Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6075

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
924/06 SKG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Versnelde behandeling
Inhoudsindicatie

Rekenplicht kan onder omstandigheden voortvloeien uit hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Na onrechtmatige beheersperiode: ander had aanspraak op meerderheidsbelang in BV – rekening en verantwoording afleggen aan opvolgend aandeelhouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. X,

wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAKI HOLDING B.V.,

gevestigd te Uitgeest,

APPELLANTEN,

procureur: mr. J.W. van Rijswijk,

t e g e n

1. Y,

wonend te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOTWERK B.V.,

gevestigd te Bergen (NH),

GEÏNTIMEERDEN,

procureur: mr. P. de Jonge.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna (ook) X, BAKI, Y en Notwerk genoemd.

1.1 Bij dagvaarding van 17 mei 2006 zijn X en BAKI in hoger beroep gekomen van een kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank te Alkmaar van 20 april 2006, in deze zaak onder KG nummer 06.119 gewezen tussen X en BAKI als gedaagden en Notwerk en IPI Internationale Makelaardij B.V. (hierna: IPI) als eisers. De dagvaarding bevat de grieven.

1.2 X en BAKI hebben bij memorie overeenkomstig de dagvaarding vier grieven geformuleerd en toegelicht, en bescheiden in het geding gebracht, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, alsnog, de door de voorzieningenrechter toegewezen vorderingen zal afwijzen, met kosten.

1.3 Daarop hebben Y en Notwerk geantwoord en bescheiden in het geding gebracht, met conclusie, kort gezegd, dat het hof (naar het begrijpt) X en BAKI niet-ontvankelijk zal verklaren voor zover hun beroep zich richt tegen Y en het vonnis zal bekrachtigen voor zover gewezen tegen Notwerk, met kosten

1.4 Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. Beoordeling

2.1 Het vonnis waarvan beroep is gewezen tussen X en BAKI enerzijds en IPI en Notwerk anderzijds. Y was daarbij geen partij, zodat X en BAKI niet kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep voor zover zich dat tegen hem richt. Waar X en BAKI in hun conclusie in hoger beroep spreken van “Y” zal het hof lezen: “Notwerk”, omdat het hoger beroep alleen nog tegen die partij gericht is.

2.2 De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 en 2.2, een aantal feiten tot uitgangspunt genomen. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook in hoger beroep daarvan kan worden uitgegaan.

2.3 Y en X zijn op 26 augustus 2004 een samenwerkingsovereenkomst aangegaan op grond waarvan IPI is opgericht als 100% dochteronderneming van BAKI. Y werd directeur van IPI en X was verantwoordelijk voor de verkoop. IPI werd gevestigd aan [straat] te [plaats].

X is directeur-grootaandeelhouder van BAKI. In 2005 zou 54% van de aandelen in IPI worden overgedragen aan een door Y op te richten besloten vennootschap. Y is op 1 maart 2006 op staande voet ontslagen als directeur van IPI.

Bij kortgedingvonnis van 23 maart 2006 heeft de voorzieningenrechter X en BAKI onder meer veroordeeld om mee te werken aan de eigendomsoverdracht van 54% van de aandelen in IPI. Op 30 maart 2006 zijn alle aandelen van IPI aan Notwerk (waarvan Y directeur-grootaandeelhouder is) overgedragen.

2.4 Volgens Notwerk heeft X toen hij, na het ontslag van Y, in maart 2006 alleen de zeggenschap had over IPI, dat bedrijf vrijwel volledig leeggehaald. In eerste aanleg vorderden Notwerk en IPI daarom –zeer kort samengevat- afgifte van sleutels, apparatuur, administratie en auto’s, en het afleggen van rekening en verantwoording, een en ander met bepaling van een dwangsom.

2.5 De voorzieningenrechter heeft bij het thans bestreden vonnis een belangrijk deel van die vorderingen toegewezen.

2.6 X en BAKI richten zich met grief I tegen de veroordeling om de volledige administratie van IPI af te geven. Volgens hen hebben zij een aantal zaken zoals de AZ-map en pasjes nooit in hun bezit gehad. Bovendien heeft X de administratie voor zover hij deze in zijn bezit had reeds op 30 maart 2006 -derhalve vóór de zitting bij de voorzieningenrechter op 10 april 2006- aan Y overhandigd, hetgeen bij brief van 24 april 2006 bevestigd wordt door T.R. Schoofs van Omnyacc, het accountantskantoor van IPI. Voorts wijzen X en BAKI op een brief van 24 april 2006 van X aan Y, die onder meer inhoudt:

“Ik wijs u erop dat ik het bovengenoemde (hof: de administratieve bescheiden zoals genoemd in het dictum van het vonnis) al reeds heb aangeleverd bij Omnyacc en dat deze door u in ontvangst zijn genomen, des al niet te min heb ik voor u het bovengenoemde opnieuw uitgedraaid. Tevens stuur ik u hierbij het origineel van de door mij gemaakte back up. Deze bevat alle bestanden van [IPI]. De kopie van de backup is hierbij aan u schriftelijk en digitaal overhandigd.”

2.7 Het betoog van X en BAKI dat zij niet alle zaken die in het dictum van het vonnis worden genoemd in hun bezit hebben gehad, is tegenover de concrete veroordeling te vaag om te kunnen slagen.

Vervolgens komt de vraag aan de orde welke zaken X en BAKI reeds op 30 maart 2006 aan Y hadden afgegeven. Het is aan X en BAKI om daar duidelijkheid over te verschaffen. Die wordt niet verkregen door voornoemde brief van Schoofs, omdat deze een slag om de arm houdt waar hij spreekt van de door u (hof: X) aan mij overhandigde administratie. Dat hij daar aan toevoegt “(volledige)” brengt evenmin meer duidelijkheid, omdat uit de brief niet blijkt dat hetgeen Schoofs van X heeft ontvangen en aan Y heeft afgegeven, de stukken zijn waarvan in het vonnis afgifte wordt bevolen.

Voornoemde brief van X zelf schept juist minder duidelijkheid, omdat daaruit blijkt dat hij op 24 april 2006 nog de beschikking had over de administratie van IPI, aangezien hij in staat is deze “opnieuw uit te draaien”. Daarmee weerspreekt hij ook zijn eigen stelling dat hij niet (meer) in het bezit was de administratie van IPI. Dat volgt eens te meer uit de mededeling van X in zijn brief dat hij een kopie van “de backup” aan Y afgeeft, waaruit het hof niets anders kan afleiden dan dat de originele gegevens onder X zijn blijven berusten.

De eerste grief treft dus geen doel.

2.8 Grief II betreft de veroordeling van X en BAKI tot het afleggen van rekening en verantwoording. Volgens hen kan op grond van art. 2:107 lid 2 BW alleen de algemene vergadering van aandeelhouders van IPI verlangen dat het bestuur van IPI rekening en verantwoording aflegt.

Dat standpunt van X en BAKI is in beginsel juist, maar onder omstandigheden kan een rekenplicht ook voortvloeien uit hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Die omstandigheden doen zich hier voor. X en BAKI hebben in maart 2006, terwijl Notwerk aanspraak had op een meerderheidsbelang in IPI, naar het voorlopig oordeel van het hof, onrechtmatig de macht over IPI uitgeoefend en het vermogen van IPI beheerd en daarover beschikt. Onder die omstandigheden mag de opvolgend aandeelhouder, Notwerk, verlangen dat over die onrechtmatige beheersperiode alsnog rekening en verantwoording aan haar wordt afgelegd. Ook grief twee slaagt dus niet.

2.9 X en BAKI klagen er met grief III over dat zij ten onrechte zijn veroordeeld om twee bedrijfsauto’s aan Notwerk af te geven; een MG met het kenteken [kenteken] en een Renault met het kenteken [kenteken].

Volgens X en BAKI mocht X, nadat hij door IPI was geschorst, de MG blijven gebruiken, omdat zijn arbeidsovereenkomst nog niet was beëindigd of ontbonden en het privé-gebruik van deze auto deel uitmaakte van zijn secundaire arbeidsvoorwaarden.

Of een werknemer na schorsing een “auto van de zaak” mag blijven gebruiken hangt af van hetgeen terzake is overeengekomen en van de omstandigheden van het geval. In dit geval is X geschorst omdat hij getracht heeft Y buiten spel te zetten, doende was (geweest) IPI leeg te halen en daarna in de buurt van haar kantoor een concurrerend bedrijf op te zetten. Dat alles maakt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat X er aanspraak op zou kunnen maken dat IPI de MG nog langer aan hem ter beschikking stelt, zodat de derde grief in zoverre faalt.

De voorzieningenrechter heeft in rov 4.5 overwogen dat de Renault in een niet nader genoemde garage staat ter reparatie. Kennelijk heeft X de Renault met sleutels en papieren, bij een garage gebracht. Daarmee hebben X (en BAKI) zich daarover als heer en meester gedragen, zodat zij bezitter daarvan zijn. Het garagebedrijf waar de Renault ter reparatie was gebracht, is slechts houder daarvan. Uit niets blijkt dat X en BAKI aan de voorzieningenrechter hebben meegedeeld dat volgens hen Y wist waar de Renault stond. Ook de veroordeling van X en BAKI tot afgifte van de Renault, waarop IPI rechthebbende is, was derhalve juist, zodat de derde grief ook in zoverre faalt.

2.10 Uit de wijze waarop grief IV is geformuleerd volgt dat, nu de grieven I tot en met III falen, ook de vierde grief tevergeefs is opgeworpen.

3. Slotsom en kosten

X en BAKI zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun hoger beroep tegen Y. Het vonnis voor zover tegen Notwerk gewezen, zal worden bekrachtigd. X en BAKI hebben als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het appèl te dragen.

4. Beslissing

Het hof:

verklaart X en BAKI niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen Y;

bekrachtigt het vonnis voor zover tegen Notwerk gewezen;

verwijst X en BAKI in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten voor zover tot heden aan de kant van Y en Notwerk gevallen, op € 296,-- voor verschotten en op € 894,-- voor salaris van de procureur;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. M. Coeterier, mr. J.H. Huijzer en mr. A. Rutten-Roos en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2006.