Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ2640

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2006
Datum publicatie
20-11-2006
Zaaknummer
809/06 GDW en 810/06 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gang van zaken voorafgaand aan - en tijdens een veiling van roerende zaken. Rol van de betrokken gerechtsdeurwaarder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2006, 201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 16 november 2006 in de zaak onder rekestnummer 809/06 GDW van:

[...],

gerechtsdeurwaarder te [...],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin,

t e g e n

de besloten vennootschap [Y] B.V.,

gevestigd te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. R.J.E. Reidinga

en de zaak onder rekestnummer 810/06 GDW van:

[...],

gerechtsdeurwaarder te [...],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. J.D. van Vlastuin,

t e g e n

de besloten vennootschap [X] B.V.,

gevestigd te [...],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. J.M. van der Pol.

1. Voeging van beide zaken in hoger beroep

Het hof heeft de door appellant, hierna te noemen de gerechtsdeurwaarder, aangespannen procedures in hoger beroep tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 11 april 2006 gevoegd daar zij op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en tussen dezelfde partijen aanhangig zijn die ook in eerste aanleg tegenover elkaar stonden.

2. Het verloop van de procedure in de gevoegde zaken

2.1. Namens de gerechtsdeurwaarder is in beide zaken bij een op 22 mei 2006 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlagen - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van 11 april 2006, verzonden op 20 april 2006. Op 23 juni 2006 is namens geïntimeerde in de zaak met rekestnummer 810/06 GDW, hierna te noemen [X], een verweerschrift ingediend. Op 24 juli 2006 is namens geïntimeerde in de zaak met rekestnummer 809/06 GDW, hierna te noemen [Y], een verweerschrift - met bijlagen – ingediend. [X] en [Y] zullen hierna tezamen als klagers worden aangeduid.

Bij de bestreden beslissing van de kamer zijn de klachten van klagers gedeeltelijk gegrond verklaard onder oplegging van de maatregel van berisping aan de gerechtsdeurwaarder. Voor het overige zijn de klachten ongegrond verklaard.

2.2. Op 25 september 2006 is van de zijde van de gerechtsdeurwaarder nog een stuk ter griffie van het hof ingediend.

2.3. De zaken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 28 september 2006. Verschenen zijn de gemachtigden van klagers, alsmede de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder. Allen hebben het woord gevoerd. De gemachtigde van [Y] heeft het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie.

3. De stukken van de gedingen

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

4. De beoordeling van de bestreden beslissing

Het hof kan zich niet verenigen met de beslissing van de kamer, behoudens de daarin vervatte vaststelling van de feiten en zal deze beslissing derhalve in zoverre vernietigen.

5. De feiten in beide zaken

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Voor zover partijen bezwaar hebben gemaakt ten aanzien van de vaststelling door de kamer zal dit in de beoordeling worden meegewogen.

6. Het standpunt van klagers

6.1. Kort samengevat verwijten klagers de gerechtsdeurwaarder het navolgende:

In de zaak met rekestnummer 809/06 GDW:

a) het verzaken van zijn verplichtingen als openbaar ambtenaar toezicht te houden ter waarborging van een goed en ordelijk verloop van de veiling conform de wet- en regelgeving in de ruimste zin des woords;

b) het trachten te frustreren dat [X] haar ministerie aan [Y] verleent, te weten het leggen van conservatoir beslag onder de schuldenaar;

c) het ondanks de beslaglegging laten doorgaan van de veiling en het verkopen en uitleveren van dezaken, daarbij in strijd met de waarheid bewerende dat [Y] de veiling heeft gefrustreerd en haar voorts ten onrechte aanprakelijk stellende voor de daardoor beweerdelijk geleden schade;

d) de onheuse bejegening en het valselijk in een kwaad daglicht trachten te stellen van [X], onder meer door in strijd met de waarheid te beweren dat een bedrag ad € 12.000,- in depot was aangeboden; in dit verband bestrijdt [Y] dat de gerechtsdeurwaarder een bedrag ad € 12.000,- contant in handen zou hebben gekregen van de vader van de directeur van [Z] B.V., hetzij van de veilinghouder Lieftink, hetzij van een andere derde;

e) het achteraf alsnog trachten te bewerkstelligen van een “depot”, hetgeen nog meer benadrukt dat er ondanks de beslaglegging onder zijn “toezicht” is verkocht;

f) het optreden in verschillende hoedanigheden waarbij de gerechtsdeurwaarder zijn diverse functies op ondoorzichtige wijze door elkaar haalt.

In de zaak met rekestnummer 810/06 GDW:

De gerechtsdeurwaarder heeft, ondanks zijn wetenschap van het gelegde beslag, zijn volledige medewerking aan de geplande liquidatieveiling verleend. Dit houdt in dat de gerechtsdeurwaarder zijn bewuste medewerking heeft verleend aan het onttrekken van zaken aan het voormelde beslag zoals bedoeld in artikel 198 van het Wetboek van Strafrecht.

7. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder betwist de stellingen van klagers als volgt.

In de zaak met rekestnummer 809/06 GDW:

a) De gerechtsdeurwaarder stelt tijdens de veiling toezicht te hebben gehouden op een ordentelijk verloop daarvan en zijn verplichtingen als openbaar ambtenaar niet te hebben verzaakt. In dit verband wijst de gerechtsdeurwaarder erop dat de taak van een gerechtsdeurwaarder beperkt is tijdens een veiling. Of de opdrachtgever voor de veiling wel eigenaar is van de door hem ter veiling aangeboden zaken, of daarop mogelijk een pandrecht of eigendomsvoorbehoud rust dan wel of daarop beslag is gelegd, kan en mag de gerechtsdeurwaarder niet toetsen. Voorts stelt de gerechtsdeurwaarder dat [Y] geen schade heeft geleden nu een bedrag van € 12.000,- op 27 mei 2005 in depot was gegeven en een totaal aan roerende zaken met een winkelwaarde van € 425.000,- onder het beslag is gebleven. De gerechtsdeurwaarder stelt dat door dit vexatoire beslag juist schade is veroorzaakt door de beslaglegger.

b) De gerechtsdeurwaarder heeft de beslaglegging niet gefrustreerd. Hij heeft de beslagleggende gerechtsdeurwaarder gewezen op de rechten van derden en hem verzocht een passende oplossing te bewerkstelligen. De beslagleggende gerechtsdeurwaarder reageerde hierop met de mededeling dat aan hem opdracht was gegeven tot beslaglegging op alle roerende zaken. In de panden aan de Van Diemenstraat 19 en de Industrieweg 1 te [plaats] was niemand aanwezig om [Z] B.V. te vertegenwoordigen. De gerechtsdeurwaarder stelt dat hier sprake is van toepassing van artikel 444 lid 2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. In het pand aan de Van Diemenstraat 8 B was wel iemand ter vertegenwoordiging van [Z] B.V. aanwezig. De aldaar aanwezige voorraden en machines dekten een veelvoud van het bedrag van € 12.000,-. Toch heeft de beslagleggende gerechtsdeurwaarder beslag gelegd op de te veilen roerende zaken.

c) De gerechtsdeurwaarder stelt dat hij voor noch tijdens de veiling een betekening heeft ontvangen en derhalve niet in de wetenschap verkeerde op welke specifieke zaken beslag was gelegd. Door te zorgen voor een depot van € 12.000,- op 27 mei 2005 door een derde ten behoeve van [Z] B.V. gestort, waarvan een kwitantie is uitgegeven door de gerechtsdeurwaarder, en het afzonderen van roerende zaken die in eigendom toebehoorden aan [Z] B.V. ter waarde van € 425.000,-, heeft de gerechtsdeurwaarder de belangen van de beslaglegger juist zeer goed gediend. In dit verband wijst de gerechtsdeurwaarder op het overleg dat de gemachtigde van beslaglegger enkele dagen voor de beslaglegging heeft gevoerd met de veilinghouder over de vraag hoe te handelen. Afspraak was, zoals gebruikelijk in dit soort situaties, na de veiling beslag te leggen onder de veilinghouder op de opbrengst van de veiling die deze dan onder zich heeft voor [Z] B.V.

d) De gerechtsdeurwaarder stelt dat uit het proces-verbaal niet blijkt van een onheuse bejegening noch van het valselijk in een kwaad daglicht stellen van de beslagleggende gerechtsdeurwaarder.

e) De gerechtsdeurwaarder bestrijdt dat het depot achteraf is bewerkstelligd. De gelden zijn op 27 mei 2005 onder de gerechtsdeurwaarder gestort en bevinden zich daar nog steeds.

f) De gerechtsdeurwaarder heeft ambtshalve toezicht gehouden op de veiling. Hierbij had hij noch een financieel noch een persoonlijk belang. Daarnaast behoort tot het takenpakket van een gerechtsdeurwaarder het adviseren van opdrachtgevers.

In de zaak met rekestnummer 810/06 GDW:

De gerechtsdeurwaarder betwist dat hij wetenschap heeft gehad van enig beslag op de onder zijn toezicht te veilen zaken. In dit verband wijst de gerechtsdeurwaarder nogmaals op de afspraken die met de gemachtigde van de beslaglegger zijn gemaakt om na de veiling beslag te leggen op de veilingopbrengst onder de veilinghouder. Voorts heeft de gerechtsdeurwaarder van de beslaglegging geen betekening ontvangen en verkeerde hij derhalve niet in de wetenschap op welke specifieke zaken beslag gelegd was. De gerechtsdeurwaarder heeft juist de belangen van de beslaglegger gediend, zoals ook hierboven reeds gesteld onder c. Nu de rechten van de beslaglegger waren afgedekt bestond er geen enkele aanleiding om de veiling af te zeggen. Daar komt nog bij dat er sprake was van een geplande veiling die alleen teruggedraaid kon worden met zeer veel kosten tot een veelvoud van de vordering waarvoor beslag werd gelegd. Het beslag werd immers op de tweede kijkdag gelegd en de dag erna zou de veiling plaatsvinden. Aangezien het beslag pas werd afgerond op vrijdag 27 mei omstreeks 16.20 uur en een afschrift daarvan pas op 31 mei 2005 aan [Z] B.V. is betekend, zou het moeilijk zijn geweest om binnen het gegeven tijdsbestek een deskundig advocaat te vinden die bereid en in staat zou zijn om een kort geding aan te spannen en een voorzieningenrechter bereid te vinden om nog voor de veiling een kort geding te behandelen en daarin (onmiddellijk) uitspraak te doen. In verband hiermee heeft [Z] B.V. ervoor gekozen de veiling te laten doorgaan en de problemen later op te lossen. Wel is eerdergenoemd bedrag van € 12.000,- gedeponeerd. De gerechtsdeurwaarder stelt dat hij de veiling niet mocht en niet kon verbieden.

8. De beoordeling

8.1. Ten aanzien van onderdeel a) van de zaak met rekestnummer 809/06 GDW overweegt het hof het volgende. Daargelaten de vraag of de gerechtsdeurwaarder de veiling al dan niet had moeten laten doorgaan - dit onderdeel van de klacht zal door het hof in paragraaf 8.3. worden beoordeeld – is het hof niet gebleken dat de gerechtsdeurwaarder voor het overige tijdens de veiling zijn verplichtingen heeft verzaakt, dan wel dat de veiling niet ordentelijk zou zijn verlopen. In beginsel behoort het ook niet tot de ambtelijke taak van de toezichthoudende gerechtsdeurwaarder om mededeling te doen van de eigendom van de te veilen zaken. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.

8.2. Wat betreft onderdeel b) van de zaak met rekestnummer 809/06 GDW, inhoudende het verwijt dat de gerechtsdeurwaarder heeft getracht te frustreren dat [X] haar ministerie aan [Y] zou verlenen, overweegt het hof het volgende. De gerechtsdeurwaarder heeft geweigerd mede te delen welke zaken al dan niet aan [Z] B.V. toebehoren, terwijl hij hiervan wel op de hoogte zou zijn. De gerechtsdeurwaarder heeft zichzelf op deze wijze actief bemoeid met het tegenhouden van de beslaglegging. Bovendien heeft hij zich als juridisch adviseur van [Z] B.V. opgesteld, hetgeen ook blijkt uit de brief die hij op 1 juni 2005 aan [Y] heeft geschreven, inhoudende de aansprakelijkheidstelling “namens de eigenaren van de zaken niet zijnde [Z] B.V.”. Daarom had het op zijn weg gelegen om aan het verzoek om nadere informatie omtrent de eigendom van de te veilen zaken te voldoen. Door dit te weigeren heeft de gerechtsdeurwaarder naar het oordeel van het hof klachtwaardig gehandeld. Het hof zal dit onderdeel van de klacht gegrond verklaren.

8.3. Klachtonderdeel c) van de zaak met rekestnummer 809/06 GDW betreft, evenals het klachtonderdeel in de zaak met rekestnummer 810/06 GDW, het ondanks de beslaglegging laten doorgaan van de veiling. Het hof zal hierbij mede onderdeel d) van de zaak met rekestnummer 809/06 GDW betreffende het depot van € 12.000, - in ogenschouw nemen. Het is het hof gebleken dat de gerechtsdeurwaarder de voorwetenschap had dat op alle zaken die ter veiling werden aangeboden beslag was gelegd. Aan de stelling van de gerechtsdeurwaarder dat hij niet kan worden geacht een onderzoeksplicht te hebben naar de vraag of de opdrachtgever van de veiling wel kan beschikken over de zaken komt het hof niet toe, nu vaststaat dat het de gerechtsdeurwaarder uit eigen waarneming bekend was dat er een beslag rustte op de zaken. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden de gerechtsdeurwaarder te kennen had moeten geven dat hij niet zou kunnen optreden als toezichthouder tijdens de veiling. Het hof tekent hierbij aan dat het door de gerechtsdeurwaarder gestelde feit dat € 12.000,- in depot was gestort, wat daar verder van zij, niet wegneemt dat op de zaken nog steeds een beslag rustte. De gerechtsdeurwaarder heeft voorts niet aannemelijk kunnen maken dat hij op enigerlei wijze heeft getracht contact op te nemen met de beslaglegger teneinde na te gaan of de veiling, gezien het veronderstelde depot, toch zou kunnen doorgaan. Het hof is dan ook van oordeel dat deze onderdelen van de klacht gegrond zijn.

8.4. Het hof overweegt ten aanzien van klachtonderdeel e) van de zaak met rekestnummer 809/06 GDW, waarin de gerechtsdeurwaarder wordt beticht van het alsnog achteraf bewerkstelligen van een depot, dat deze veronderstellingen van klagers onvoldoende aannemelijk zijn geworden aangezien deze onvoldoende door feiten zijn onderbouwd. Het hof is van oordeel dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is.

8.5. Ten aanzien van klachtonderdeel f) van de zaak met rekestnummer 809/06 GDW overweegt het hof dat klagers niet kunnen worden gevolgd in hun stelling dat de gerechtsdeurwaarder verschillende hoedanigheden door elkaar haalt. Tijdens de veiling heeft de gerechtsdeurwaarder de rol van toezichthouder. Daarnaast is het een gerechtsdeurwaarder toegestaan opdrachtgevers te adviseren. Dat een gerechtsdeurwaarder, ten slotte, een poging doet om tussen betrokkenen te bemiddelen is eveneens niet ongeoorloofd. Dit onderdeel van de klacht kan mitsdien niet slagen.

8.6. Het hof acht het handelen van de gerechtsdeurwaarder dermate laakbaar dat een maatregel passend is. Het hof acht de maatregel van berisping dan ook geboden.

8.7. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

8.8. Het vooroverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

9. De beslissing

Het hof:

In de zaken met rekestnummer 809/06 GDW en met rekestnummer 810/06 GDW:

- vernietigt de beslissing van de kamer behoudens ten aanzien van de daarin vervatte vaststelling van de feiten en opnieuw rechtdoende:

- verklaart de klachtonderdelen b), c) en d) in de zaak met rekestnummer 809/06 GDW gegrond;

- verklaart het klachtonderdeel in de zaak met rekestnummer 810/06 GDW gegrond;

- legt de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, P.J.N. van Os en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 16 november 2006 door de rolraadsheer.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 11 april 2006 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de zaken met nummers 284.2005 en 314.2005 van:

(284.2005)

[ ] B.V.,

gevestigd te [ ],

klaagster,

gemachtigde: mr. [ ], advocaat te [ ],

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde,

gemachtigde: mr. [ ], advocaat te [ ],

en:

(314.2005)

[ ] GERECHTSDEURWAARDERS te [ ],

gevestigd te [ ],

klagers,

gemachtigde mr. [ ],

tegen:

[ ],

gerechtsdeurwaarder te [ ],

beklaagde,

gemachtigde: mr. [ ], advocaat te [ ],

Verloop van de procedure in beide zaken

Bij brief met bijlagen van 22 juni 2005 heeft klaagster in de zaak met nummer 284.2005 een klacht ingediend tegen beklaagde, hierna de gerechtsdeurwaarder.

Bij brief van 31 augustus 2005 heeft [ ] namens de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend.

Bij brief met bijlagen van 25 oktober 2005 heeft de gemachtigde van klaagster op het verweerschrift van de gerechtsdeurwaarder gereageerd.

In de zaak met nummer 314.2005 heeft [ ] bij brief met bijlagen van 18 juli 2005 een klacht ingediend tegen beklaagde.

Bij brief van 17 september 2005 heeft [ ] namens de gerechtsdeurwaarder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 november 2005 heeft mr. [ ] zich voor de gerechtsdeurwaarder gesteld en een verweerschrift ingediend.

De klachten zijn gevoegd behandeld ter zitting van 17 januari 2006 alwaar de gemachtigden van klagers en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

Bij brieven van 17 en 18 januari 2006 heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder aanvullende stukken overgelegd.

Bij brief van 3 februari 2005 heeft de Kamer de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder in de zaak met nummer 284.2005 aanvullende vragen gesteld.

Bij brief van 3 maart 2006 heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder de aanvullende vragen beantwoord.

Bij brief van 10 maart 2006 heeft de gemachtigde van klaagster zich over het antwoord op de vragen uitgelaten.

Bij brief van 3 april 2006 heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder bezwaar gemaakt tegen de inhoud van de brief van de gemachtigde van klaagster van 10 maart 2006.

Bij brief van 4 april 2006 heeft de gemachtigde van klaagster op de brief van de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder van 3 april 2006 gereageerd.

De uitspraak is nader bepaald op 11 april 2005.

1. De feiten in beide zaken

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.

a) [ ] Gerechtsdeurwaarders [ ] heeft op 27 mei 2005 van de gemachtigde van klaagster de opdracht ontvangen, krachtens daartoe door de voorzieningenrechter van de rechtbank te [ ] verleend verlof, tot het leggen van conservatoir beslag op roerende zaken ten laste van [ ] B.V., vanwege onder meer een huurschuld voorlopig begroot op een bedrag van € 12.000,00. De aanleiding vormde de aankondiging dat op 28 en 29 mei 2005 te [ ] een liquidatieveiling gehouden zou worden waarbij [ ] haar totale inboedel en handelsvoorraad bij opbod per stuk zou verkopen ten overstaan van de gerechtsdeurwaarder.

b) Volgens het proces-verbaal van beslaglegging heeft mr. [ ], als toegevoegd-kandidaat gerechtsdeurwaarder te [ ], vergezeld door mr. [ ] als getuige, op 27 mei 2005 op het adres van [ ], [ ] 19, conservatoir beslag op roerende zaken gelegd. Ter plaatse werd namens [ ] niemand aangetroffen. De veilingmeester, [ ], belast met de liquidatieverkoop, heeft toestemming verleend het pand te betreden en heeft meegedeeld dat niet alle roerende zaken toebehoorden aan [ ], doch hij weigerde op het verzoek van Doornbos mee te delen welke zaken niet aan [ ] zouden toebehoren. Beklaagde, die blijkens het proces-verbaal omstreeks 14.00 uur ter plaatse verscheen, naar eigen zeggen in zijn hoedanigheid van toezichthouder op de veiling, deed dezelfde mededeling en weigerde verdere informatie. Vervolgens is beslag gelegd in het pand [ ] 8b en in het pand aan de [ ] te [ ]. In totaal is op iets meer dan 1794 roerende zaken beslag gelegd. De nummers die voor de zaken in het proces-verbaal staan vermeld verwijzen naar de kavelnummers vermeld op de labels bevestigd aan de aanwezige roerende zaken. Aangezien (welhaast) alle kavels waren voorzien van een label waarop het beeldmerk en de aanduiding “[ ]” waren aangeduid, is aangenomen dat de roerende zaken toebehoorden aan [ ], aldus [ ] in het proces-verbaal.

c) Op 29 mei 2005 heeft [ ] geconstateerd dat de in beslag genomen zaken zich niet meer bevonden op het adres [ ] 19 en vervolgens dat aan de [ ]1 onder leiding van [ ] en in aanwezigheid van beklaagde een veiling werd gehouden.

d) Blijkens een door de gerechtsdeurwaarder opgemaakte kwitantie is op 27 mei 2005 aan hem contant een bedrag ad € 12.000 voldaan. Op de kwitantie staat het navolgende geschreven:"Ontvangen inzake depotstorting derden inzake [ ] / [ ] B.V. conform begroting voorzieningenrechter dd. 12/5 Twaalfduizend Euro (Door te storten op kwaliteitsrek!)"

e) Blijkens een door de gerechtsdeurwaarder overgelegd rekeningafschrift is met valutadatum 2 juni 2005 een bedrag van € 12.000 op een rekening ten name van [ ] derdengelden gestort.

2. De klachten

In de zaak met nummer 284.2005

Klaagster verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij niet heeft gehandeld zoals het een goed gerechtsdeurwaarder betaamt. De gerechtsdeurwaarder heeft zich in strijd met de regels van betamelijkheid gedragen door niet de waarheid te spreken wat betreft de feiten in deze zaak, door te zwijgen waar hij had behoren spreken en door na te laten wat van een zorgvuldig handelend gerechtsdeurwaarder in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.

Meer in bijzonder wordt de gerechtsdeurwaarder verweten dat:

a) hij zijn verplichting als openbaar ambtenaar heeft verzaakt om toezicht te houden ter waarborging van een goed en ordelijk verloop van de veiling;

b) hij heeft getracht te frustreren dat de gerechtsdeurwaarder zijn ministerie aan klaagster inzake het conservatoire beslag onder de schuldenaar kon verlenen;

c) hij ondanks de beslaglegging de veiling en het verkopen en uitleveren van de zaken doorgang heeft laten vinden en daarbij in strijd met de waarheid heeft beweerd dat klaagster de veiling heeft gefrustreerd en haar voorts ten onrechte aansprakelijk heeft gesteld voor de daardoor beweerdelijk geleden schade;

d) hij de beslagleggende gerechtsdeurwaarder onheus heeft bejegend en valselijk in een kwaad daglicht heeft getracht te stellen, onder meer door in strijd met de waarheid te beweren dat een bedrag van € 12.000,00 in depot was aangeboden;

e) hij achteraf alsnog een depot heeft getracht te bewerkstelligen, hetgeen nog meer benadrukt dat er ondanks de beslaglegging onder zijn toezicht is verkocht;

f) hij is opgetreden in verschillende hoedanigheden waarbij hij zijn diverse functies op ondoorzichtige wijze door elkaar haalt.

In de zaak met nummer 314.2005

[ ] verwijt de gerechtsdeurwaarder dat deze, ondanks zijn wetenschap van het gelegde beslag, zijn volledige medewerking heeft verleend aan de geplande liquidatieveiling. Dit houdt in dat beklaagde zijn bewuste medewerking heeft verleend aan het onttrekken van goederen aan het beslag. Dit is een strafbaar feit (artikel 198 Wetboek van strafrecht). Van een openbaar ambtenaar mag worden verwacht dat hij doet wat rechtens is. Indien de omstandigheden daadwerkelijk zo waren als door beklaagde geschetst, had hij partijen dienen te adviseren maatregelen te treffen om het beslag op te (laten) heffen, zoals door het aanbieden van een garantiestelling of het instellen van een vordering tot opheffing van het beslag.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder in beide zaken

De gerechtsdeurwaarder heeft zijn aanvankelijk gevoerde verweer in beide zaken laten varen en bij monde van zijn gemachtigde in tweede instantie het volgende aangevoerd.

Uit niets blijkt dat de gerechtsdeurwaarder heeft getracht beslaglegging te frustreren. Het enkele feit dat hij heeft meegedeeld dat ook sprake was van inbreng van zaken door een derde, is een mededeling van feitelijke aard die op geen enkele wijze klachtwaardig is. De gerechtsdeurwaarder blijft erbij dat hij de beslagleggende gerechtsdeurwaarder heeft voorgesteld de opbrengst van de veiling tot het bedrag waarvoor het beslag mocht worden gelegd, in depot te geven. Ook heeft de gerechtsdeurwaarder op geen enkele wijze onduidelijkheid laten bestaan over zijn hoedanigheden. Primair was hij belast met het toezicht op de veiling. Toen vervolgens een conflict ontstond heeft hij getracht te bemiddelen bij een voor ieder acceptabele oplossing. Toen dan niet mogelijk bleek heeft hij getracht de belangen van de bij de betrokken partijen te behartigen. Hij heeft in zijn brieven duidelijk gemaakt namens wie hij optrad.

Het is [ ] geweest die ervoor heeft gekozen de veiling ondanks het gelegde beslag doorgang te laten vinden. Gelet op de aan de gerechtsdeurwaarder bij de veiling gegeven taak te weten of de gang van zaken tijdens de veiling correct verloopt mocht de gerechtsdeurwaarder de veiling niet verbieden noch weigeren uitvoering te geven aan de gemaakte afspraak om toezicht op de veiling te houden. Zijn rol als toezichthouder op een veiling is die van scheidsrechter bij geschillen bij opbod of afslag. De gerechtsdeurwaarder zal moeten vaststellen aan wie de zaak kan worden toegewezen of als dat niet kan worden vastgesteld opdracht geven de zaak opnieuw te veilen. Uit niets blijkt dat hij moet nagaan of de opdrachtgever van de veiling gerechtigd is tot veiling over te gaan.

Op hem rust evenmin de wettelijke verplichting om voorafgaand aan de veiling navraag te doen naar de inhoud van de onderhandelingen of gemaakte afspraken. Die verantwoordelijkheid berustte bij [ ] die op haar beurt niet gehouden was om zich daarvoor tegenover de gerechtsdeurwaarder te verantwoorden, aldus de gerechtsdeurwaarder.

4. Beoordeling van de klachten in beide zaken

4.1 Bij de beoordeling van de klachten heeft de Kamer in aanmerking genomen dat het door de gerechtsdeurwaarder eerder gevoerde verweer in beide zaken is vervangen door het door zijn gemachtigde op 11 november 2005 ingediende en ter zitting nader toegelichte verweerschrift. Voorts laat de Kamer de inhoud van de brieven van de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder en de gemachtigde van klaagster van 3 respectievelijk 4 april 2005 als zijnde in strijd met een goede procesorde buiten beschouwing. De brief van de gemachtigde van klaagster van 10 maart 2006 wordt wel in de beoordeling betrokken aangezien dat een reactie is op de door de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder bij brief van 3 maart 2006 gegeven antwoorden op de door de Kamer bij brief van 3 februari 2005 gestelde vragen en de gemachtigde van klaagster in haar ter zitting overgelegde pleitnota reeds heeft geciteerd uit de processtukken die zijn ingediend tegen het veilingbedrijf [ ].

4.2 De klachtonderdelen 1.a en 1.c in de zaak met nummer 284.2005 en de klacht in de zaak met nummer 314.2005 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Die klachten komen er in de kern op neer dat de gerechtsdeurwaarder wordt verweten geen mededeling te hebben gedaan over het bij hem in depot gestorte bedrag en dat hij zijn medewerking heeft verleend aan een veiling van roerende zaken die voorafgaand aan die veiling in beslag waren genomen.

Daargelaten wat de taak van de gerechtsdeurwaarder is bij openbare verkopingen, - de memorie van toelichting op het ontwerp van de Wet ambtelijk toezicht bij openbare veilingen (zitting 1970-1971 10 981) vermeldt daaromtrent bijvoorbeeld als opvatting van de Minister dat het ambtelijk toezicht heilzaam werkt in die zin dat daardoor onder meer de eerbiediging van rechts- en fatsoensnormen bij de voorbereiding en het verloop van de veiling wordt bevorderd- moet gelden dat de gerechtsdeurwaarder bij de veiling aanwezig is in de hoedanigheid van zijn ambt van openbaar ambtenaar. Uit dien hoofde dient hij zich derhalve te gedragen als een goed gerechtsdeurwaarder betaamt.

4.3 Uit de stukken en hetgeen ter zitting nader is toegelicht is het volgende gebleken. De gerechtsdeurwaarder was aanwezig op het moment dat het beslag is gelegd. Toen vervolgens een conflict ontstond heeft hij naar eigen zeggen getracht te bemiddelen tot een voor ieder acceptabele oplossing. Toen dan niet mogelijk bleek heeft hij getracht de belangen van de bij de veiling betrokken partijen te behartigen door met het voorstel te komen om het bedrag waarvoor verlof was verleend tot het leggen van het beslag in depot bij hem te storten. Voormeld bedrag is vervolgens door een derde persoonlijk aan hem overhandigd waarbij de gerechtsdeurwaarder de kwitantie heeft geschreven en ondertekend. Voormeld bedrag is op 27 mei 2005 aan het eind van de middag aan de gerechtsdeurwaarder overhandigd, het bedrag is op maandag 30 mei 2005 op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder in de kas gestort en op 1 juni 2005 op de derdengeldrekening doorgestort.

4.4 De gang van zaken rond de betaling is niet de gebruikelijke en gewenste. Immers ingevolge het bepaalde in artikel 6 lid 2 van de administratieverordening dient een gerechtsdeurwaarder ervoor zorg te dragen dat ontvangen kasgeleden onverwijld op de daartoe bestemde bankrekeningen wordt doorgestort. Blijkens de toelichting op dit artikel zijn aan kasstortingen bijzondere risico’s verbonden die er toe noodzaken dat het kasgeld (bij voorkeur) dagelijks wordt doorgestort naar de bankrekening. Het voorgaande houdt in dat er vanaf 27 mei 2005 tot 1 juni 2005 geen zekerheid was in de door de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder bedoelde zin.

4.5 Naar het oordeel van de Kamer brengen voormelde omstandigheden mee dat de gerechtsdeurwaarder zich niet op het standpunt kan stellen dat hij buiten de kwestie van de beslaglegging stond. Hij kan zich er ook niet op beroepen dat hij niet op de hoogte was van de al dan niet tussen [ ] en klaagster gemaakte afspraken. De gerechtsdeurwaarder heeft immers zelf het bedrag waarvoor het beslag was gelegd overhandigd gekregen en de kwitantie geschreven. De gerechtsdeurwaarder had op grond daarvan onverwijld na de betaling bij de (gemachtigde van) klaagster moeten verifiëren of het bij hem in depot gestorte bedrag aanleiding gaf het gelegde beslag op te heffen zodat de veiling doorgang kon vinden. Zolang daarover geen uitsluitsel was gegeven, had de gerechtsdeurwaarder naar het oordeel van de Kamer zijn medewerking aan de veiling moeten weigeren.

De gerechtsdeurwaarder heeft dit alles nagelaten en naar het oordeel van de Kamer daardoor niet gehandeld als van een redelijk handelend gerechtsdeurwaarder mocht worden verwacht. De klachtonderdelen 1.a en 1.c in de zaak met nummer 284.2005 en de klacht in de zaak met nummer 314.2005 zijn in zoverre gegrond.

4.6 Dat de gerechtsdeurwaarder namens zijn opdrachtgever uiting heeft gegeven aan de mening dat de veiling werd gefrustreerd door het beslag en dat hij klaagster aansprakelijk heeft gesteld voor de eventueel te lijden schade, is niet tuchtrechtelijk laakbaar.

Het antwoord op de vraag of de gerechtsdeurwaarder in strafrechtelijke zin zijn medewerking heeft verleend aan het onttrekken van goederen aan het beslag, is voorbehouden aan het oordeel van de strafrechter.

4.7 Het klachtonderdeel als vermeld onder 1.b treft geen doel. Niet kan worden gezegd dat de gerechtsdeurwaarder, door zijn weigering mede te delen welke zaken niet aan [ ] zouden toebehoren, de beslaglegging heeft gefrustreerd. Het betreft hier een mededeling van feitelijke aard van welke mededeling de beslagleggende gerechtsdeurwaarder zich niets behoefde aan te trekken en heeft aangetrokken.

4.8 Niet kan worden vastgesteld of de gerechtsdeurwaarder al dan niet aan de beslagleggende gerechtsdeurwaarders een bedrag ad € 12.000 in depot heeft aangeboden. Daarom kan niet worden gezegd dat de beslagleggende gerechtsdeurwaarders op dit punt onheus zijn bejegend of valselijk in een kwaad daglicht zijn gesteld. Klachtonderdeel 1.d treft ook geen doel.

4.9 Of de gerechtsdeurwaarder de datum van het depot achteraf heeft gefingeerd kan evenmin worden vastgesteld. Gezien de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde stukken (de kwitantie en het rekeningafschrift) moet het ervoor worden gehouden dat het geld op 27 mei 2005 aan de gerechtsdeurwaarder is overhandigd en op 1 juni 2005 op zijn kwaliteitsrekening is doorgestort. Het tuchtrecht is niet de geëigende weg onderzoek te doen naar de in de ogen van klaagster “valse” kwitantie. Klachtonderdeel als vermeld onder 1.e treft daarom evenmin doel.

4.10 Niet kan worden gezegd dat de gerechtsdeurwaarder diverse functies door elkaar heeft gehaald. Naar het oordeel van de Kamer kan slechts worden gezegd dat hij telkens is opgetreden als openbaar ambtenaar. Dit is niet tuchtrechtelijk laakbaar.

5. Op grond van het voorgaande dient de klacht deels gegrond en deels ongegrond te worden verklaard. Naar het oordeel van de Kamer zijn er termen aanwezig tot het opleggen van na te melden maatregel over te gaan, zodat wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

? verklaart de klachtonderdelen 1.a en 1.c in de zaak met nummer 284.2005 deels gegrond en de klacht in de zaak met nummer 314.2005 gegrond;

? legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping op;

? verklaart de klacht in de zaak met nummer 314.2005 voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en J. Smit, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2006 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.