Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ4688

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2006
Datum publicatie
19-12-2006
Zaaknummer
880/2006 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het per fax beschikbaar stellen van een kopie van een testament aan een collega­notaris die met de afwikkeling van de nalatenschap is belast, is een gangbare praktijk, althans niet ongebruikelijk in de notariële wereld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2007, 28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Bij vervroeging

Beslissing van 14 december 2006 in de zaak onder rekestnummer 880/2006 NOT van:

[X],

wonende te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

1. MR. [Y],

2. MR. [Z],

beiden notaris te [plaats]

GEÏNTIMEERDEN.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof is op 13 juni 2006 ingekomen een verzoekschrift van de zijde van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing – bekend onder nummer 05-37 - van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Gravenhage, verder te noemen de kamer van 17 mei 2006, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerden verder te noemen de notarissen, in alle onderdelen ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van notaris sub 1 is op13 juli 2006 een verweerschrift – met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen. Van de zijde van notaris sub 2 is op 14 juli 2006 eveneens een verweerschrift – met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van klager is een faxbericht ter griffie van het hof ingekomen op 7 november 2006, waarin klager verzoekt om aanhouding van de behandeling van de zaak.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 9 november 2006. Klager is niet verschenen. De notarissen zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt zodat het hof zal uitgaan van de door de kamer in eerste aanleg vastgestelde feiten.

4. Het standpunt van klager

4.1. Klager verwijt notaris sub 2 dat hij in strijd met de wet en zonder toestemming van de erven een kopie van de twee testamenten ter beschikking heeft gesteld van het notariskantoor [A] te [plaats]. Hiermee heeft hij de privacy van de testateur en van klager geschonden, want deze testamenten heeft de notaris sub 2 per fax naar voormeld notariskantoor verzonden, zodat deze testamenten door iedereen op dat kantoor konden worden ingezien. Bovendien had notaris sub 2 geen kopie van deze testamenten aan mr. G.L. [C], verder te noemen, mr. [C], notaris bij dat kantoor, mogen afgeven, nu mr. [C] notaris sub 2 als advocaat bijstaat in een klaagschriftprocedure van klager over de testamenten van wijlen zijn moeder.

4.2. Klager verwijt notaris sub 1- destijds nog kandidaat-notaris - dat hij het testament van 18 februari 1999 van de vader van klager niet op correcte wijze heeft verleden, nu daaruit valt op te maken dat het testament niet onmiddellijk na voorlezing is ondertekend. Dit is in strijd met de “Notariswet”.

4.3. Ook wordt notaris sub 2 verweten dat het testament van zijn vader dat op 6 december 2001 is verleden, niet eenduidig is, want het testament is door notaris sub 2 onzorgvuldig opgemaakt. Het testament van 18 februari 1999 is door middel van een verwijzing met slechts één zin ingebracht in het testament van 6 december 2001. Tevens zijn er met het eerdere testament tegenstrijdige “willen” te lezen in het testament van 6 december 2001. Volgens het testament van 18 februari 1999 zou klager 1/3 deel van de nalatenschap moeten krijgen, terwijl volgens een bepaling in het testament van 6 december 2001 klager slechts de legitieme portie zou erven. Bovendien had dit testament wegens de dementie van klagers vader niet tot stand mogen komen.

4.4. Ten slotte verzoekt klager het hof om vernietiging van de beide testamenten.

5. Het standpunt van de notarissen

5.1. De notarissen betwisten de stellingen van klager en verweren zich als volgt.

5.2. Notaris sub 2 verwijst naar de correspondentie met mevrouw mr. S.U. [D], verder te noemen: mr. [D], die als kandidaat-notaris was verbonden aan het kantoor van mr. [C]. Op verzoek van mr. [D] heeft hij haar per fax op 10 oktober 2005 de twee testamenten van de vader van klager doen toekomen.

5.3. Notaris sub 1 betoogt dat het testament op 18 februari 1999 conform de wettelijke bepalingen onmiddellijk na voorlezing van het testament is ondertekend. Een notaris was destijds nog niet gebonden aan de verplichting om er in de akte melding van te maken dat de ondertekening heeft plaatsgehad onmiddellijk na de voorlezing daarvan. Sinds de invoering van de Wet op het notarisambt, verder te noemen: Wna, per 1 oktober 1999 is de notaris verplicht van de ondertekening van de akte onmiddellijk na de voorlezing in het slot van de akte melding te maken conform artikel 43 lid 5 Wna.

5.4. Met betrekking tot het niet duidelijk zijn van het testament van 6 december 2001 brengt notaris sub 2 naar voren dat klager in het tweede testament in de legitieme wordt gesteld en daardoor recht heeft op slechts een vierde aandeel van de erfenis. Het overige aandeel wast aan bij het aandeel van zijn zuster. Ten slotte heeft de notaris sub 2 aangegeven dat hij voorafgaand aan het passeren van de testamenten op 6 december 2001 uitgebreid met de ouders van klager heeft gesproken, zonder dat daar andere personen bij aanwezig waren. Beide ouders hebben ieder voor zich en los van elkaar gemotiveerd verklaard onderscheid te willen maken tussen hun kinderen. Het gesprek met de vader van klager is in alle rust gevoerd, waarbij hij zijn wil duidelijk heeft kenbaar gemaakt.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.2. Het verzoek van klager tot vernietiging van beide testamenten zal het hof reeds hierom passeren omdat daarvoor in de onderhavige tuchtprocedure geen plaats is.

6.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.4. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, P.J.N. van Os en A.M.A. Verscheure en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 14 december 2006 door de rolraadsheer.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen ’s­Gravenhage

Beslissing d.d. 17 mei 2006 inzake de klacht onder nummer 05­37 van:

[X],

wonende te [plaats],

hierna ook te noemen: klager,

advocaat mr I.A. Groenendijk,

tegen

1. mr [Y],

hierna ook te noemen: notaris [Y],

en

2. mr [Z],

hierna ook te noemen: notaris [Z],

beiden notaris te [plaats].

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

? de klacht tegen beide notarissen, met bijlagen, ingekomen op 15 november 2005,

? het antwoord van respectievelijk notaris [Y] en van notaris [Z], met bijlagen,

? de repliek van klager, met bijlagen,

? de dupliek van respectievelijk notaris [Y] en van notaris [Z].

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Daarbij waren aanwezig de advocaat van klager alsmede klagers partner, mevrouw [F], en de notarissen.

Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt met daaraan in afschrift gehecht de op de zitting overgelegde pleitnota van de advocaat van klager.

De feiten

Op 6 oktober 2005 is overleden Arie [X] [hierna: de vader], de vader van klager en zijn zuster A. [X]­[X] [hierna de zuster].

De vader heeft twee testamenten doen opmaken; het eerste testament is op 18 februari 1999 verleden door notaris [Y] [toen nog kandidaat-notaris op het kantoor van notaris [Z]], het tweede testament is op 6 december 2001 verleden door notaris [Z]. Klager en zijn zuster zijn de enige erven.

De klacht

De klacht valt uiteen in drie onderdelen.

1. Notaris [Z] heeft op 10 oktober 2005 kopie van de twee testamenten in strijd met de wet en zonder toestemming van de erven ter beschikking gesteld van het notariskantoor [A] te [plaats] en hiermee de privacy van de testateur en van klager geschonden. Deze testamenten heeft notaris [Z] per fax naar voormeld notariskantoor verzonden, zodat deze door iedereen op dat kantoor konden worden ingezien. Bovendien had notaris [Z] geen kopie als voormeld van deze testamenten aan mr G.L. [C], notaris bij dat kantoor, mogen afgeven, nu mr [C] notaris [Z] als advocaat bijstaat in een klaagschriftprocedure van klager over de testamenten van wijlen zijn moeder.

2. Het testament van 18 februari 1999 van de vader van klager is niet correct verleden door de toenmalige kandidaat­notaris [Y], nu daaruit te lezen is dat het niet onmiddellijk na voorlezing is ondertekend. Dit is in strijd met de “Notariswet”.

3. De inhoud van het door notaris [Z] verleden testament van 6 december 2001 is niet eenduidig, want onzorgvuldig opgemaakt door notaris [Z]. Het testament van 18 februari 1999 is door middel van een verwijzing met slechts één zin ingebracht in het testament van 6 december 2001. Tevens zijn er tegenstrijdige “willen” te lezen in het testament van 6 december 2001. Volgens het testament van 18 februari 1999 zou klager 1/3 deel van de nalatenschap moeten krijgen, terwijl volgens een bepaling in het testament van 6 december 2001 klager slechts het legitieme deel dient te erven.

Bovendien had dit testament wegens de dementie van de vader niet tot stand mogen komen.

Het verweer

De notarissen hebben ieder voor zich gemotiveerd verweer gevoerd, dat voor zover nodig hieronder zal worden besproken.

De beoordeling

Klachtonderdeel 1:

In zijn brief van 8 november 2005 aan klager heeft notaris [Z] toegelicht dat hij op verzoek van de kandidaat­notaris mevrouw [D] verbonden aan het notariskantoor [A] te [plaats] aan haar op 10 oktober 2005 per fax kopieën van de twee testamenten van de vader heeft verzonden.

Het per fax beschikbaar stellen van een kopie van een testament aan een collega­notaris die met de afwikkeling van de nalatenschap is belast, is een gangbare praktijk, althans niet ongebruikelijk in de notariële wereld. Bovendien is niet gebleken dat klager door deze verzending enig nadeel heeft ondervonden en is een mogelijke belangenverstrengeling vanwege de afwikkeling van de nalatenschap door deze kandidaat­notaris en de bijstand in de klaagschriftprocedure door mr [C] aan notaris [Z] niet door klager aannemelijk gemaakt.

De klacht is daarom in dit onderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel 2:

In het vijfde lid van artikel 43 van de [geldende] Wet op het notarisambt wordt onder meer bepaald dat van de ondertekening overeenkomstig het vierde lid melding wordt gemaakt in het slot van de akte. In het vierde lid wordt bepaald dat de akte door ieder der verschijnende personen onmiddellijk na voorlezing wordt ondertekend en dat onmiddellijk daarna de notaris de akte ondertekent. Deze regeling geldt vanaf de inwerkingtreding op 1 oktober 1999 van de Wet op het notarisambt.

De vóór die datum geldende Wet op het Notarisambt [1842], die op het onderhavige testament van toepassing is, nu dit is verleden op 18 februari 1999, kende een dergelijk voorschrift echter niet.

De klacht is reeds hierom in dit onderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel 3:

De Kamer is van oordeel dat de tekst van het testament van 6 december 2001 bij eerste lezing wellicht niet voor iedere lezer onmiddellijk duidelijk zou kunnen zijn, maar dat de bedoeling in essentie wel duidelijk en niet voor meerderlei uitleg vatbaar is.

De stelling van klager dat de vader ten tijde van het passeren van het testament op 6 december 2001 wegens dementie niet zijn wil heeft kunnen bepalen is naar het oordeel van de Kamer niet door klager aannemelijk gemaakt.

De Kamer neemt daartoe in aanmerking de verklaring van notaris [Z] dat hij voorafgaand aan het passeren van de testamenten op 6 december 2001 uitgebreid met beide ouders van klager heeft gesproken zonder dat daarbij iemand anders aanwezig was. Bij die bespreking hebben de ouders hem ieder en onafhankelijk van elkaar gemotiveerd verklaard onderscheid te willen maken tussen hun kinderen, zulks met instandhouding van de “gewone” langstlevende beschikkingen, zoals opgenomen in hun bestaande testamenten [van 18 februari 1999]. De vader heeft aan de notaris gemotiveerd zijn wens kenbaar gemaakt. Het gesprek met hem is in alle rust gevoerd, waarbij de vader zijn motieven aan de notaris heeft kenbaar gemaakt. De vader heeft daarbij zijn wil duidelijk verklaard en van de door klager beweerde onmogelijkheid voor de vader om zijn wil kenbaar te maken is volgens de notaris absoluut geen sprake geweest.

Door klager zijn geen feiten om omstandigheden aangevoerd die reden geven voor een andere lezing dan die van notaris [Z]. De Kamer kan noch uit de door klager overgelegde medische rapportage van 10 december 2001 van het Regionaal Indicatie Orgaan DWO betreffende de vader, noch uit de door klager overgelegde getuigenverklaringen die op 28 oktober 2004 voor de rechter­commissaris in strafzaken zijn afgelegd, afleiden dat de vader op het moment van het verlijden van het testament wegens dementie zijn wil niet heeft kunnen bepalen. Daarbij merkt de Kamer nog op dat ook al was de vader ten tijde van het passeren lijdend aan een dementieel syndroom, daarmee nog niet vaststaat dat hij op dat specifieke moment niet in staat is geweest zijn wil te bepalen, nu het een feit van algemene bekendheid is dat tijdens het proces van geestelijke aftakeling ook lucide momenten kunnen voorkomen.

Alles bijeen ziet de Kamer derhalve onvoldoende aanknopingspunten voor klagers stelling dat de notaris welbewust aan de geestelijke toestand van de vader is voorbijgegaan, althans deze toestand onvoldoende heeft getoetst.

De klacht is daarom ook in dit onderdeel ongegrond.

De beslissing

De Kamer van Toezicht voormeld:

verklaart de klacht tegen de notarissen mrs [Y] en [Z] in alle onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs R.G. Kok, voorzitter, R. van der Galiën, J. Hulsebosch, M.G.L. den Os­Brand en N.P.C. van Wijk, en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr A. Saab, in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2006.

Afschrift van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan de notarissen en aan klager gezonden.

Binnen dertig dagen na de dagtekening van de begeleidende brief kunnen de notarissen en klager van deze beslissingen in hoger beroep komen bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.