Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6584

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2006
Datum publicatie
19-01-2007
Zaaknummer
2006/757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[geïntimeerde] stelt dat Bo-Ex heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door niet bereid te zijn de woning met nummer 57 voor een huurprijs van € 474,- per maand aan [geïntimeerde] aan te bieden en vervolgens wel aan [C.] en door zonder [geïntimeerde] hiervan op de hoogte te stellen de woning aan [C.] aan te bieden, terwijl deze woning eerst deel uitmaakte van een “doorschuifconstructie” waarbij [C.] naar nummer 59 zou verhuizen en [geïntimeerde] naar nummer 57. [..] Bo-Ex heeft naar het oordeel van het hof dan ook niet hoeven te begrijpen dat de verlaging van de huurprijs tot € 474,- (teneinde een mogelijk recht op huurtoeslag te verkrijgen) essentieel was voor [geïntimeerde], temeer nu [geïntimeerde] slechts heeft verwezen naar in de toekomst liggende, onzekere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 november 2006

vijfde civiele kamer

rolnummer 2006/757 U

G E R E C H T S H O F T E A M S T E R D A M

nevenzittingsplaats Arnhem

Arrest

in de zaak van:

de stichting

Stichting Bo-Ex ‘91,

gevestigd te Utrecht,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

procureur: mr A.S. Rueb,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

procureur: mr B. Smit.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 14 juli 2006, in kort geding gewezen tussen principaal appellante (hierna ook te noemen: Bo-Ex) als gedaagde en principaal geïntimeerde (hierna te noemen: [geïntimeerde]) als eiseres. Dit vonnis is in fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bo-Ex heeft bij exploot van 21 juli 2006 [geïntimeerde] aangezegd van voormeld vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. Daarbij heeft Bo-Ex vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, een productie in het geding gebracht en gevorderd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [geïntimeerde] - zoals geformuleerd na wijziging van eis - alsnog zal afwijzen, althans een zodanige beslissing zal nemen als het hof in goede justitie meent te behoren, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.2 Op de dienende dag heeft Bo-Ex geconcludeerd conform de dagvaarding in hoger beroep.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden, harerzijds tegen het vonnis onder aanvoering van drie grieven incidenteel appel ingesteld en geconcludeerd dat het hof - in het principaal appel - de vorderingen van Bo-Ex zal afwijzen en - in het incidenteel appel - het bestreden vonnis zal vernietigen en Bo-Ex zal veroordelen aan een resultaatsverbintenis te voldoen, inhoudende het aanbieden van een gelijkwaardige woning die voldoet aan de voorwaarden zoals omschreven in rechtsoverweging 4.1 van het bestreden vonnis binnen één jaar, althans binnen een termijn die het hof meent te behoren, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag of gedeelte daarvan dat Bo-Ex met het voorgaande in gebreke blijft, met veroordeling van Bo-Ex in de kosten van beide instanties.

2.4 Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft Bo-Ex de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof de vorderingen van [geïntimeerde] in het incidenteel appel, voor zover deze zijn gericht op de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden vonnis, zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel.

2.5 Ter zitting van dit hof van 13 oktober 2006 hebben partijen hun zaak doen bepleiten; Bo-Ex door mr G.J. Scholten, advocaat te Utrecht, en [geïntimeerde] door mr B. Smit, advocaat te Amsterdam, die beiden pleitnotities in het geding hebben gebracht. Voorts waren aanwezig [A.] (woonmanager) en [B.] (opzichter speciale projecten) namens Bo-Ex en [geïntimeerde] in persoon.

2.6 Bij gelegenheid van het pleidooi heeft Bo-Ex drie producties in het geding gebracht, die op voorhand aan het hof en de wederpartij zijn toegezonden.

2.7 Vervolgens heeft alleen Bo-Ex de stukken aan het hof overgelegd, zodat het hof arrest zal wijzen op basis van dit procesdossier.

3 De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.a. tot en met 1.l. feiten vastgesteld. Aangezien daartegen, behalve tegen de vaststelling onder 1.h., als zodanig geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep van de onbestreden gebleven feiten uitgaan.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

In principaal hoger beroep

4.1 [geïntimeerde] heeft, na wijziging van haar eis, bij wijze van voorlopige voorziening gevorderd (kort gezegd), primair, Bo-Ex te veroordelen haar een gelijkwaardige woning aan te bieden voor een huurprijs van € 474,- of minder per maand, die voldoet aan de in de brief van 8 juli 2004 door [geïntimeerde] gestelde eisen, en daartoe alle mogelijke acties te verrichten (waaronder het indienen van een verzoek tot bij de gemeente Utrecht om af te mogen wijken van de Regionale Huisvestingsverordening 2006), zulks met verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag of gedeelte daarvan dat Bo-Ex met het voorgaande in gebreke blijft, en, subsidiair, Bo-Ex voorwaardelijk te veroordelen tot het geven van haar medewerking bij het ter beschikking stellen van de woning aan de [adres] 57 aan [geïntimeerde] en haar te veroordelen deze woning voor een huurprijs van (maximaal) € 474,- per maand aan te bieden, met verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag of gedeelte daarvan dat Bo-Ex met het voorgaande in gebreke blijft.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter bij wege van onmiddellijke voorziening (kort gezegd) Bo-Ex veroordeeld zich voor de duur van vier maanden in te spannen [geïntimeerde] een passende woning aan te bieden voor een huurprijs van € 474,- of minder per maand (welke woning voldoet aan de in rechtsoverweging 4.1 van dat vonnis genoemde voorwaarden) en medewerking te verlenen bij het indienen van een gemotiveerd verzoek bij de gemeente Utrecht om af te wijken van de Regionale Huisvestingsverordening 2006, met compensatie van de proceskosten en afwijzing van het meer of anders gevorderde.

4.2 Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening, nu zij heeft gesteld en aannemelijk heeft gemaakt dat - met name door de (volgens haar weer toenemende) geluidsoverlast - de spanningen aan haar zijde oplopen.

4.3 Eerst zal het hof de tweede grief in het principaal appel bespreken, daar deze grief het meest verstrekkend is. De grief houdt in dat de kantonrechter Bo-Ex heeft veroordeeld zonder dat duidelijk is op welke juridische grondslag deze veroordeling rust. Bo-Ex betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld en/of tekort is geschoten jegens [geïntimeerde].

4.4 [geïntimeerde] stelt dat Bo-Ex heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt:

- door niet bereid te zijn de woning met nummer 57 voor een huurprijs van € 474,- per maand aan [geïntimeerde] aan te bieden en vervolgens wel aan [C.];

- door zonder [geïntimeerde] hiervan op de hoogte te stellen de woning aan [C.] aan te bieden, terwijl deze woning eerst deel uitmaakte van een “doorschuifconstructie” waarbij [C.] naar nummer 59 zou verhuizen en [geïntimeerde] naar nummer 57.

4.5 Vast staat dat [geïntimeerde] in haar e-mail van 7 december 2005 aan Bo-Ex heeft medegedeeld dat zij, mocht zij op enig moment aanspraak willen maken op toekenning van huurtoeslag, geen recht kan doen gelden op die huurtoeslag als de huur van de woning aan de [adres] 57 meer dan € 474,- per maand zou bedragen. Haar verzoek tot verlaging van de huur tot een bedrag van € 474,- is vervolgens door Bo-Ex afgewezen.

Bij brief van diezelfde datum heeft [geïntimeerde] Bo-Ex vervolgens medegedeeld dat zij niet ingaat op het aanbod van Bo-Ex om de woning aan [adres] 57 te huren om meerdere “cruciale redenen”, te weten (kort weergegeven):

- haar huidige financiële (en voorlopig onduidelijke) situatie laat een verhuizing naar een duurdere woning - met de daarbij komende verhuiskosten - niet toe;

- de vlucht voor de overlast van de dakventilatoren en het verlangen naar rust bleken de voornaamste redenen te zijn om te willen verhuizen, maar de huidige woning en woonvorm en alsmede de sfeer en de indeling van de woning bevallen goed;

- zij voelt zich prettiger en beter in haar huidige woning dan in de woning aan [adres] 57, die zij verschillende keren heeft bezocht.

4.6 Het hof kan niet anders concluderen dat [geïntimeerde], hoewel zij aanvankelijk wel heeft aangegeven dat een maximale huurprijs van € 474,- voor haar van belang is, na rijp beraad en na afweging van alle betrokken - persoonlijke - belangen heeft besloten niet te zullen verhuizen naar de woning aan [adres] 57. Bo-Ex heeft naar het oordeel van het hof dan ook niet hoeven te begrijpen dat de verlaging van de huurprijs tot € 474,- (teneinde een mogelijk recht op huurtoeslag te verkrijgen) essentieel was voor [geïntimeerde], temeer nu [geïntimeerde] slechts heeft verwezen naar in de toekomst liggende, onzekere omstandigheden. Daarmee snijdt de stelling van [geïntimeerde] dat Bo-Ex heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt geen hout. Dat Bo-Ex tot een andere beslissing is gekomen betreffende verlaging van de huurprijs in het geval van [C.] doet daar niet aan af. Het staat Bo-Ex immers vrij om telkenmale een belangenafweging te maken en niet weersproken is dat bij de afweging ter zake [C.] andere, concrete belangen aan de orde waren.

4.7 Grief 2 slaagt derhalve. De overige grieven, voor zover zij niet reeds hiervoor zijn besproken, behoeven geen behandeling. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] dienen alsnog te worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties worden veroordeeld.

In incidenteel hoger beroep

4.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven.

4.9 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

In principaal hoger beroep

vernietigt het in kort geding tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, lokatie Utrecht) 14 juli 2006 en opnieuw recht doende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Bo-Ex voor wat betreft de eerste aanleg begroot op € 250,- aan salaris voor de gemachtigde en voor wat betreft het hoger beroep begroot op een bedrag van € 1.788,- wegens salaris van de procureur en € 248,- aan griffierecht;

In incidenteel hoger beroep

verwerpt het beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Bo-Ex begroot op € 894,- wegens salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs Wefers Bettink, Groefsema en Prakke-Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2006.