 2002, kenmerk 00/352/12963/143, inzake de in drie geschriften vervatte bezwaarschriften van belanghebbende tegen in totaal 19 uitnodigingen tot betaling, waarvan vijf gedateerd 31 juli 2000, zeven gedateerd 6 oktober 2000 en zeven gedateerd 4 december 2000, ten bedrage van in totaal fl. 000 aan douanerechten.

1.2. Van belanghebbende is door de Griffier een griffierecht van € 218 geheven.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Op 23 juli 2003 is van belanghebbende een conclusie van repliek ingekomen. De inspecteur heeft bij brief van 22 september 2003 een conclusie van dupliek ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft op 13 februari 2004 en op 27 februari 2004 nadere stukken inge-diend.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van 8 maart 2004. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de zaak met kenmerk 02/03726 DK. Ter zitting zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende mr.X, alsmede namens de inspec-teur mr. Y. Ter zitting hebben partijen elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren overge-legd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

1.6. Het Hof heeft in de onder nummer 02/03726 DK geregistreerde zaak bij uitspraak van 14 juni 2004 aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschapen ( hierna: Hof van Justitie) verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in die uitspraak geformuleerde prejudi-ciële vragen. Met toestemming van partijen heeft het Hof de onderhavige zaak aangehouden totdat het Hof van Justitie op deze vragen uitspraak heeft gedaan.

1.7. Bij arrest van 9 maart 2006, Beemsterboer Coldstore Services, C-293/04 (verder: het ar-rest), heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op het onder 1.6 vermelde verzoek om een prejudiciële beslissing, voor recht verklaard:

“1) Artikel 220, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, is van toepassing op een douaneschuld die is ontstaan én is nagevorderd vóór de inwerkingtreding van deze verordening.

2) Wanneer bij een controle achteraf de in een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 vermelde oorsprong van de goederen niet meer kan worden bevestigd, moet dat certificaat worden aangemerkt als een „onjuist certificaat” in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, van verordening nr. 2913/92, zoals gewij-zigd bij verordening nr. 2700/2000.

3) Wie zich beroept op artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, van verordening nr. 2913/92, zoals ge-wijzigd bij verordening nr. 2700/2000, moet de nodige bewijzen ter onderbouwing van zijn vordering overleggen. Zo moeten in beginsel de douaneautoriteiten die op grond van dat artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, initio, douanerechten willen navorderen, bewijzen dat de afgifte van de onjuiste certifica-ten te wijten is aan de onjuiste weergave van de feiten door de exporteur. Wanneer het voor de douane-autoriteiten wegens een uitsluitend aan de exporteur toe te rekenen nalatigheid echter onmogelijk is, te bewijzen dat het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is opgesteld op basis van een juiste dan wel onjuiste weergave van de feiten door deze laatste, moet de belastingschuldige bewijzen dat dit door de autoriteiten van het derde land afgegeven certificaat op een juiste weergave van de feiten was geba-seerd.”

1.8. Het Hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het Hof van Justitie. Partijen hebben elk van deze gelegenheid gebruik gemaakt, de inspecteur bij brief van 26 september 2006, belanghebbende bij brief van 6 oktober 2006. Van deze stukken heeft de griffier een afschrift naar de wederpartij gezonden.

1.9. Een nadere mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 20 november 2006. Aldaar zijn toen verschenen mr. V. als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld van P. alsmede namens de inspecteur mr. W. Partijen hebben ter zitting elk een pleitnota overge-legd en voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

1.10. In de vorenvermelde zaak 02/3726 DK heeft op 4 september 2006 een nadere mondelin-ge behandeling plaatsgevonden. Het Hof heeft in die zaak op 19 december 2006 uitspraak gedaan.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, douane-expediteur, heeft in de tweede helft van 1997 in opdracht van R te R (Frankrijk) in totaal 19 aangiften voor het vrije verkeer gedaan voor boter. Het betrof boter, welke voorafgaand aan de door belanghebbende ingediende aangiften onder de regeling douane-entrepot was opgeslagen in een door B.V. N te .. (Nederland) beheerd douane-entrepot.

2.2. Bij de onder 2.1 bedoelde aangiften voor het vrije verkeer is telkens Estland als land van oorsprong aangegeven en werd aanspraak gemaakt op toepassing van een preferentieel tarief. Ten bewijze van de Estse oorsprong van de boter werd bij de aangiften telkens een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgelegd. Evenbedoelde certificaten zijn door de douaneau-toriteiten in Estland afgegeven op schriftelijke aanvraag van de in Rapla (Estland) gevestigde AS L Ltd (hierna: L), de exporteur van onder meer de door belanghebbende voor het vrije verkeer aangegeven zendingen boter. Bij de afhandeling van de aangiften is de preferentie toegekend; de boter is derhalve met toepassing van het preferentiële tarief in het vrije verkeer gebracht.

2.3. Vorenvermelde uitnodigingen tot betaling zien op 19 zendingen boter welke onder over-legging van de volgende certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 (hierna ook: de certifica-ten) voor het vrije verkeer zijn aangegeven:

Certificaat Vermeldingen op het certificaat

Afgiftedatum Goederen Factuur Vervoermiddel

AB 1 3 september 1997 “1.226 cartons on 7 one way pallets” nr. 339

03-09-97 By truck yyy

AB 2 16 oktober 1997 “880 cartons, 20 pallets » nr. 399

15-10-97 By truck zzz

2.4. Naar aanleiding van signalen over carrouselfraude met boter tussen de EU en Estland heeft de Europese Commissie een communautaire delegatie samengesteld die in samenwer-king met de douaneautoriteiten in Estland gedurende de periode 13 maart 2000 tot 17 maart 2000 een missie heeft uitgevoerd. Daarbij is onderzoek verricht naar de geldigheid van een aantal certificaten inzake goederenverkeer EUR.1, waaronder de door belanghebbende bij de onder 2.3 vermelde aangiften overgelegde certificaten. Het onderzoek heeft onder meer plaatsgevonden bij L. Voor zover van belang is in het missieverslag van 18 april 2000, ken-merk Pre-Irene nr. 97.6.015 (verder: het missieverslag) het volgende vermeld over de missie:

“1.1. Algemeen

(…) De aanvankelijke verdenking van een carrousel van EU-boter via Estland werd bevestigd na mon-sterneming en analyse in Duitsland in 1997 van ingevoerde partijen boter met Estland als opgegeven land van herkomst en vallend onder Estlandse EUR.1-certificaten die namens deze onderneming (Hof: L) waren afgegeven. Uit een wetenschappelijke analyse van deze monsters, onder meer bestaande uit tests door drie verschillende Duitse wetenschappers, is gebleken dat deze boter niet in Estland kon zijn geproduceerd (…). Er zijn geen monsters genomen van nog eens 1000 ton boter van L, die uitsluitend in Nederland is ingevoerd. (…)

1.2. Doel van de missie

Om de lopende terugvorderingsprocedure in Duitsland te ondersteunen en het onderzoek uit te breiden tot alle partijen die via L zijn verhandeld, werd het noodzakelijk geacht om de Estlandse douane om bij-stand te verzoeken. Door middel van een gezamenlijke controle van de activiteiten van L (…) zouden beide diensten moeten kunnen vaststellen of de in 1997 door L naar de Gemeenschap vervoerde boter uit Estland afkomstig was (…).

3. Organisatie van de missie

(…) werd aangegeven dat de douane in het verleden klaarblijkelijk nooit een werkelijke audit bij het bedrijf (Hof: L) heeft uitgevoerd, maar dat de douane L alleen van tijd tot tijd heeft verzocht om alge-mene stukken te verstrekken, waaronder cijfers inzake de inkoop van melk en overeenkomsten voor de aankoop van melk met het oog op de afgifte van EUR.1-certificaten (…).

De Estlandse douaneambtenaren verzochten de vertegenwoordigers van L om schriftelijke bewijsstuk-ken om de door de heer H (Hof: de directeur van L) genoemde productie- en verkoopcijfers te onder-bouwen. (…) De heer (…) en een vrouwelijke verantwoordelijke (…) bevestigden het bestaan van een zuivel-“logboek” met de dagelijkse productiecijfers, maar verklaarden dat dit logboek niet onmiddellijk beschikbaar was (…). De heer H (…) erkende dat het niet mogelijk zou zijn om de gegevens te ver-strekken omdat het zijn medewerkers aan tijd ontbrak om ze onmiddellijk op te sporen. Hij zegde echter toe dat de douane van Estland er in de zeer nabije toekomst over zou kunnen beschikken. Hij betreurde dat het logboek onvindbaar was (…).

Het was duidelijk dat in deze week het gezamenlijke onderzoek naar de herkomst van de uitgevoerde boter niet bij L zou kunnen worden uitgevoerd. (…) Het team van de Gemeenschap gaf aan dat de ex-porterende onderneming tot dusverre niet overtuigend had aangetoond dat de boter daadwerkelijk uit Estland afkomstig was (…) Wanneer de onderneming op dit punt in gebreke zou blijven, zouden de desbetreffende EUR.1-certificaten onmiddellijk moeten worden ingetrokken (…).

4.1. Eindresultaat van de missie

Het gezamenlijke onderzoek is nog niet afgerond omdat de Estlandse onderneming tijdens de missie niet de noodzakelijke documenten kon overleggen om aan te tonen dat de boter die hij in (…) 1997 naar de Gemeenschap heeft uitgevoerd ook daadwerkelijk voldeed aan de criteria voor afgifte van een Est-landse verklaring van herkomst.(…)”

2.5. Bij faxbericht van 13 juni 2000 heeft het Hoofd van de afdeling Handhaving van de Estse douane aan de Europese Commissie bericht dat tijdens de bij L uitgevoerde controle is geble-ken dat L niet de oorspronkelijke documenten heeft bewaard die de oorsprong van de boter bevestigen en dat op grond van de beschikbare gegevens de oorsprong van de door L geëxpor-teerde boter niet kan worden bevestigd. Bij dit faxbericht is een lijst gevoegd van EUR.1-certificaten die tussen 2 januari 1997 en 29 december 1997 op aanvraag van L zijn afgegeven. Bij faxbericht van 13 juli 2000 heeft het Hoofd van de afdeling Handhaving aan deze lijst nog vier certificaten toegevoegd. In laatstbedoeld faxbericht is, voor zover van belang, het vol-gende vermeld:

“Hereby we apologize that the list made by Tallinn Customs House about AS L’s EUR 1 certificates tot be annulled, was not complete. Four more EUR 1 certificates are annulled: (…)

De door belanghebbende bij de onder 2.1 vermelde aangiften voor het vrije verkeer gevoegde certificaten zijn beide vermeld in de hier bedoelde lijsten van EUR.1-certificaten.

2.6. Omdat de Estse oorsprong van de boter niet meer door L kon worden bevestigd, heeft de inspectie van de douane te Tallinn (Estland) bij kennisgeving van 14 juli 2000 de onder 2.4 bedoelde certificaten ongeldig verklaard en ingetrokken. Na daartegen door L ingediend be-zwaar heeft de Estonian Customs Board bij uitspraak van 11 september 2000, nr. 1.1-8/1886 de ongeldigverklaring van de certificaten door de inspectie te Tallinn nietig verklaard om – kort gezegd – redenen van formele aard.

2.7. Naar aanleiding van dit een en ander heeft de inspecteur de litigieuze uitnodigen tot beta-ling vastgesteld.

2.8. Ten bewijze van de oorsprong van de boter, vermeld op de in 2.3 aangehaalde EUR.1-certificaten heeft belanghebbende met betrekking tot elk van deze certificaten na te melden stukken overgelegd:

a) een factuur van L aan belanghebbendes vorenvermelde opdrachtgever R, gedateerd als aangegeven op bedoelde EUR.1-certificaten. Het nummer van de factuur met betrek-king tot de zending waarbij EUR.1-certificaat AB1 is overgelegd, komt overeen met het op het desbetreffende certificaat vermelde factuurnummer. Het nummer van de bij EUR.1-certificaat AB2 overgelegde factuur is 398. De geleverde goederen zijn op de factuur omschreven als: ‘Estonian origin, butter unsalted, frech production, packed in cartons boxes 25 kgs, net each, on pallets’. Op de facturen zijn voorts vermeld de ken-tekens van de vrachtwagen/trailercombinaties waarmee de goederen werden vervoerd, alsmede Tallinn als “port of loading”.

b) Een genummerd veterinair certificaat, afgegeven door het veterinaire centrum van het district Rapla (Estland) en ondertekend door de hoofdveearts van dit centrum, waarop onder vermelding van het meervermelde kenteken van de vrachtwa-gen/trailercombinatie voor een als “Estonian origin unsalted butter, cartons” omschre-ven goed, door deze – als staatsveearts aangeduide – veearts als volgt is verklaard:

“I, (…) certify that the named animals products have been examined duly by me and originale from localities not affected by infectious diseases. The products are received from healthy ani-mals (poultry) and fully correspond tot the veterinary and sanitary requirements (…) I certify that the Republic of Estonia has been free from foot- and mouth disease, (…) bovine spongi-form encephalopathy during the last three years. The raw products are stored up in Estonia and are safe from radioactivity.”.

c) Een gezondheidscertificaat waarin door een aan het veterinaire centrum van Rapla verbonden staatsveearts voor de hier bedoelde boter en onder vermelding van het ken-teken van de vrachtwagen en de productiedatum van de desbetreffende zending boter het volgende is aangegeven:

“Goods: Estonian unsalted sweetcream butter

Weight: (…) kgs net, (…) kgs gross

Plant/Factory Code: 61003722

Name and address of manufacturer/producer: L Ltd. Street 16, Tallinn, Estonia

Rapla Dairy, Vet. no. 105

(…)

Exported to: R

Production date/ Lots nr.:

(…)

We, the undersigned, herewith certify in connection with above mentioned export, that:

(…)

- the dairy where the goods were produced is under constant supervision of health authorities (…)

-the milk, from which the butter was made, comes from healthy cows and regions where was no (…) contagious diseases (…)”.

d) Een door de staatsveearts van het district Rapla afgegeven en ondertekend radioactivi-teitscertificaat met betrekking tot de desbetreffende door L geproduceerde zendingen boter. Ook op dit certificaat is het kenteken van de vrachtwagen/trailercombinatie waarmee de desbetreffende zending vervoerd werd, vermeld, alsmede de productiedata van de desbetreffende boter, en het netto en bruto gewicht.

e) Een door de staatsveearts van het district Rapla afgegeven en ondertekend analysecer-tificaat met betrekking tot de zending door L geproduceerde en voor R bestemde “Es-tonian butter, unsalted, sweetcream, fresh production”. Ook op dit certificaat is het kenteken van de vrachtwagen/trailercombinatie waarmee de desbetreffende zending vervoerd werd, vermeld, alsmede de productiedata van de desbetreffende boter en het bruto en netto gewicht van de zending.

f) Een in de Duitse taal gesteld “Gezondheidscertificaat voor warmtebehandelde melk, produkten op basis van melk die zijn vervaardigd met warmtebehandelde melk, of produkten op basis van melk die een warmtebehandeling hebben ondergaan, bestemd voor menselijke consumptie en van herkomst uit derde landen of delen van derde lan-den”, ingevuld op een formulier als afgedrukt in en gekopieerd uit het Pb.EG van 24 augustus 1995, nr. L200, respectievelijk Pb. EG van 13 februari 1997, nr. L42 (“Vete-rinärbescheinigung”; hierna ook: communautair gezondheidscertificaat). Het op dit communautaire gezondheidscertificaat vermelde nummer komt overeen met het num-mer van het onder b) hiervóór bedoelde veterinaire certificaat. Het communautaire ge-zondheidscertificaat is opgemaakt en ondertekend door het hoofd van de veterinaire dienst van het district Rapla in Estland en is bij de Duitse grens door de Duitse douane afgestempeld. In dit communautaire gezondheidscertificaat is, voor zover van belang, blijkens een tot de gedingstukken behorende officiële Nederlandse vertaling het vol-gende opgenomen:

“(…) Voor de certificering bevoegde dienst(en): Veterinaire Dienst

I. Identificatie van het produkt:

- Melk van: koeien

- Omschrijving van de warmtebehandelde melk/ het produkt op basis van melk dat is vervaar-digd met warmtebehandelde melk/ het produkt op basis van melk dat een warmtebehandeling heeft ondergaan:

Boter, behandeld op 85C gedurende 2 minuten

- (…)

II. Herkomst van het produkt

Naam en officieel erkenningsnummer van de voor uitvoer naar de EG erkende melkbehande-lings- en/of melkverwerkingsinrichting(en):

Rapla Zuivelfabriek van L Ltd.

Rapla, Estland

vet.nr. 105

III. Bestemming van het produkt

De warmtebehandelde melk/ het produkt op basis van melk dat is vervaardigd met warmtebe-handelde melk/ het produkt op basis van melk dat een warmtebehandeling heeft ondergaan wordt verzonden van:

Estland, Rapla

naar

Holland (...)

(…)

IV. Gezondheidsverklaring (diergezondheid)

- Ondergetekende, officieel dierenarts, verklaart dat de hierboven omschreven warmtebehan-delde melk/ het produkt op basis van melk dat is vervaardigd met warmtebehandelde melk/ het produkt op basis van melk dat een warmtebehandeling heeft ondergaan, is bereid uit rauwe melk die afkomstig is van door de officiële veterinaire dienst gecontroleerde dieren:

- die zich bevinden in een land of een gebied dat sedert ten minste twaalf maanden vrij is van mond- en klauwzeer en van runderpest (…)

- die verblijven op bedrijven waarvoor geen beperkingen gelden in verband met mond- en klauwzeer of runderpest;

- (…).”.

Met betrekking tot de boter die onder overlegging van EUR.1-certificaat AB2voor het vrije verkeer is aangegeven ontbreekt in de gedingstukken de bladzijde waarop onder-deel IV (“Gezondheidsverklaring (diergezondheid)”) van vorenaangehaald commu-nautair gezondheidscertificaat is afgedrukt.

g) Een door de Duitse douane ingevulde en afgestempelde “Verklaring van de veterinaire controles van uit derde landen in de Gemeenschap gebrachte goederen”, waarin voor de desbetreffende zending, naast de goederenomschrijving “Butter, ungesalzen”, de vermelding van het kenteken van de vrachtwagen en een vermelding van nummer en afgiftedatum van het bij de desbetreffende zending behorende communautaire gezond-heidscertificaat als bedoeld onder f) hiervóór, is vermeld dat het land van oorsprong van de zending Estland is. Voorts zijn op dit document in het vak “Entscheidung über die Sendung” (oordeel over de zending) onder “Durchgeführte Kontrollen” (uitge-voerde controles) aangekruist “Dokumentenprüfung” (documentencontrole), “Näm-lichkeitskontrolle” (echtheidscontrole), en “Angabe und Dokumente konform” (opga-ve conform documenten); daarnaast is aangevinkt het vak “Warenuntersuchung” (wa-renonderzoek) en is aangegeven dat geen laboratoriumonderzoek heeft plaatsgevon-den, dat het product geschikt is voor import en dat het voor menselijke consumptie ge-schikte goederen betreft.

h) Een kopie van het zogenoemde 5e [bij certificaat AB 1 het 4e] exemplaar van het do-cument T1 onder geleide waarvan de hier bedoelde zending van Estland naar Neder-land is vervoerd. Op het document T1 zijn – voor zover hier van belang – vermeld het kenteken van de vrachtwagen/trailer waarmee de zending werd vervoerd, alsmede het nummer van het bij het document T1 gevoegde EUR.1-certificaat.

i) Een bewijs van inslag bij B.V. N van “Estland boter”.

j) Een aan R gericht controleverslag van de Belgische onderneming BCompany betref-fende een controle bij N van elk van beide zendingen boter.

k) Een kopie van de CMR vrachtbrief met betrekking tot het vervoer van de zendingen boter van Tallinn naar Breda. In deze vrachtbrief zijn de factuurnummers vermeld, als weergegeven onder a) en zijn de nummers van de EUR.1-certificaten opgenomen evenals de kentekens van de vrachtwagencombinatie.

l) Met betrekking tot de onder overlegging van EUR.1-certificaat AB2 voor het vrije verkeer aangegeven boter is voorts overgelegd een door de Douane te Tilburg afge-stempelde kopie van een geleidelijst van N betreffende de inslag van onder geleide van T1 document 02520 vervoerde goederen. Vermeld nummer komt overeen met het nummer van het onder h) bedoelde document T1.

2.9. Alvorens zaken te doen met L hebben vertegenwoordigers van H, waarvan R een doch-tervennootschap is, een aantal malen een bezoek gebracht aan L teneinde de betrouwbaarheid van L te toetsen.

2.10. Tot de stukken van het geding behoort een aantal verslagen van bedrijfsbezoeken van medewerkers van H aan L. In deze verslagen is onder meer aangegeven dat L melkontvang-sten heeft van geprivatiseerde colchozen, middelgrote boeren en individuele boeren en dat zij melkaanleveringen veilig stelt door boeren te helpen aan brandstof, kalvermelk en machines.

3. Het geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur bij de in geschil zijnde uitnodigingen tot betaling, terecht tot navordering van douanerechten is overgegaan.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte de onderhavi-ge uitnodigingen tot betaling heeft vastgesteld.

4.1.1. Primair is zij van mening dat artikel 32, zesde lid, van Protocol nummer 3 bij de Asso-ciatieovereenkomst tussen de EG en Estland (hierna: het Protocol) niet ziet op de navordering van douanerechten en mitsdien niet als basis voor de vastgestelde uitnodigingen tot betaling kan dienen. Voorts is zij van mening dat er in casu geen aanleiding is voor navordering, aan-gezien de voorwaarden waaronder op grond van artikel 32, zesde lid, van het Protocol kan worden afgezien van het toekennen van een preferentiële behandeling, in casu niet vervuld zijn.

4.1.2 Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de uitnodigingen tot betaling moeten worden vernietigd omdat de inspecteur niet heeft gesteld dat de overgelegde EUR.1-certificaten onjuist zijn, terwijl hij bovendien de door belanghebbende overgelegde alternatie-ve bewijzen van de (Estse) oorsprong van de boter niet in aanmerking heeft genomen.

4.1.3. Meer subsidiair is belanghebbende van mening dat artikel 220, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het communautair douanewetboek (hierna: CDW), zoals deze bepaling vanaf 19 december 2000 luidt, aan navordering in de weg staat. Zij is van mening dat te dezen spra-ke is van een vergissing van de douaneautoriteiten, dat aan alle voorwaarden voor toepassing van de preferentiële tariefmaatregel is voldaan en dat zij volledig te goeder trouw was. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie concludeert belanghebbende dat zij aan de hand van (alternatief) bewijs alsnog het bewijs van oorsprong van de goederen mag leveren.

4.1.4. Nog meer subsidiair doet belanghebbende een beroep op overmacht: zij meent dat de omstandigheid dat de Estse douane niet in staat is de juistheid van de oorsprong van de boter vast te stellen, een abnormale en onvoorzienbare omstandigheid is, die vreemd is aan de im-porteur en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kun-nen worden vermeden.

4.1.5. Ten slotte meent belanghebbende dat ten onrechte douanerechten zijn nagevorderd, aangezien de Europese Commissie in haar ogen tekort is geschoten in haar zorgplicht door belanghebbende niet onverwijld in te lichten over de risico’s die de invoer van partijen boter met de desbetreffende oorsprongscertificaten met zich meebracht.

4.2. Ter zitting van 8 maart 2004 is namens belanghebbende, zakelijk weergegeven, nog het volgende aan haar standpunten toegevoegd.

- De inspecteur heeft stelselmatig geweigerd te kijken naar de gezondheidscertificaten en an-dere stukken die als alternatief bewijs van oorsprong zijn overgelegd. De overgelegde alter-natieve bewijsstukken zijn bij wijze van voorbeeld overgelegd en hebben dan ook niet betrek-king op alle uitnodigingen tot betaling. Slechts met betrekking tot enkele EUR.1-certificaten is dit alternatieve bewijs aangedragen. Tussen de overgelegde alternatieve bewijsstukken en de EUR.1-certificaten kan wel een link worden gelegd.

- Er zijn abusievelijk stukken overgelegd die op melkpoeder betrekking hebben. In deze pro-cedure speelt melkpoeder geen rol.

- De tot de gedingstukken behorende uitnodiging tot betaling is representatief voor alle in deze zaak vastgestelde uitnodigingen tot betaling.

- De procedure als voorgeschreven in artikel 32 van het Protocol is niet gevolgd. Er is alleen een delegatie van de Europese Commissie naar Estland gegaan die samen met de Estse autori-teiten een bezoek aan de fabriek heeft gebracht om administratieve gegevens te verkrijgen. Fraude speelt hier niet; de inspecteur kon dan ook geen gegronde twijfel hebben.

- Er is een verzoek om terugbetaling/kwijtschelding als bedoeld in artikel 239 van het CDW ingediend.

- Aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van de kosten die in de bezwaarfase zijn gemaakt. Deze kosten bedragen voor deze zaak en zaak 02/03726 DK tezamen f 30.000. Desgewenst kunnen declaraties worden overgelegd. Het zijn bewerkelijke zaken, bovendien zijn diverse malen bezoeken aan de inspectie gebracht.

4.3. Ter zitting van 20 november 2006 is namens belanghebbende, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd:

- Alle grieven die in het beroepschrift en conclusie van repliek zijn aangevoerd, worden ge-handhaafd. De uitspraak van het Hof van 14 juni 2004 in zaak 02/3726 DK doet daaraan niet af.

- De op de uitnodigingen tot betaling geheven rechten zijn douanerechten.

- Anders dan in de motivering van het beroepschrift vermeld, lag de boter alvorens door be-langhebbende te zijn aangegeven voor het vrije verkeer, in opslag in het douane-entrepot van. N.

- B voerde controles uit op met name het vetgehalte van de boter. Deze controles werden meestal een dag of twee na inslag van de boter bij N uitgevoerd. De boter was dan al uitgela-den, maar bij de opslag was aangegeven met welke vrachtwagen de desbetreffende boter van-uit – in dit geval – Estland was aangevoerd. Vandaar dat op de overgelegde inspectierapporten het kenteken van de vrachtwagen is vermeld.

- R is een dochtermaatschappij van H.

- Het document T1 dat is overgelegd bij EUR.1-certificaat AB2 vermeldt Polen als uitvoer-land. Dat is een verschrijving van de aangever.

- De bij de bijlagen gevoegde “Veterinärbescheinigung” wordt opgemaakt en ondertekend door de Estse veterinaire dienst en wordt bij de overschrijding van de Duitse grens afgestem-peld door de Duitse douane. Er vindt aan die grens een zogenoemde 100%-controle plaats van de goederen en de daarbij gevoegde stukken, in het kader van welke controle de Duitse doua-ne de “Verklaring van de veterinaire controles van uit derde landen in de Gemeenschap ge-brachte goederen” opmaakt en afstempelt.

- Voor de bezwaarfase heeft belanghebbende kosten moeten maken. Anders dan in eerdere stukken is vermeld, worden deze kosten voor deze en de onder nummer 02/3726 DK geregi-streerde zaak elk begroot op f 10.000.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het preferentiële tarief niet van toepassing is en dat hij terecht douanerechten heeft nagevorderd.

5.1.1. Primair is de inspecteur van mening dat artikel 32, zesde lid, van het Protocol ook bij controle achteraf van toepassing is. De procedure, voorgeschreven in artikel 32 van het Proto-col is geheel gevolgd. Daaraan doet niet af dat het onderzoek in gang is gezet door de delega-tie van de Europese Gemeenschap en dat het niet de Nederlandse douane is geweest die EUR.1-certificaten naar Estland heeft gezonden. Anders dan belanghebbende stelt, hebben de Estse autoriteiten de oorsprong Estland van de boter niet in stand gehouden: zij hebben aan-gegeven dat zij de oorsprong van de boter, waarvoor de desbetreffende certificaten EUR.1 waren afgegeven, niet konden bevestigen.

5.1.2. Voorts stelt de inspecteur zich – na kennisname van het arrest van het Hof van Justitie – op het standpunt dat met betrekking tot de onderhavige uitnodigingen tot betaling weliswaar de tekst van artikel 220, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het CDW, zoals deze bepaling na 19 december 2000 luidt, van toepassing is, doch dat belanghebbende niet heeft bewezen dat de afgegeven certificaten gebaseerd zijn op een juiste weergave van de feiten door L. Aan toepassing van artikel 220, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het CDW kan derhalve niet worden toegekomen.

5.1.3. De inspecteur betwist dat belanghebbende met succes een beroep op overmacht kan doen. De Estse autoriteiten zijn niet nalatig geweest; zij hebben zich gehouden aan de bepa-lingen van het Protocol.

5.2. Ter zitting van 8 maart 2004 heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd.

- Bestreden wordt dat de door belanghebbende overgelegde alternatieve bewijsstukken be-trekking hebben op de aangiften voor het vrije verkeer van boter waarbij de litigieuze certifi-caten EUR.1 zijn overgelegd. Er is nooit een link gelegd tussen de in geschil zijnde zendingen boter en de veterinaire- en andere certificaten. Dat is ook de taak niet van de douane van het land van invoer.

- De twijfel over de juistheid van de certificaten kwam voort uit het onderzoek van de fraude-dienst van de Europese Commissie (OLAF), die zich bezig hield met mogelijke carrousel-fraude met boter. In het missierapport staat ook dat er gegronde twijfel aan de juistheid van de certificaten bestond.

- Het kan wel zijn dat L alle medewerking heeft verleend aan dit onderzoek, maar dat neemt niet weg dat zij niet heeft voldaan aan haar plicht om de stukken met betrekking tot de te ha-rer name gestelde EUR.1-certificaten te bewaren. Er valt niet te controleren waar de goederen vandaan komen.

- Voor wat betreft het beroep van belanghebbende op artikel 220, tweede lid, aanhef en on-derdeel b, van het CDW ligt de bewijslast bij belanghebbende. De oude tekst van die bepaling is van toepassing.

- De controle op naleving van artikel 17, vijfde lid, van het Protocol is niet de taak van de Nederlandse douane; er wordt vanuit gegaan dat men in Estland conform het Protocol zal hebben gehandeld. Het is niet bekend of, en zo ja welke preventieve maatregelen de Estse douane heeft getroffen.

- Artikel 32 van het Protocol is correct toegepast. De missie komt in de plaats van de actie die de nationale douane ingevolge artikel 32, tweede lid, van het Protocol moet nemen. Op grond van artikel 28, derde lid, van het Protocol behoeven de Estse autoriteiten alleen de aanvraag-formulieren voor de EUR.1-certificaten te bewaren. De bewijsstukken betreffende de oor-sprong van goederen moeten door de exporteur bewaard worden.

- Niet wordt betwist dat de H-groep de nodige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen voor wat betreft de betrouwbaarheid van L.

- Het overgelegde voorbeeld van de uitnodiging tot betaling is representatief voor alle in ge-ding zijnde uitnodigingen tot betaling.

5.3. Ter zitting van 20 november 2006 heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven, nog het volgende aan zijn stellingen toegevoegd:

- Belanghebbende heeft in de bijlagen correct aangegeven welke uitnodigingen tot betaling betrekking hebben op welke EUR.1-certificaten.

- Niet wordt betwist dat de op de verschillende certificaten vermelde boter van Estland naar Nederland vervoerd is; de herkomst van de boter wordt niet betwist, evenmin als de goede trouw van belanghebbende en de omstandigheid dat zij aan alle voorschriften inzake de doua-neaangifte heeft voldaan. Ook wordt niet betwist dat belanghebbende voldoende zorgvuldig-heid in acht genomen heeft. Het probleem zit hem in de oorsprong van de boter, díe is niet bewezen. De door belanghebbende overgelegde vervoersbewijzen kunnen de oorsprong van de boter niet bewijzen. Dat geldt ook voor de veterinaire certificaten en de facturen en de “verklaringen van de veterinaire controles van uit derde landen in de Gemeenschap gebrachte goederen” die bij de stukken zijn gevoegd. Laatstbedoelde verklaring betreft een verklaring die door de Duitse douane is opgesteld binnen het kader van haar niet-fiscale taken en ziet op (de resultaten van) een controle in het kader van de volksgezondheid.

- Het Hof van Justitie legt een zeer zware bewijslast op belanghebbende. Zij moet bewijzen dat L aan de Estse autoriteiten de juiste gegevens heeft overgelegd.

- De bij de bijlagen gevoegde “Veterinärbescheinigung” wordt opgemaakt en ondertekend door de Estse veterinaire dienst en wordt bij de overschrijding van de Duitse grens afgestem-peld door de Duitse douane. Er vindt aan die grens een zogenoemde 100%-controle plaats van de goederen en de daarbij gevoegde stukken, in het kader van welke controle de Duitse doua-ne de “Verklaring van de veterinaire controles van uit derde landen in de Gemeenschap ge-brachte goederen” opmaakt en afstempelt.

- Als het Hof belanghebbende in het gelijk stelt, dient de zaak door de douane te worden voorgelegd aan de Europese Commissie, een en ander op grond van artikel 871 van de Uit-voeringsverordening CDW. Indien het Hof belanghebbende in het gelijk stelt, zal de douane derhalve de Commissie benaderen alvorens uitvoering te geven aan de uitspraak. Niet duide-lijk is wat het gevolg is als belanghebbende uitvoering van die uitspraak in rechte vordert.

- Het thans door belanghebbende geclaimde bedrag van f 10.000 als kosten van de bezwaar-fase voor elk van de procedures 02/3725 DK en 02/3726 DK is redelijk.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Toepassing van artikel 32 van het Protocol

6.1.1. Het Hof stelt voorop dat, naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie, de door de bevoegde douaneautoriteiten van het land van uitvoer afgegeven certificaten EUR.1 welis-waar in beginsel het bewijs vormen dat de betrokken goederen van oorsprong zijn uit, in dit geval Estland, maar dat a posteriori controles mogelijk zijn teneinde de juistheid van de in deze certificaten opgegeven oorsprong na te gaan.

6.1.2. Anders dan belanghebbende is het Hof van oordeel dat artikel 32, zesde lid, van het Protocol mede ziet op controles achteraf door de douaneautoriteiten en niet uitsluitend op ge-vallen waarin de douaneautoriteiten van het land van invoer de preferentiële behandeling nog niet hebben toegekend. Steun voor dit standpunt vindt het Hof in het eerste lid van deze bepa-ling, waarin is neergelegd dat de bewijzen van oorsprong achteraf worden gecontroleerd, on-der meer wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer redenen hebben te twijfelen aan de oorsprong van de betrokken producten. Naar het oordeel van het Hof is het in dit licht bezien in redelijkheid niet voor twijfel vatbaar dat artikel 32, zesde lid, van het Protocol de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer de mogelijkheid geeft om, indien de in artikel 32 bedoelde controle achteraf daartoe aanleiding geeft, terug te komen op een aanvankelijk toe-gekende preferentie.

6.1.3. Het vorenoverwogene brengt met zich dat navordering in het onderhavige geval kan worden gebaseerd op het bepaalde in artikel 32 van het Protocol en dat daarbij tevens de in het tweede lid van dit artikel vermelde procedure van toepassing is. Vaststaat dat de inspec-teur in het onderhavige geval niet heeft gehandeld conform de procedure welke in artikel 32, tweede lid, van het Protocol is voorgeschreven. Immers, de inspecteur heeft niet de door be-langhebbende overgelegde certificaten EUR.1, noch andere bij de aangiften ten invoer over-gelegde bescheiden aan de Estse douaneautoriteiten ter controle teruggezonden, doch is bij het opleggen van de onderhavige uitnodigingen tot betaling rechtstreeks afgegaan op de resultaten van de door de communautaire delegatie uitgevoerde missie en de in vervolg daarop door de Estse douaneautoriteiten aan de Europese Commissie gecommuniceerde resultaten van het bij L uitgevoerde onderzoek. Gelet op deze missie en dit vervolgonderzoek acht het Hof het evenwel aannemelijk dat de antwoorden die de inspecteur zou hebben gekregen, indien hij conform de procedure van artikel 32, tweede lid, van het Protocol had gehandeld, dezelfde zouden zijn geweest als de in 2.5 weergegeven antwoorden van de Estse autoriteiten aan de Europese Commissie. Het Hof zal derhalve, mede gelet op de strekking van het bepaalde in artikel 32 van het Protocol, voorbijgaan aan de niet-naleving door de inspecteur van het be-paalde in het tweede lid van dit artikel, en beschouwt de in 2.5 vermelde informatie die de Estse autoriteiten aan de Europese Commissie hebben gezonden ten vervolge op de commu-nautaire missie, als het antwoord dat de inspecteur zou hebben gekregen bij naleving van arti-kel 32, tweede lid, van het Protocol.

6.1.4. Zoals in 2.5 is vermeld, hebben de Estse autoriteiten in het bij L ingestelde onderzoek vastgesteld dat de oorsprong van de boter waarvoor de certificaten waren afgegeven niet (meer) kon worden bevestigd en hebben zij de Europese Commissie daaromtrent geïnfor-meerd. In aanmerking nemende hetgeen onder 6.1.1 tot en met 6.1.3 is overwogen, brengt dit met zich dat op de voet van artikel 32, zesde lid, van het Protocol behoudens bijzondere om-standigheden geen aanspraak bestaat op toepassing van de preferentie.

6.2. Overmacht

6.2.1. Belanghebbende is voorts van mening dat de omstandigheid dat de Estse douane niet in staat is de oorsprong van de boter vast te stellen een geval van overmacht oplevert dat de na-vordering van douanerechten belet. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Weliswaar ver-plicht artikel 17, vijfde lid, van het Protocol de met de afgifte van certificaten EUR.1 belaste douaneautoriteiten alle nodige maatregelen te nemen om te controleren of de producten inder-daad van oorsprong zijn uit in het onderhavige geval Estland, en weliswaar valt uit de in 2.4. geciteerde passages uit het missieverslag af te leiden dat de Estse douane nooit een werkelijke controle bij L heeft ingesteld, maar - nog daargelaten het antwoord op de vraag of de Estse douaneautoriteiten hun verplichtingen als neergelegd in artikel 17, vijfde lid, van het Protocol hebben geschonden door slechts van tijd tot tijd “algemene stukken” bij L op te vragen en verder bij de afgifte van EUR.1-certificaten af te gaan op door L bij diens aanvragen overge-legde informatie - de omstandigheid dat de Estse douaneautoriteiten bij de afgifte van de EUR.1-certificaten geen werkelijke controle op de oorsprong van de in geding zijnde boter hebben uitgevoerd, is er niet de oorzaak van dat zij bij de controle achteraf de oorsprong van die boter niet meer kunnen bevestigen. Die onmogelijkheid is immers het gevolg van de nala-tigheid van L om de voor de vaststelling van de oorsprong van de boter vereiste documenten te bewaren, welke omstandigheid buiten de invloedssfeer van de Estse douane ligt. Naar volgt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie is de omstandigheid dat de exporteur de douanevoorschriften heeft overtreden tengevolge waarvan bij invoer ten onrechte aanspraak is gemaakt op een tariefpreferentie, een omstandigheid die in de risicosfeer van de importeur ligt, ook indien deze te goeder trouw is afgegaan op certificaten die buiten zijn weten onjuist zijn. Het Hof verwijst in dit verband naar de arresten van het Hof van Justitie van 14 mei 1996, gevoegde zaken C-153/94 en C-204/94 (Faroe Seafood, Jur. blz. I-2465; met name rechtsoverweging 92) en van 17 juli 1997, zaak nr. C-97/95 (Pascoal & Filhos, Jur. blz. I-4209; met name rechtsoverweging 59) .

6.2.2. Uit hetgeen onder 6.2.1 is overwogen volgt dat belanghebbendes beroep op overmacht wordt verworpen.

6.3. Zorgplicht Europese Commissie

6.3.1. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de Europese Commissie tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens belanghebbende, onder andere doordat zij niet onverwijld is ingelicht over de risico’s, verbonden aan de invoer van partijen boter waarvoor de onderha-vige certificaten EUR.1 zijn afgegeven. Naar het oordeel van het Hof bestond voor de Com-missie geen waarschuwingsplicht op het tijdstip waarop de enkele verdenking was gerezen dat wellicht carrouselfraude werd gepleegd met boter, terwijl ook het tijdsverloop tussen de ken-nelijke bevestiging van die verdenking - blijkens het missieverslag in 1997 - en de missie niet zodanig is dat van nalatigheid van de Commissie kan worden gesproken. Een situatie zoals die waarvan sprake was in het arrest van het Gerecht van Eerste Aanleg van 10 mei 2001 in de gevoegde zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97-T-192/97, T-210/97, T-211/97, T-216/97-T-218/97, T-279/97, T-280/97, T-293/97 en T-147/99 (Kaufring e.a.; Jur. blz. II-1337), waarop belanghebbende zich beroept, doet zich in casu niet voor. Het Hof wijst er in dit verband voorts op dat de in geschil zijnde aangiften ten invoer alle hebben plaatsgevonden vóór of kort nadat de Commissie haar verdenking van carrouselfraude bevestigd zag. In elk geval kan niet gezegd worden dat het tijdsverloop tussen die bevestiging en de latere aangif-ten voor het vrije verkeer door belanghebbende zodanig lang was dat de Commissie nalatig-heid kan worden verweten.

6.4. Toepassing artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW

6.4.1. Gelet op het oordeel van het Hof van Justitie, als weergegeven onder 1.7, dient het Hof bij de beslissing in de onderhavige zaak uit te gaan van de tekst van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het Communautair douanewetboek (verder: CDW), zoals deze sedert 19 de-cember 2000 luidt.

6.4.2. Voor de toepassing van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW, is allereerst vereist dat sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschul-dige redelijkerwijs niet kon ontdekken. Van een vergissing in evenbedoelde zin is, gelet op artikel 220, tweede lid, onderdeel b, tweede alinea, van het CDW, in beginsel sprake indien de bij de vaststelling van de preferentiële status van goederen betrokken instanties van een derde land een onjuist certificaat met betrekking tot deze status van goederen hebben afgegeven. Gelet op het arrest dienst een certificaat waarvan de juistheid van de daarop vermelde oor-sprong bij een controle achteraf niet meer kan worden bevestigd, te worden aangemerkt als een onjuist certificaat in de zin van de hier bedoelde bepaling. Gelet op de feiten, als weerge-geven in 2.3 tot en met 2.5 en in aanmerking nemende het arrest, moeten de in 2.3. vermelde certificaten als onjuist worden aangemerkt, nu de in deze certificaten vermelde oorsprong van de goederen niet meer kan worden bevestigd.

6.4.3. De afgifte van een onjuist certificaat wordt volgens artikel 220, tweede lid, onderdeel b, derde alinea, van het CDW, evenwel niet als een vergissing in meerbedoelde zin aangemerkt, wanneer het certificaat is gebaseerd op een onjuiste weergave van de feiten door de exporteur van de goederen, behalve indien met name de instanties die het certificaat afgaven klaarblijke-lijk wisten of hadden moeten weten de goederen niet voor preferentiële behandeling in aan-merking kwamen.

6.4.4. Als weergegeven onder 2.5, heeft het Hoofd van de afdeling Handhaving van de Estse douane aan de Europese Commissie medegedeeld dat tijdens de bij L uitgevoerde controle is gebleken dat L niet de documenten heeft bewaard die de oorsprong van de boter bevestigen en dat op grond van de wel beschikbare gegevens de oorsprong van de door L geëxporteerde boter niet kan worden bevestigd. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze mededeling en gaat dan ook van de juistheid daarvan uit. Hieruit volgt dat het aan een door de exporteur toe te rekenen nalatigheid te wijten is dat het onmogelijk is te bewijzen dat de litigieuze certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 zijn opgesteld op basis van een juiste dan wel onjuiste weergave van de feiten door de exporteur.

6.4.5. Uit het arrest volgt dat het onder de in 6.4.4 vermelde omstandigheden aan belangheb-bende is om te bewijzen dat de Estse autoriteiten de in geding zijnde certificaten hebben op-gesteld op basis van een juiste weergave van de feiten. Indien belanghebbende in dit bewijs niet slaagt, ligt het voorts op haar weg eventueel te bewijzen dat de Estse autoriteiten klaar-blijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de goederen niet voor preferentiële behandeling in aanmerking kwamen.

6.4.6. Het Hof verstaat de stellingen van belanghebbende dienaangaande aldus dat zij met alle middelen mag bewijzen dat de in geding zijnde boter van Estse oorsprong is en dat, indien en voor zover zij in dat bewijs slaagt, tevens bewezen is dat door de exporteur L aan de Estse autoriteiten in zoverre een juiste voorstelling is gegeven van de feiten die op de vaststelling van de oorsprong van de boter betrekking hebben. Naar ‘s Hofs oordeel is deze stelling juist. Niet aannemelijk is immers dat, wanneer de Estse oorsprong van de boter wordt bewezen, de exporteur aan de Estse autoriteiten dienaangaande een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven.

6.4.7. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van Besluit nr. 1/97 van het gemengd Comité, associa-tie tussen de Europese Gemeenschappen enerzijds en de Republiek Estland anderzijds, van 6 maart 1997 tot wijziging van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst betreffende vrijhandel en met handel verband houdende zaken waarbij een associatie toe stand komt tussen de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal enerzijds en de Republiek Estland anderzijds (verder: het Besluit), wor-den als van oorsprong uit Estland beschouwd:

a) geheel en al in Estland verkregen producten, in de zin van artikel 5

b) in Estland verkregen producten waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen in Estland een be- of verwerking hebben on-dergaan die toereikend is in de zin van artikel 6.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit worden als geheel en al in Estland verkre-gen producten onder meer beschouwd producten afkomstig van aldaar gehouden levende die-ren (art. 5, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Besluit) alsmede goederen die in Estland uitsluitend van deze producten zijn vervaardigd (art. 5, eerste lid, aanhef en onderdeel k, van het Besluit)

6.4.8. Naar het oordeel van het Hof vermogen de in 2.8 onder a), h) en i) t/m l) vermelde be-scheiden niet te bewijzen dat de boter met betrekking tot welke deze stukken zijn overgelegd, van oorsprong uit Estland is. Evenbedoelde stukken kunnen weliswaar dienen ten bewijze van de herkomst van de desbetreffende zendingen boter - welke tussen partijen overigens niet in geschil is - doch zeggen niets over de Estse oorsprong van deze boter in de onder 6.4.7. bedoelde zin. Dat geldt evenzeer voor de onder g) bedoelde “Verklaringen van de veterinaire controles van uit derde landen in de Gemeenschap gebrachte goederen” van de Duitse douane, nu deze verklaringen, naar de inspecteur niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft gesteld, worden afgegeven naar aanleiding van controles aan de Duitse grens, die niet gericht zijn op vaststelling of bevestiging van de oorsprong of andere fiscale aspecten met betrekking tot de (voor extern communautair douanevervoer) aangegeven goederen, doch op hun veiligheid voor de volksgezondheid c.q. geschiktheid voor menselijke consumptie.

6.4.9. Met betrekking tot de in 2.8 onder b) tot en met f) bedoelde bescheiden stelt het Hof voorop dat de juistheid van de in deze bescheiden opgenomen verklaringen van de Estse (ve-terinaire) autoriteiten niet is betwist, terwijl is gesteld noch gebleken dat in Estland bij de af-gifte van de hier bedoelde certificaten anderszins op onregelmatige wijze is gehandeld. Het Hof gaat dan ook uit van de juistheid van deze certificaten en van de daarin opgenomen ver-klaringen.

6.4.10. Uit de communautaire gezondheidscertificaten en met name de daarin opgenomen gezondheidsverklaringen, als aangehaald in 2.8. onder f), leidt het Hof af dat de veterinaire controles welke hebben geleid tot de afgifte van de in 2.8. onder b) tot en met e) bedoelde certificaten, zich hebben uitgestrekt tot controles door de Estse veterinaire dienst van de koei-en die de melk hebben geleverd waarvan de in geschil zijnde boter is geproduceerd. Daarvan

uitgaande en in aanmerking nemende de verklaringen van de Estse veterinaire dienst als op-genomen en aangehaald in de in 2.8 onder b) tot en met f) bedoelde certificaten, en gelet op de onder 2.10 vermelde verslagen van bedrijfsbezoeken door medewerkers van H. aan L, aan de juistheid waarvan het Hof geen reden heeft te twijfelen, een en ander tezamen en in onder-linge samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat bewezen is dat de boter, vermeld op de EUR.1-certificaten waarbij evenbedoelde bescheiden zijn overgelegd, in Estland door L is vervaardigd van uitsluitend producten – melk – afkomstig van in Estland gehouden koeien. Van die boter moet mitsdien worden geoordeeld dat zij van Estse oorsprong is. Voor wat be-treft certificaat AB2 doet aan dit oordeel niet af dat – als weergegeven in 2.8 onder f – een pagina van het communautaire gezondheidscertificaat ontbreekt, nu met betrekking tot dit certificaat wél het Estse veterinaire certificaat (vgl. 2.8 onder c), welk certificaat dezelfde strekking heeft, is overgelegd.

6.4.11. Gelet op hetgeen onder 6.4.7. tot en met 6.4.10 is overwogen en in aanmerking ne-mende de onder 2.8. vermelde feiten, moet worden geoordeeld dat belanghebbende ten aan-zien van de zendingen waarbij de onderhavige EUR.1-certificaten overgelegd, heeft bewezen dat de daarop vermelde boter de Estse oorsprong heeft. Zoals onder 6.4.6 is overwogen heeft belanghebbende alsdan tevens bewezen dat de afgifte van de op deze boter betrekking heb-bende EUR.1-certificaten is gebaseerd op een juiste weergave van de feiten door L.

6.4.12. Uit het vorenoverwogene volgt, met inachtneming van het arrest, dat de afgifte van bedoelde certificaten moet worden aangemerkt als een vergissing van de (Estse) douaneauto-riteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijs niet kon ontdekken, een en ander als be-doeld in artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW. Nu tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de gel-dende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan, moet worden geoordeeld dat be-langhebbende met betrekking tot evenbedoelde EUR.1-certificaten terecht een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW.

6.5. Slotsom

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het beroep gegrond is. De uitnodigingen tot betaling met betrekking tot de onder overlegging van de onder 2.3 vermelde EUR.1-certificaten voor het vrije verkeer aangegeven boter, kunnen niet in stand blijven. Belangheb-bendes overige stellingen behoeven geen behandeling.

7. Schadevergoeding en proceskosten

7.1. Ter zitting van 20 november 2006 heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op vergoe-ding van de kosten welke zij in de bezwaarfase heeft gemaakt. Zij heeft die kosten – in afwij-king van haar ter zitting van 8 maart 2004 ingenomen stelling – begroot op f 00 voor deze zaak en f 00 voor de onder nummer 02/3726 DK bij het Hof geregistreerde zaak. Het Hof vat deze aanspraak op vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten op als een verzoek om schadevergoeding in de zin van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het Hof stelt voorop dat, nu de uitnodigingen tot betaling dateren van vóór 12 maart 2002, de huidige regeling inzake vergoeding van kosten in de bezwaarfase niet aan belang-hebbendes verzoek in de weg staat. Niet gesteld of gebleken is dat het inroepen van rechtsbij-stand door belanghebbende niet redelijk was. Gelet op de verklaringen van de inspecteur ter zitting van 20 november 2006 acht ook hij het door belanghebbende uiteindelijk geclaimde bedrag van f 00 redelijk. Het Hof volgt partijen hierin en zal de Staat der Nederlanden veroor-delen tot vergoeding van schade tot een bedrag van f 00.

7.2. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskos-ten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) worden de te vergoeden kosten bepaald op een forfaitair bedrag. Naar ’s Hofs oordeel is geen sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit, die afwijking van de forfaitaire vaststelling van de te vergoeden proceskosten rechtvaardigen. Het Hof stelt de aan belanghebbende te vergoe-den proceskosten, met inachtneming van het Besluit, vast op 3,5 (punten per proceshandeling) x € 322 (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) ofwel € 2.254.

8. De beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraken;

- vernietigt de uitnodigingen tot betaling;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de door belanghebbende ge-leden schade tot een bedrag van € 00;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 2.254 en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te vol-doen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 218 aan belanghebbende vergoedt.

De uitspraak is vastgesteld op 21 december 2006 door mrs. M.E. van Hilten, voorzitter, en D.B. Bijl en A.F.M.Q. Beukers – Van Dooren, leden, in tegenwoordigheid van R.J. Wessel als griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proces-kosten.

Douanekamer

Na uitspraak van het Hof van Justitie in door de Douanekamer in een parallelle zaak gestelde prejudiciële vragen over –voor zover van belang – de uitlegging van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het CDW oordeelt de douanekamer van het Hof dat belanghebbende met de door haar overgelegde documenten heeft bewezen dat de door haar voor het vrije verkeer aangegeven zendingen boter van oorsprong uit Estland is en dat zij mitsdien terecht een be-roep op voormelde bepaling heeft gedaan.