Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ5431

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-09-2006
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
536/05
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het is mogelijk RSI-klachten te ontwikkelen binnen enkele maanden. Werkdruk wordt subjectief ervaren. Causaal verband tussen werkzaamheden en schade (tot acht jaar nadien) onvoldoende bestreden. Werkgever verantwoordelijk voor werkplekken bij detachering of thuiswerken.

Wetsverwijzingen
Arbeidsomstandighedenbesluit 5.10, geldigheid: 2006-09-07
Arbeidsomstandighedenbesluit 5.15, geldigheid: 2006-09-07
Arbeidsomstandighedenwet 1998 3, geldigheid: 2006-09-07
Arbeidsomstandighedenwet 1998 6, geldigheid: 2006-09-07
Arbeidsomstandighedenregeling 5.1, geldigheid: 2006-09-07
Arbeidsomstandighedenregeling 5.2, geldigheid: 2006-09-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/65
JA 2007/37
RAR 2007, 40
JAR 2007, 65

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de stichting

STICHTING PENSIOENFONDS VOOR DE GEZONDHEID, GEESTELIJKE EN MAATSCHAPPELIJKE BELANGEN,

gevestigd te Zeist,

APPELLANTE,

procureur: mr. C.B.M. Scholten van Aschat,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. E. Unger.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna PGGM en [geïntimeerde] genoemd.

Bij dagvaarding van 15 maart 2005 is PGGM in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 22 december 2004 (hierna: het eindvonnis), in deze zaak onder rolnr. 238964 CV EXPL 01-8236 gewezen tussen PGGM als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

PGGM heeft bij memorie één grief tegen het in deze zaak gewezen en op 24 september 2003 uitgesproken tussenvonnis (hierna: het tweede tussenvonnis) en één grief tegen het eindvonnis geformuleerd en toegelicht en bewijs aangeboden, met conclusie, dat het hof het eindvonnis en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 24 juli 2002 en 24 september 2003 zal vernietigen en alsnog, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de in eerste aanleg door [geïntimeerde] ingestelde vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] – gezien de appèldagvaarding: uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het geding in beide instanties.

[Geïntimeerde] heeft geantwoord, producties in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal bekrachtigen, met veroordeling van PGGM in de kosten van beide instanties.

Partijen hebben op 28 maart 2006 de zaak doen bepleiten, PGGM door mr. J.W.M. Pothof, advocaat te Utrecht, en [geïntimeerde] door mr. M. Bosman, advocaat te Utrecht, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

Vervolgens zijn de stukken van het geding in beide instanties aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van die stukken geldt als hier ingevoegd.

2. De beoordeling

2.1. [Geïntimeerde] heeft van 1 september 1997 tot en met 28 februari 1998 op basis van een stageovereenkomst werkzaamheden bij PGGM verricht, waarna partijen aansluitend, per 1 maart 1998, een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, tot en met 31 december 1999, zijn aangegaan. Wegens klachten aan beide armen is [geïntimeerde] op 25 mei 1998 uitgevallen. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat de verschijnselen duiden op Repetitive Strain Injury (RSI). [Geïntimeerde] heeft haar werkzaamheden als gevolg van haar arbeidsongeschiktheid niet meer hervat en de arbeidsovereenkomst is op 31 december 1999 van rechtswege geëindigd. [Geïntimeerde] ontvangt thans een uitkering die is gebaseerd op 80-100% arbeidsongeschiktheid.

2.2. [Geïntimeerde] wijt haar arbeidsongeschiktheid aan de arbeidsomstandigheden bij PGGM en heeft laatstgenoemde aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade. PGGM heeft de aansprakelijkheid betwist.

[Geïntimeerde] heeft PGGM gedagvaard voor de kantonrechter en, samengevat, een verklaring voor recht gevorderd dat PGGM de zorgplicht voortvloeiend uit art. 7:658 BW heeft geschonden, alsmede gevorderd PGGM te veroordelen om alle schade te betalen die voortvloeit uit het niet-naleven van voornoemde zorgplicht, nader op te maken bij staat. De kantonrechter heeft die vorderingen, na een aan [geïntimeerde] gegeven bewijsopdracht en een aan PGGM gegeven bewijsopdracht, toegewezen. Het door [geïntimeerde] (eveneens) gevorderde voorschot van f 100.000,- wees de kantonrechter, onder afwijzing van het meergevorderde, toe voor € 5.000,-.

2.3. PGGM is van de vonnissen van de kantonrechter in hoger beroep gekomen. Thans is tussen partijen in geschil, kort gezegd, of [geïntimeerde] is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs terzake van het causaal verband en of PGGM is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs terzake de voldoening aan de zorgplicht ingevolge art. 7:658 BW.

2.4. Het hof zal allereerst ingaan op het verweer van PGGM, eerst ten pleidooie naar voren gebracht, dat zij niet aansprakelijk is uit hoofde van art. 7:658 BW voorzover er sprake is van een schending van de zorgplicht in de periode dat [geïntimeerde] op basis van een stageovereenkomst werkzaamheden verrichtte. Dit verweer bevat een klacht tegen een nadrukkelijke overweging door de kantonrechter in het tweede tussenvonnis en moet als een nieuwe grief worden aangemerkt. Nu [geïntimeerde] hiermee ter zitting uitdrukkelijk niet heeft ingestemd vanwege het vergevorderde stadium van het geding, kan deze grief niet meer in de rechtsstrijd worden betrokken. Voormeld verweer zal derhalve buiten beschouwing blijven en het hof gaat uit van de juistheid van de vaststelling door de kantonrechter.

2.5. Voorts heeft PGGM eerst tijdens het pleidooi aangevoerd dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat de bij [geïntimeerde] aanwezige klachten veroorzaakt zijn door de in dienst van PGGM verrichte werkzaamheden, omdat deze klachten thans - acht jaar na die werkzaamheden - nog onverminderd aanwezig zijn. Dit laat zich volgens PGGM niet rijmen met het principe dat de klachten in gunstige zin zouden moeten reageren op een verandering van activiteiten, of het stopzetten daarvan.

Voorzover PGGM hiermee betoogt het causaal verband te bestrijden, zal het hof daarop ingaan bij de behandeling van de eerste grief (zie 2.7.5).

Voorzover PGGM hiermee de overweging van de kantonrechter bestrijdt dat de klachten van [geïntimeerde] niet zouden zijn voorkómen, ongeacht of PGGM aan haar zorgplicht ex art. 7:658 BW heeft voldaan, laat het hof dit verweer buiten beschouwing, omdat wederom sprake is van een nieuwe grief. De kantonrechter heeft omtrent genoemd verweer immers in r.o. 3, laatste zin, van het eindvonnis nadrukkelijk beslist en PGGM heeft die overweging bij memorie van grieven niet bestreden. Gelet op het bezwaar van [geïntimeerde] tegen het aanvoeren van de nieuwe grief kan het verweer niet meer in de rechtsstrijd worden betrokken.

2.6. Het hof komt thans toe aan de in de memorie aangevoerde grieven. Met grief I komt PGGM op tegen het in het tweede tussenvonnis neergelegde oordeel van de kantonrechter dat er causaal verband bestaat tussen de voor PGGM uitgevoerde werkzaamheden en de bij [geïntimeerde] aanwezige RSI-klachten.

2.7.1. De grief faalt. Naar het oordeel van het hof kunnen de overwegingen van de kantonrechter de conclusie dragen dat is komen vast te staan dat de RSI-klachten van [geïntimeerde] geheel of grotendeels het gevolg zijn van de uitoefening van haar werkzaamheden bij PGGM. Het hof sluit zich op dit punt aan bij de overwegingen van de kantonrechter zoals opgenomen in het tweede tussenvonnis (pag. 1, laatste alinea, en pag. 2, eerste alinea). Hetgeen PGGM in haar toelichting op grief I aanvoert, kan niet tot een ander oordeel leiden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.7.2. Anders dan PGGM stelt, kan hetgeen Ruijgrok in algemene bewoordingen over RSI verklaart wel bijdragen aan het bewijs dat de schade door [geïntimeerde] is geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden bij PGGM. Zijn verklaring biedt immers steun aan de stelling dat het mogelijk is om RSI-klachten te ontwikkelen binnen een tijdsbestek van enkele maanden, hetgeen van belang is nu [geïntimeerde] in totaal iets minder dan negen maanden feitelijk werkzaam is geweest - eerst als stagiaire, later als werknemer - voor PGGM.

2.7.3. PGGM draagt verder aan dat de kantonrechter slechts acht heeft geslagen op de verklaringen van de getuigen [werknemer A] en [werknemer B] en de verklaringen van de getuigen [werknemer C] en [werknemer D] geheel buiten beschouwing heeft gelaten.

De verklaring van [werknemer A] ziet onder meer op de hoeveelheid beelschermwerk die [geïntimeerde] in het kader van haar werkzaamheden verrichtte. Dat werk bedroeg volgens diens verklaring 50 à 60% van de totale werktijd. [Werknemer C] heeft hierover niets verklaard, zodat de kantonrechter die verklaring op dit onderdeel niet in zijn oordeel behoefde te betrekken. [Werknemer D] heeft verklaard dat [geïntimeerde] twee dagen per week thuis werkte en dat het pc-werk voornamelijk thuis gebeurde, hetgeen volgens PGGM betekent dat het beeldschermwerk ten hoogste 40% van de totale werkzaamheden uitmaakte.

Bij de waardering van de getuigenverklaringen van [werknemer A] en [werknemer D] heeft de kantonrechter betekenis mogen toekennen aan het feit dat [werknemer A] degene was die, zoals PGGM zelf heeft gesteld, [geïntimeerde] gedurende de stageperiode feitelijk heeft begeleid. Uit de verklaring van [werknemer D] volgt dat [geïntimeerde] pas vanaf 1 maart 1998 voor hem werkzaam was, en slechts één dag per week werkzaam was op de locatie waar hij ook werkzaam was. Derhalve kan worden aangenomen dat [werknemer A] meer dan [werknemer D] inzicht had in de aard van de werkzaamheden die [geïntimeerde] uitvoerde, zodat de kantonrechter op goede gronden meer gewicht kon toekennen aan de verklaring van [werknemer A] ter ondersteuning van [geïntimeerde’s] eigen verklaring over de hoeveelheid beeldschermwerk.

Voorts valt niet in te zien waarom de kantonrechter geen acht mocht slaan op de verklaring van [werknemer B] dat met [geïntimeerde] vooral vanwege haar kennis en ervaring op het gebied van pc’s een dienstverband is aangegaan, een verklaring die door de andere getuigen niet is tegengesproken.

2.7.4. PGGM stelt dat er door haar geen nadrukkelijke niet of nauwelijks te halen deadlines aan [geïntimeerde] zijn opgelegd en dat er zodoende geen sprake was van een bovenmatige tijdsdruk. Voorzover PGGM hiermee betoogt dat de factor werkdruk nauwelijks of geen rol kan hebben gespeeld bij het ontstaan van de RSI-klachten, wordt miskend dat, zo volgt uit de verklaring van Ruijgrok, werkdruk subjectief wordt ervaren. Dat de werkdruk door [geïntimeerde] als hoog werd ervaren, volgt uit het rapport van W. Hokken, revalidatie-arts, opgemaakt op 2 april 2001. [Geïntimeerde] heeft voor die werkdruk ook een verklaring gegeven, namelijk - en dit is door PGGM niet weersproken - dat tijdens haar stageperiode een deel van haar werk verloren is gegaan als gevolg van een computercrash, hetgeen ertoe leidde dat veel computerwerk opnieuw moest worden gedaan. Ook heeft [geïntimeerde] erop gewezen dat zij haar stageopdracht na 1 maart 1998 heeft afgerond bovenop haar werkzaamheden als projectsecretaris voor de VOG.

Dat [werknemer A] verklaart dat [geïntimeerde] geen werkdruk en geen deadlines had en dat [werknemer C] eveneens verklaart dat [geïntimeerde] geen tijdsdruk had, kan derhalve niet afdoen aan de beleving van de werkdruk door [geïntimeerde] zelf.

2.7.5. Voorts heeft PGGM aangevoerd dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat de bij [geïntimeerde] aanwezige klachten veroorzaakt zijn door de in dienst van PGGM verrichte werkzaamheden, omdat de klachten thans – acht jaar na die werkzaamheden – nog onverminderd aanwezig zijn. Anders gezegd, PGGM acht het waarschijnlijk dat er een andere oorzaak voor de klachten van [geïntimeerde] is. Welke die andere oorzaak zou kunnen zijn, wordt door PGGM in hoger beroep niet vermeld.

In eerste aanleg is door PGGM weliswaar opgeworpen dat de klachten van [geïntimeerde] wellicht (mede) hun oorzaak vinden in veelvuldig privé-computergebruik of in computerwerkzaamheden voor een van haar bestuursfuncties, maar dat is door [geïntimeerde] bij de bewijslevering gemotiveerd weerlegd. In het licht hiervan is de stelling van PGGM in hoger beroep, dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat de klachten hun oorzaak vinden in de werkzaamheden bij PGGM, onvoldoende feitelijk onderbouwd. Het had op de weg van PGGM gelegen om ter ondersteuning van die stelling nadere feiten of omstandigheden aan te dragen. Nu zij thans geen enkel aanknopingspunt voor een alternatieve oorzaak te berde brengt, kan naar het oordeel van het hof het verweer op dit punt geen verandering brengen in de gevolgtrekking dat het causaal verband tussen de door [geïntimeerde] uitgevoerde werkzaamheden bij PGGM en de RSI-klachten is komen vast te staan.

2.7.6. Ter zitting van het pleidooi heeft PGGM nog een beroep gedaan op een arrest van de Hoge Raad van 11 maart 2005 (JAR 2005,84). Haars inziens volgt daaruit dat, gelet op het veelal multi-causale karakter van RSI, bij de vraag naar het bestaan van het causaal verband mede rekening moet worden gehouden met de reeds bestaande medische klachten en andere omstandigheden, gelegen in de persoon van de werknemer.

Het beroep van PGGM op genoemd arrest kan niet afdoen aan de vaststelling dat causaal verband bestaat tussen de schade van [geïntimeerde] en de door haar ten behoeve van PGGM verrichte werkzaamheden. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] immers het rapport van de revalidatie-arts Hokken, alsmede een formulier melding beroepsziekten, ingevuld door de bedrijfsarts, J.M.A. Mayer, in het geding gebracht. Uit het rapport van Hokken volgt dat [geïntimeerde] altijd gezond was en in het formulier melding beroepsziekten beantwoordt Mayer de vraag of, voor zover bekend, persoonlijke eigenschappen in overwegende mate hebben bijgedragen aan het gemelde gezondheidseffect, ontkennend. Gelet hierop en bij gebreke aan andersluidend bewijs was er voor de kantonrechter geen aanleiding een en ander nadrukkelijk in de bewijswaardering omtrent het causaal verband te betrekken.

Voorzover PGGM in hoger beroep aanvoert dat reeds bestaande medische klachten en persoonlijke omstandigheden een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de klachten, heeft zij haar stelling onvoldoende feitelijk onderbouwd en daarvan geen bewijs bijgebracht.

2.7.7. Voor het overige heeft PGGM niets naar voren gebracht wat tot een ander oordeel met betrekking tot het causaal verband zou moeten leiden.

2.8. In grief II keert PGGM zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij niet is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht ingevolge art. 7:658 BW. PGGM betoogt dat zij wél is geslaagd in voornoemd bewijs, hetgeen haar disculpeert van haar aansprakelijkheid jegens [geïntimeerde].

Daartoe voert zij onder meer aan dat [geïntimeerde] niet alleen binnen het gebouw van PGGM werkte, maar ook bij VOG te Utrecht en op haar thuisadres, welke laatste twee werkplekken, aldus PGGM, niet vielen onder de verantwoordelijkheid van PGGM als werkgever. Verder voert PGGM aan dat zij in 1997 is begonnen met het vervangen van meubilair, waardoor iedere werkplek werd voorzien van naar de eisen van de tijd ergonomisch verantwoord meubilair. Ook deed PGGM in 1997 het nodige terzake van preventie, begeleiding en tegemoetkoming bij geuite klachten met betrekking tot het werk.

2.9. Het hof verwerpt het verweer van PGGM dat zij niet verantwoordelijk is voor de werkplekken van [geïntimeerde] bij VOG en op haar thuisadres. De in art. 7:658 BW neergelegde zorgverplichting van PGGM – waarvan de ratio is gelegen in de omstandigheid dat de werkgever bepaalt op welke plaats, onder welke omstandigheden en met welke hulpmiddelen de werknemer moet werken – is in dit geval ook van toepassing op de uitoefening van de werkzaamheden door [geïntimeerde] krachtens haar stage-/arbeidsovereenkomst buiten het gebouw van PGGM. Immers, vast staat dat [geïntimeerde] bij VOG was gedetacheerd door PGGM, zij reeds vóór aanvang van haar stageovereenkomst van PGGM op haar thuisadres een computer ter beschikking heeft gekregen en toestemming heeft gekregen om thuis werkzaamheden voor PGGM te verrichten. Gelet op deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat PGGM zeggenschap had over de werkplek bij VOG en op het thuisadres van [geïntimeerde], zodat PGGM in redelijkheid niet kan volhouden dat zij niet verantwoordelijk is voor de arbeidsomstandigheden aldaar. Niet is komen vast te staan dat het thuiswerk van dermate geringe omvang was, dat van thuiswerken in de zin van de arboregelgeving geen sprake zou zijn.

2.10. Het hof zal thans nagaan welke verplichtingen er op het gebied van het arbeidsomstandighedenbeleid golden op het moment dat [geïntimeerde] haar werkzaamheden bij PGGM is aangevangen, namelijk op 1 september 1997, en of PGGM aan die verplichtingen heeft voldaan.

2.11. Ingevolge de Arbeidsomstandighedenwet 1980 (Arbowet), nader uitgewerkt in het Arbeidsomstandighedenbesluit 1997 (Arbobesluit) en de Arbeidsomstandighedenregeling (Arbo-regeling), waren in de periode van 1 september 1997 tot 25 mei 1998 onder meer de navolgende verplichtingen van toepassing op PGGM:

- De inrichting van de arbeidsplaats, de werkmethoden en de bij de arbeid gebruikte hulpmiddelen dienen, zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd, op ergonomisch verantwoorde wijze aan de werknemer te zijn aangepast (art. 3, eerste lid, sub e Arbowet);

- De werknemer moet doeltreffend worden ingelicht over de aard van de werkzaamheden, de daaraan verbonden gevaren en de maatregelen die erop gericht zijn deze gevaren te voorkomen of te beperken (art. 6 Arbowet);

- Beeldschermwerk dient zodanig georganiseerd te zijn dat dit telkens na ten hoogste twee achtereenvolgende uren wordt afgewisseld door andersoortige arbeid of door een rusttijd (art. 5.10 Arbobesluit);

- De arbeidsplaats van een thuiswerker is zodanig ingericht dat de arbeid zoveel mogelijk zittend op ergonomisch verantwoorde wijze kan worden verricht. Hiertoe dient de werkgever een doelmatige zitgelegenheid en een doelmatig werkblad of een doelmatige werktafel ter beschikking te stellen (art. 5.15 Arbobesluit);

- De omgeving waarin beeldschermwerk wordt verricht, alsmede de inrichting van de werkplek, de apparatuur en het meubilair, moeten voldoen aan ergonomische eisen (artt. 5.1 en 5.2. Arboregeling).

2.12.1. Gelet op de aan PGGM opgedragen bewijsopdracht rustte op haar de taak om aan te tonen dat zij aan voormelde verplichtingen heeft voldaan. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat zij daarin niet is geslaagd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

2.12.2. De kantonrechter heeft op basis van de afgelegde getuigenverklaringen terecht vastgesteld dat [geïntimeerde] op de werkplek bij PGGM aan een niet-verstelbaar bureau heeft gewerkt waar zij haar stoel niet goed kon aanschuiven. Dit volgt uit de verklaringen van [geïntimeerde], [werknemer C], [werknemer E] en [werknemer F]. Derhalve kan niet worden gezegd dat PGGM de inrichting van de werkplek van [geïntimeerde] op ergonomisch verantwoorde wijze aan [geïntimeerde] heeft aangepast.

Datzelfde geldt voor de andere werkplekken van [geïntimeerde] bij VOG en op haar thuisadres. Gesteld noch gebleken is dat PGGM op enigerlei wijze zorg heeft gedragen voor de inrichting van die werkplekken. Met betrekking tot de thuiswerkplek is komen vast te staan dat PGGM aan [geïntimeerde] weliswaar een computer ter beschikking heeft gesteld, maar verder geen zorg heeft gedragen voor de inrichting van die werkplek. [Geïntimeerde] heeft immers blijkens haar niet weersproken verklaring zelf een bureaustoel aangeschaft en een bureaublad gemaakt van een oude deur.

2.12.3. Voorts heeft de kantonrechter met recht overwogen dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] heeft deelgenomen aan de introductie over de risico’s van beeldschermwerk of daar anderszins voorlichting over heeft gekregen.

Weliswaar hebben de getuigen [werknemer C], [werknemer A] en [werknemer D] verklaard dat nieuwe medewerkers een introductiecursus kregen, waarin ook beeldschermwerk aan de orde kwam, maar dat wordt tegengesproken door de verklaringen van [werknemer E], [werknemer F] en [geïntimeerde]. Zo heeft [werknemer F] verklaard nooit instructie te hebben gehad met betrekking tot verantwoord computergebruik en heeft [werknemer E] verklaard niet veel te hebben gemerkt van instructie. [Geïntimeerde] heeft in haar verklaring aangegeven dat zij op de eerste stagedag een rondleiding door het gebouw heeft gekregen met wat aanvullende informatie zoals over het systeem van de toegangspasjes. Over de manier en methode van werken met de computer is zij niet voorgelicht.

In dit verband is voorts van belang het schriftelijk stuk met de kop ‘Algemene PGGM introductie’, dat [geïntimeerde] op 27 april 2004 bij contra-enquete heeft overgelegd en dat de verschillende onderdelen van de introductie beschrijft. Daaruit blijkt niet dat er bij die introductie aandacht werd besteed aan voorlichting over ergonomisch werken en/of beeldschermwerk.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat, zo er bij de introductie al aandacht zou zijn besteed aan beeldschermwerk en ergonomisch werken, een dergelijke eenmalige introductie onvoldoende is om te voldoen aan de voortdurende zorgverplichting van de werkgever om ervoor te zorgen dat de werknemer ergonomisch verantwoord werkt.

Ook de eventuele aanwezigheid van een poster met oefeningen van Avios-arbo op de kamer waar [geïntimeerde] bij PGGM werkzaam was – waarvan de aanwezigheid door [geïntimeerde] overigens is betwist – moet in dit verband als onvoldoende worden beschouwd om van behoorlijke voorlichting te kunnen spreken.

2.12.4. Reeds op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat niet is komen vast te staan dat PGGM heeft voldaan aan haar zorgplicht uit hoofde van art. 7:658 BW, omdat zij niet heeft voldaan aan haar verplichtingen op het gebied van het arbeidsomstandighedenbeleid. Zodoende kan in het midden blijven of de overwegingen van de kantonrechter omtrent de hoeveelheid beeldschermwerk en de werkdruk juist zijn. Ook als de grieven op dit punt zouden slagen, kan dat niet afdoen aan het oordeel dat PGGM niet is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs.

2.12.5. Het hof verwerpt voorts het verweer van PGGM dat in de jaren 1997/1998 RSI een nog zo onbekende ziekte was dat haar zorgplicht ter voorkoming van die aandoening van beperkte aard zou zijn en dat zij nog geen inzicht had in de effectiviteit van maatregelen. Terecht heeft [geïntimeerde] gewezen op de EEG-richtlijn van 29 mei 1990 en de daarop gebaseerde regelgeving. Als goed werkgever had PGGM aan de geldende regelgeving en de daarin opgenomen preventieve maatregelen gevolg moeten geven, al was het alleen om reden van voorzichtigheid ter voorkoming van mogelijk schadelijke effecten.

2.13. Het betoog van PGGM, dat [geïntimeerde], gelet op haar leeftijd en opleidingsniveau, ook zelf een taak had om PGGM te wijzen op in haar ogen gebrekkige zaken, treft geen doel. Indien al zou komen vast te staan dat [geïntimeerde] heeft nagelaten bij haar werkgever te klagen – hetgeen door [geïntimeerde] nadrukkelijk wordt betwist – kan zulks in dit geval niet afdoen aan de aansprakelijkheid van PGGM. Voorop staat immers de zorgplicht van de werkgever. Zoals hiervoor vastgesteld, heeft PGGM zich niet gehouden aan de normen zoals deze golden op het gebied van de arbeidsomstandigheden doordat de werkplek van [geïntimeerde] niet aan haar was aangepast, er geen voorlichting is gegeven over ergonomisch werken en beeldschermwerk en zij evenmin heeft zorggedragen voor de juiste arbeidsomstandigheden op de thuiswerkplek van [geïntimeerde]. Een eventueel nalaten van [geïntimeerde] om PGGM op een en ander te wijzen is derhalve in verhouding tot de schending van de zorgplicht door PGGM van dusdanig gering gewicht dat het geen verandering kan brengen in de aansprakelijkheid van PGGM.

2.14. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat grief II niet slaagt.

2.15. Het vorenoverwogene betekent dat het hoger beroep tevergeefs is voorgesteld. Aan het in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod van PGGM komt geen betekenis toe omdat het, tegen de achtergrond van de bewijslevering in eerste aanleg, op de weg van PGGM had gelegen om specifiek aan te geven tot welke bewijslevering zij wenste te worden toegelaten.

3. Slotsom en kosten

Nu de grieven falen, moeten de bestreden vonnissen worden bekrachtigd. PGGM zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt PGGM in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 2.682,- aan salaris procureur en € 244,- aan verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, P.C. Römer en A.F. Salomons en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 september 2006.