Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ9582

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-09-2006
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
458/06
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:BB9094, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:BB9094
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontvankelijkheid; biologisch vader; family life; nauwe persoonlijke betrekking; omgang; spermadonor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 21 september 2006 in de zaak met rekestnummer 458/06 van:

[...],

wonende te [...],

APPELLANT,

procureur: mr. N. van ‘t Hoogerhuijs,

t e g e n

[...],

wonende op een onbekend adres,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. L.C. Trompetter.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de moeder genoemd.

1.2. De man is op 20 maart 2006 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 december 2005 van de rechtbank te Haarlem, met kenmerk 116650/2005-2877.

1.3. De moeder heeft op 27 juli 2006 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 9 augustus 2006 ter terechtzitting behandeld.

2. De feiten

2.1. Op 31 augustus 2000 is uit de moeder [...], hierna te noemen: [het kind], geboren. [Het kind] is verwekt door middel van kunstmatige inseminatie met sperma van de man. De man, noch een derde heeft [het kind] erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [het kind].

2.2. Toen de moeder de man leerde kennen in 1994 had zij een relatie met een vrouw. De man had destijds een relatie met een man. Reeds in het begin van hun vriendschap heeft de moeder aan de man gevraagd of hij spermadonor voor haar wilde zijn, waarop de man in beginsel positief reageerde. Het is er echter toen niet van gekomen in verband met de toenmalige relatie van de moeder. In november 1999 is er op initiatief van de moeder andermaal gesproken over het donorschap. Partijen spraken toen af dat de man een rol in het leven van het kind zou worden toebedeeld.

2.3. Eind 1999 heeft de moeder zichzelf geïnsemineerd met het sperma van de man en raakte zij zwanger. Partijen hadden toen nog niet duidelijk gesproken over de invulling van de rol van de man. Tijdens de zwangerschap bleken partijen hier verschillend over te denken. Na een gesprek tussen partijen over de feitelijke invulling van het ouderschap, gaf de man aan teleurgesteld te zijn over het standpunt van de moeder en over het een en ander te willen nadenken, heeft de man in januari 2000 aan de moeder te kennen gegeven dat hij niets meer met de moeder of haar zwangerschap te maken wilde hebben. In mei 2000 is de man hierop teruggekomen. Hij heeft de moeder toen geschreven dat hij zich bij de wensen van de moeder zou neerleggen en dat hij zich realiseerde dat hij vanuit dit nieuwe perspectief iets voor het kind kon gaan betekenen. Hierop heeft de moeder niet gereageerd. In de week waarin de moeder was uitgerekend heeft de man haar een kaartje gestuurd om haar sterkte te wensen met de bevalling. Hij heeft in die periode iedere dag de geboorteaankondigingen in [een dagblad] doorgenomen en daarin gelezen dat [het kind] op [datum in] 2000 geboren was. Kort na de geboorte zijn partijen elkaar nog tegengekomen, toen de moeder met [het kind] op straat liep. De man heeft de moeder toen kort aangesproken. Partijen hebben elkaar nog een aantal keer zien lopen of fietsen maar hebben geen contact meer gehad. De man heeft vervolgens geruime tijd een (nieuwe) partner gehad. De pogingen van deze partner om contact te leggen tussen partijen zijn op de moeder intimiderend overgekomen en contraproductief geweest. De moeder heeft zich in maart 2005 tot de politie gewend en aangifte gedaan dat zij zich lastig gevallen voelde door de partner van de man.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek te bepalen dat hij gerechtigd is tot omgang met [het kind] en voorts te bepalen op welke wijze partijen gezamenlijk of via een derde aan de contacten tussen hem en [het kind] vorm moeten gaan geven.

3.2. De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen, althans te bepalen dat de moeder aan hem – bijvoorbeeld tweemaal per jaar – informatie verstrekt over het wel en wee van [het kind] en een recente foto van haar.

3.3. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen onder verbetering van gronden en de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn subsidiaire verzoek, althans dit verzoek af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De eerste vraag die beantwoording behoeft, is of de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met [het kind]. Het hof stelt voorop dat weliswaar vaststaat dat de man de biologische vader van [het kind] is maar dat dit enkele feit niet zonder meer mee brengt dat hij in een nauwe persoonlijke betrekking als aangegeven in artikel 1:377f van het Burgerlijk Wetboek tot [het kind] staat. Om zo’n band aan te kunnen nemen dienen door de man bijkomende omstandigheden aannemelijk te worden gemaakt. De man stelt - kort gezegd -, dat nu partijen uitdrukkelijk samen een kind wilden, de zwangerschap heel bewust is gepland en was gericht op een opvoeding van het kind waarbij ook de man een functie zou hebben, er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en [het kind]. Hij acht het in het belang van [het kind] dat zij met hem contact gaat krijgen. De moeder stelt – kort gezegd – dat gezien de positie van de man als donor en het feit dat er nauwelijks of geen contact is geweest, zowel tijdens de zwangerschap als na de geboorte van [het kind], geen nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [het kind] tot stand is gekomen. Verder stelt zij dat ook als de man wel een rol in het leven van [het kind] had gespeeld, deze rol waarschijnlijk te weinig intensief en frequent zou zijn geweest om te kunnen spreken van ‘family life’.

4.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Partijen kennen elkaar sedert 1994. Zij hebben in de jaren tot aan de bevruchting meermalen gesproken over het donorschap van de man. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder gesteld dat de man in de periode dat zij een partner had expliciet heeft aangegeven alleen voor haar donor te willen zijn en niet voor haar toenmalige partner. Verder heeft zij verklaard dat de man voor haar zeker niet een willekeurige derde was, van wie zij een kind wilde. Zij wilde hem als de vader van haar kind en wilde dat hij een rol zou spelen in het leven van dat kind. Partijen waren in de periode voorafgaande aan de bevruchting veel samen, zij zagen elkaar vaak drie keer per week. Het lag volgens de moeder in de lijn der verwachtingen dat partijen ook na de geboorte van het kind veel tijd samen zouden doorbrengen. Haar wens was dat zij het kind zou opvoeden, vanuit haar thuissituatie, maar dat de man wel een dag in de week voor het kind zou gaan zorgen. De man was in de veronderstelling dat zij een principe-afspraak hadden over een co-ouderschapregeling. Toen partijen aan het begin van de zwangerschap spraken over de invulling van het vaderschap van de man en bleek dat zij hierover verschillend dachten, heeft de man het contact met de moeder verbroken. Dit was volgens de man een louter emotionele reactie; de houding van de moeder, waaruit volgens hem bleek dat zij een beslissing had genomen over de invulling van zijn rol, waaraan hij niet meer kon tornen, riep bij hem een zodanige grote teleurstelling en boosheid op dat hij zich wenste terug te trekken. Hij is echter nadien, een aantal maanden later, op deze beslissing teruggekomen en heeft de moeder toen een brief geschreven, waarin hij haar heeft laten weten dat hij weer graag contact met haar wilde waarbij hij op een of andere manier iets voor het kind zou kunnen betekenen, en dat hij accepteerde dat de moeder het kind zal gaan opvoeden. Ook ter zitting in hoger beroep heeft de man aangegeven dat hij voor zichzelf volstrekt geen bepalende rol meer weggelegd ziet, maar dat hij het al fijn zou vinden als hij [het kind] een keertje zou zien. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij het onvergeeflijk acht wat de man heeft gedaan. Zij ziet, mede gezien het feit dat hij na de geboorte van [het kind] slechts negatieve acties heeft ondernomen om het contact tussen hem en [het kind] tot stand te brengen, geen enkele rol voor de man weggelegd, tot het moment dat [het kind] hierom zelf zal verzoeken.

4.3. De Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem, hierna: de Raad, heeft zich ter zitting onthouden van een advies over de ontvankelijkheid van de man. Wel heeft de Raad het hof ter zitting in hoger beroep medegedeeld dat in het geval het hof de man ontvankelijk zou achten in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling de Raad bereid is onderzoek te doen naar de vraag of het opleggen van een omgangsregeling of een informatieplicht in het belang is van [het kind]. De Raad heeft opgemerkt dat een kind mede in het licht van artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind in beginsel het recht heeft om zijn beide ouders te kennen.

4.4. In de onderhavige situatie, waarin de man – gelet op de uitlatingen van zowel de moeder als de man – niet een willekeurige donor is, maar door de moeder bewust is gekozen als de vader voor haar kind en waarbij de man bewust heeft gekozen voor de moeder als de moeder van zijn kind, partijen ten tijde van de bevruchting een hecht contact hadden, waarin zij elkaar vaak zagen en het voornemen hadden dit contact ook na de bevalling voort te zetten en waarin zij beiden een functie voorzagen van de man in het leven van [het kind] – hoewel zij van mening verschilden over de mate daarvan – en het de bedoeling was dat de man het kind zou gaan erkennen, is naar het oordeel van het hof voor de geboorte van [het kind] tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking ontstaan. Weliswaar is het contact tussen de moeder en de man reeds voor de geboorte van [het kind] verbroken en heeft nadien nauwelijks contact tussen de man en [het kind] plaatsgevonden, maar dit acht het hof, mede gelet op de wens van de man om omgang met [het kind] te hebben en het feit dat de man onbetwist heeft gesteld dat hij die wens door de jaren heen telkens aan de moeder is blijven uiten, niet zodanig bepalend dat daarmee gezegd moet worden dat de nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [het kind] thans niet meer bestaat. Het hof acht de man derhalve ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [het kind].

4.5. De man heeft ter zitting in hoger beroep te kennen gegeven zich te realiseren dat het contact voorzichtig zal moeten worden opgebouwd. Om die reden heeft hij het hof verzocht te bepalen op welke wijze hij en de moeder gezamenlijk of via een derde vorm moeten gaan geven aan de contacten tussen hem en [het kind]. De moeder heeft gesteld dat zij contact tussen de man en [het kind] niet in het belang van [het kind] acht. Zij stelt dat elk contact tussen haar en de man – ook indien dit slechts schriftelijk is – zo veel spanningen mee zullen brengen, dat dit niet in het belang van [het kind] dient te worden geacht. [Het kind] heeft er belang bij dat de harmonieuze gezinssituatie waarin zij nu opgroeit niet wordt verstoord. Daarbij heeft de moeder er op gewezen dat de wijze waarop de toenmalige partner van de man contact met haar heeft proberen te leggen, haar doodsbenauwd heeft gemaakt voor welk contact dan ook met de man. Wel heeft zij ter zitting in hoger beroep gesteld dat, indien [het kind] gaat vragen om contact met de man, zij daaraan alle medewerking zal verlenen.

4.6. Het hof acht het in het belang van het kind om zijn eigen identiteit te kunnen ontwikkelen, waartoe in zijn algemeenheid dient dat het kind contact heeft met personen die in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot het kind. De verantwoordelijkheid daarvoor dient niet bij het kind zelf te worden gelegd, maar ligt in de eerste plaats bij de met het gezag belaste ouder. De moeder heeft gesteld dat contact tussen [het kind] en de man niet in het belang van [het kind] is, gezien de spanningen die daarmee gepaard zullen gaan. Deze stelling acht het hof, mede gezien haar toezegging dat zij wel aan contact zal meewerken als [het kind] daar zelf naar vraagt, onvoldoende concreet om op voorhand te veronderstellen dat het belang van [het kind] zich tegen het vaststellen van een omgangsregeling met de man verzet. Bovendien mag van de moeder als de met het gezag belaste ouder worden verwacht dat zij zich er voor zal inzetten om met het oog op het belang van [het kind] eventuele spanningen als door haar bedoeld het hoofd te bieden en daarvoor zonodig hulp van derden in te roepen. Verder is in het onderhavige geval niet gebleken van redenen gelegen in de persoon van de man, welke zich tegen de omgang verzetten. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder enerzijds de heftigheid waarmee de moeder zich tegen het contact tussen de man en [het kind] verzet en het feit dat sinds de geboorte van [het kind] geen enkel contact tussen de man en [het kind] heeft plaatsgevonden en anderzijds het begrip dat de man heeft getoond voor een voorzichtige opbouw van het contact, ziet het hof aanleiding de Raad te verzoeken te onderzoeken op welke wijze de man en de moeder gezamenlijk of via een derde vorm kunnen gaan geven aan contacten tussen de man en [het kind].

4.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

houdt de behandeling pro forma aan tot 18 januari 2007 met het verzoek aan de Raad onderzoek te doen op welke wijze de man en de moeder gezamenlijk of via een derde vorm kunnen geven aan contacten tussen de man en [het kind] en omtrent de resultaten daarvan schriftelijk rapport te doen opmaken, hierom-trent advies uit te brengen en het hof bedoeld rapport en advies ruim voor laatstgenoemde datum te doen toekomen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A.M. de Wit, S. Clement en F.A.A. Duynstee in tegenwoordigheid van mr. T.E.D.M. Zijlmans als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2006 door de rolraadsheer.