Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ4190

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
207/2006 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onder de genoemde omstandigheden mocht oud-notaris [Y] er niet toe overgaan om zonder instemming van Van Diepen c.q. oud-notaris [X] en zelfs zonder in kennis stelling van dezen tot vernietiging van een gedeelte van de boekhouding overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Bij vervroeging

Beslissing van 7 december 2006 in de zaak onder rekestnummer 207/2006 NOT van:

MR. DRS. [X],

oud-notaris te [plaats],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. P.J. de Booij,

t e g e n

MR. [Y] ,

oud-notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. F.B. Falkena.

1. Het geding in hoger beroep

Ter griffie van het hof alhier is op 6 februari 2006 ingekomen een verzoekschrift van de zijde van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Haarlem, verder te noemen de kamer, van 17 januari 2006, waarbij de klacht van klager tegen geïntimeerde, verder te noemen: de oud-notaris, gegrond is verklaard zonder oplegging van een maatregel aan de oud-notaris.

1.2. Van de zijde van klager is op 15 februari 2006 een aanvullend verzoekschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van de oud-notaris is een verweerschrift, tevens houdend incidenteel appèl, ter griffie van het hof ingekomen op 14 april 2006.

1.4. Op 13 november 2006 is van de zijde van klager nog een brief met bijlagen ter griffie van het hof ingekomen.

1.5. Van de zijde van de oud-notaris is op 20 november 2005 een reactie op deze brief bij de griffie ingekomen.

1.6. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 23 november 2006. Klager en zijn gemachtigde, als mede de oud - notaris vergezeld van zijn gemachtigde zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van de oud-notaris aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt zodat het hof zal uitgaan van de door de kamer in eerste aanleg vastgestelde feiten.

4. Het standpunt van klager

Klager verwijt de oud-notaris dat hij opdracht voor vernietiging van een gedeelte van de boekhouding van de tussen hen destijds bestaand hebbende maatschap heeft gegeven terwijl er nog een forensisch onderzoek liep naar deze boekhouding. Door aldus te handelen ontneemt de oud-notaris klager de kans om onregelmatigheden op te sporen. Klager is van mening dat van de oud-notaris mocht worden verwacht dat hij dit onderzoek niet zou frustreren en de forensisch accountant, P.J.M. van Diepen, verder te noemen Van Diepen, in de gelegenheid zou hebben gesteld zijn onderzoek af te ronden.

5. Het standpunt van de oud-notaris

5.1. De oud-notaris betwist de stellingen van klager gedeeltelijk. Als eerste brengt de oud-notaris naar voren dat klager niet ontvankelijk is in zijn klacht omdat hij geen aantoonbaar persoonlijk belang heeft bij deze klacht, omdat noch het functioneren van de oud-notaris als notaris, noch het vertouwen in het notariaat in het geding is. Ook heeft de oud-notaris betoogd dat klager en hij op 6 oktober 2002 zijn overeengekomen dat indien door Van Diepen geen onregelmatigheden zouden worden ontdekt over de periode van 1997 tot 2002 klager zijn klacht zou intrekken. Aangezien Van Diepen geen onregelmatigheden heeft ontdekt, dient klager zijn klacht in te trekken.

5.2 Voorts heeft de oud-notaris aangegeven dat gedurende het samenwerkingsverband er geen verschil van inzicht is geweest met betrekking tot de financiële administratie. De oud-notaris heeft ook benadrukt dat hij, ondanks dat hij zich overrompeld heeft gevoeld door het forensisch onderzoek, Van Diepen toch inzage heeft verschaft in de boekhouding. Indien de oud-notaris bevroedt zou hebben dat het onderzoek door Van Diepen nog niet was afgerond, dan had hij de (reguliere) opruiming van de administratie op een later tijdstip doen plaats vinden.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.2. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.3. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, L.J. Saarloos en F.A.A. Duynstee en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 7 december 2006 door de rolraadsheer.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT HAARLEM

Beschikking d.d. 17 januari 2006 van de Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen in het arrondissement Haarlem, nader ook “de Kamer”, in de zaak onder nummer K 11.04 van:

mr drs. [X],

oud-notaris te [plaats],

wonende te [plaats],

nader ook: [X].

advocaat: mr P.J. de Booij,

kantoorhoudende te Almere.

---tegen---

mr [Y],

oud-notaris te [plaats],

wonende te [plaats],

nader ook: [Y].

advocaat: mr F.B. Falkena,

kantoorhoudende te Amsterdam.

1. Verloop van de procedure.

Voor het verloop van de procedure verwijst de Kamer naar de navolgende aan de Kamer tot het nemen van een beslissing overgelegde bescheiden, waarvan de inhoud als hier ingevoegd dient te worden aangemerkt:

- de op 29 juli 2004 ter secretarie van de Kamer ingekomen brief van de advocaat van [X] van 28 februari 2005;

- het verweerschrift van de advocaat van [Y] van 15 september 2004 met

7 bijlagen;

- de brief van 16 augustus 2005 van de advocaat van [Y] met 6 bijlagen;

- de repliek van de advocaat van [X] van 31 augustus 2005 met 2 bijlagen;

- de brief van de advocaat van [X] van 5 oktober 2005;

- de dupliek van de advocaat van [Y] van 14 oktober 2005 met 2 bijlagen;

- de brief van de advocaat van [Y] van 3 november 2005 met 2 bijlagen;

- de brief van de advocaat van [X] van 7 november 2005 met 1 bijlage;

- de brief van de advocaat van [Y] van 10 november 2005 met 2 bijlagen;

1.2 In de openbare vergadering van de Kamer van 15 november 2005 zijn [X] en zijn advocaat, alsmede [Y] en zijn advocaat gehoord. Tevens is gehoord de heer P.J.M. van Diepen RA. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten toe te lichten, waarbij de advocaat van [Y] zich heeft bediend van een pleitnota. Vervolgens heeft de voorzitter van de Kamer de behandeling gesloten en nader bepaald dat op 17 januari 2006 een beschikking zal volgen.

2. Relevante vaststaande feiten.

Bij de beoordeling van de klacht wordt van het navolgende uitgegaan:

a. Op 1 januari 1989 hebben partijen met elkaar een overeenkomst gesloten, waarbij zij een samenwerkingsverband in de vorm van een maatschap zijn aangegaan.

Dit samenwerkingsverband heeft 13 jaren geduurd, waarna de maatschap op 31 december 2001 is ontbonden.

b. Gedurende voormelde periode is de boekhouding gecontroleerd door BDO Walgemoed CampsObers accountants (hierna: BDO) te Purmerend en zijn de jaarstukken telkens door ieder van de maten goedgekeurd.

c. Op 31 mei 2002 heeft BDO het concept van de jaarrekening met betrekking tot het jaar 2001 aan ieder van de maten verstrekt. Op basis van deze jaarrekening dienden partijen onderling af te rekenen.

d. Bij brief van 3 juni 2002 heeft BDO naar aanleiding van de conceptjaarrekening 2001 een vijftal vragen voorgelegd aan [Y]. Deze vragen betroffen de verwerking van een aantal posten met betrekking tot een tweetal schilderijen, een alarminstallatie, het gebruik van het archief en rente over kapitaal.

e. Op 17 juni 2002 is de definitieve jaarrekening 2001 door partijen goedgekeurd.

f. Op 28 augustus 2002 hebben partijen overeenstemming bereikt ten aanzien van de overnamebalans op basis waarvan [Y] op 27 december 2002 een bedrag van € 118.198,97 aan [X] heeft voldaan.

g. Aan [X] is met ingang van 31 december 2002 eervol ontslag als notaris verleend en aan [Y] met ingang van 31 december 2004.

h. Van oktober 2002 tot oktober 2003 is door partijen onder meer gecorrespondeerd over de alarminstallatie. Naar aanleiding hiervan is (omstreeks oktober 2003) door [X] aan [Y] medegedeeld dat hij overwoog om de gehele boekhouding en de jaarstukken betreffende de maatschap aan een forensisch onderzoek te onderwerpen en dat hij, als hij daartoe besloot, P.J.M. van Diepen (hierna:Van Diepen), forensisch accountant bereid had gevonden om het onderzoek te verrichten.

i. Op 9 december 2003 heeft Van Diepen op het kantoor van [Y] een begin gemaakt met zijn onderzoek ten aanzien van de boekhouding.

j. Van Diepen werd door [Y] na een periode van tien dagen verzocht om zijn werkzaamheden op te schorten. Afgesproken is toen dat Van Diepen in januari 2004 het onderzoek zou voortzetten.

k. In verband met ziekte van Van Diepen heeft hij in januari 2004 zijn onderzoek niet kunnen hervatten. [Y] is niet door Van Diepen geïnformeerd over zijn ziekte.

l. In opdracht van [Y] is op enig ogenblik tussen december 2003 en juni 2004 de gehele boekhouding met betrekking tot de periode 1989 tot 1997 vernietigd.

m. Op 18 juni 2004 is door Van Diepen het onderzoek op het kantoor van [Y] hervat en is door hem geconstateerd dat een gedeelte van de boekhouding was verwijderd.

n. Ter zitting heeft [X] verklaard zich beledigd te voelen, vanwege het feit dat [Y] de boekhouding heeft doen vernietigen.

o. [Y] heeft ter zitting verklaard dat hij het betreurt dat hij opdracht heeft gegeven tot het verwijderen van een gedeelte van de boekhouding en dat daarbij een rol heeft gespeeld dat hij woedend en gegriefd was door het door [X] geïnitieerde forensisch onderzoek.

3. Inhoud van de klacht.

3.1 De klacht houdt zakelijk weergegeven het volgende in:

[X] verwijt [Y] dat deze hangende een forensisch onderzoek ten aanzien van de boekhouding en de jaarstukken betreffende de maatschap, opzettelijk een gedeelte van die boekhouding (de jaren 1989 tot 1997) heeft doen verwijderen. Aldus optredend heeft [Y] volgens [X] in strijd met de eer en waardigheid van het ambt van notaris gehandeld.

3.2 Het standpunt van [X].

3.3 [X] stelt dat van een notaris, bovendien zijnde zijn (oud)compagnon, mag worden verwacht dat hij een accountant die met zijn instemming een (forensisch) onderzoek verricht ten aanzien van de boekhouding met betrekking tot de maatschap die partijen destijds zijn aangegaan, ongestoord zijn onderzoek laat afronden en niet tijdens dit onderzoek een gedeelte van de boekhouding doet verwijderen en aldus bewijsmateriaal “verdonkeremaant”. Door zo te handelen heeft [Y] in strijd met de eer en de waardigheid van het ambt van notaris gehandeld en reeds hierom is de klacht dan ook volgens [X] ontvankelijk.

Het doel van dit onderzoek was om de integriteit van de onder de verantwoordelijk-heid van [Y] gevoerde boekhouding vast te stellen bij welke vaststelling hij, [X], belang heeft. Nu [Y] opdracht heeft gegeven om een gedeelte van de boekhouding te vernietigen, heeft hij de verdenking op zich geladen dat hij wat te verbergen heeft en kan niet meer worden vastgesteld of er zich al of niet onregelmatigheden hebben voorgedaan.

[X] voert voorts aan dat Van Diepen weliswaar de boekhouding met betrekking tot de periode 1997 tot 2002 heeft kunnen onderzoeken, en dat hij naar aanleiding van dit onderzoek aan [Y] een negental vragen heeft voorgelegd, maar dat de antwoorden van [Y] hierop het vermoeden bij [X] dat er zich wellicht onregelmatigheden hebben voorgedaan, niet hebben kunnen wegnemen. Dit aspect vormde voor [X] de aanleiding om de onderhavige klacht alsnog voor te leggen aan de Kamer.

4. Het standpunt van [Y].

4.1 [Y] voert voor alles aan dat [X] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht, aangezien [X] bij de klacht geen aantoonbaar persoonlijk belang heeft. [Y] voegt hieraan toe dat het functioneren als notaris en het vertrouwen in het notariaat niet in het geding is.

Voorts stelt [Y] dat partijen op 6 oktober 2002 zijn overeengekomen dat [X] de klacht zou intrekken, indien door Van Diepen geen onregelmatigheden zouden worden ontdekt betreffende het tijdvak 1997 tot 2002. Nu door Van Diepen volgens [Y] geen onregelmatigheden zijn ontdekt, komt aan [X] niet langer het recht toe de onderhavige klacht door te zetten.

4.2 [Y] stelt voorts dat in de periode gedurende welke partijen hebben samengewerkt, er nimmer verschil van inzicht is ontstaan over de financiële administratie en beide partijen jaarlijks de boekhouding en de jaarstukken hebben geaccordeerd.

Daarnaast voert [Y] aan dat weliswaar aan de orde is geweest dat [X] overwoog om een forensisch onderzoek te laten verrichten, maar dat zonder enige vooraankondiging Van Diepen zich op 9 december 2003 bij zijn kantoor heeft gemeld en dat hij zich hierdoor overrompeld heeft gevoeld. Desondanks heeft hij Van Diepen inzage verschaft tot de boekhouding. Aangezien Van Diepen zich niet in januari 2004 opnieuw, zoals was afgesproken, bij zijn kantoor heeft vervoegd, ging [Y] er van uit dat het onderzoek geen resultaat had opgeleverd en daarom geen vervolg zou krijgen. Dit was dan ook de reden voor [Y] om in mei 2004, de maand waarin de reguliere opruiming van de administratie pleegt plaats te vinden, een gedeelte van de administratie te doen vernietigen. [Y] benadrukt in dit verband dat als hij had vernomen dat het onderzoek zou worden voortgezet, hij de opruiming had opgeschort. Desgevraagd deelt [Y] mede dat hij geen contact heeft opgenomen met [X] om hem te informeren over zijn voornemen om een gedeelte van de administratie te doen vernietigen, omdat hij woedend en gegriefd was door de handelwijze van [X].

5. De beoordeling.

5.1 Ter beoordeling is de vraag of [Y] zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de wet op het notarisambt gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die hij als notaris behoorde te betrachten ten opzichte van [X], dan wel of hij zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat een notaris niet betaamt, een en ander als bedoeld in artikel 98 van de Wet op het notarisambt.

5.2 Alvorens op de klacht in te gaan overweegt de Kamer het navolgende.

[X] kan in zijn klacht worden ontvangen. Het is immers zo dat degene die bij het in een klacht gewraakte doen en/of nalaten van een notaris is betrokken, als belanghebbende bij een uitspraak over die klacht kan worden aangemerkt en daarom in die klacht kan worden ontvangen. [X] heeft er persoonlijk belang dat komt vast te staan dat vanaf het moment dat partijen het maatschapsverband zijn aangegaan, de boekhouding op de juiste wijze is gevoerd en gecontroleerd. Hij is dan ook op relevante wijze betrokken bij het aan het oordeel van de Kamer onderworpen gedrag van [Y].

De Kamer voegt hieraan toe dat nu bij [X] nog het vermoeden leefde dat er zich wellicht onregelmatigheden hadden voorgedaan bij het voeren van de boekhouding, [X] niet gebonden was aan een eventuele toezegging dat hij de klacht zou intrekken indien geen onregelmatigheden zouden zijn gebleken over de periode 1997 tot 2002.

5.3 De klacht is gegrond.

[Y] was vanaf oktober 2003 op de hoogte van het feit dat bij [X] grote onvrede heerste over de wijze waarop de financiële kant van de samenwerking tussen beiden was verlopen c.q. was afgehandeld. [Y] wist dat [X] een forensisch accountant had ingeschakeld teneinde eventuele onregelmatigheden in de gevoerde boekhouding gedurende het gehele bestaan van de maatschap op te sporen, doordat hij in december 2003 met deze accountant en diens onderzoek geconfronteerd is geworden. [Y] wist bovendien dat Van Diepen zijn onderzoek in december 2003 niet had voltooid en voor nader onderzoek zou terugkomen. Onder deze omstandigheden mocht [Y] er niet toe overgaan om zonder instemming van Van Diepen c.q. [X] en zelfs zonder in kennis stelling van dezen tot vernietiging van een gedeelte van de boekhouding overgaan. Het enkele feit dat Van Diepen niet al in januari 2004 zijn onderzoek voortzette maar pas in juni 2004 doet daaraan niet af. [Y] heeft door tot vernietiging over te gaan, zich schuldig gemaakt aan een handelen dat een notaris niet betaamt.

5.4 Nu de klacht gegrond is verklaard komt de vraag aan de orde of een maatregel moet worden opgelegd.

Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Niet gebleken is van enig feit dat rechtvaardigde dat een forensisch accountantsonderzoek moest worden opgestart. Dat [Y] een dergelijk onderzoek en de wijze waarop hij daarmee werd geconfronteerd als diffamerend heeft ervaren, is niet onbegrijpelijk. Ter zitting heeft [Y] toegelicht dat het gewraakte handelen voor een groot deel was ingegeven door emoties die dit onderzoek bij hem heeft losgemaakt. Hij heeft inmiddels zijn excuus aan [X] aangeboden voor het vernietigen van een gedeelte van de administratie. Een door de Kamer op te leggen maatregel draagt niets meer bij.

5.5 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6. BESLISSING

De Kamer van Toezicht over de notarissen en Kandidaat-Notarissen te Haarlem:

- verklaart de klacht gegrond.

- legt aan [Y] geen maatregel op.

Deze beschikking is op 17 januari 2006 gegeven door mr A.C. Monster, voorzitter, mrs C. Wisse, A. Patijn en mr C.M. Lambregtse leden en mr L.H.M. van Noordwijk plaatsvervangend lid in tegenwoordigheid van de secretaris

mr Y.H. L’Hoir.