Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ2210

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2006
Datum publicatie
14-11-2006
Zaaknummer
152/2006 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkheid ex artikel 99 lid 10 en lid 12 Wet op het notarisambt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 9 november 2006 in de zaak onder rekestnummer 152/2006 NOT van:

[X],

wonende te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

MR. [Y],

oud-notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 26 januari 2006 ingekomen een geschrift – met bijlagen – van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden, verder te noemen de kamer, van 28 december 2005, waarbij het tijdige verzet van klager tegen een beslissing van de voorzitter van de kamer waarbij de klacht werd afgewezen als kennelijk niet ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond is verklaard en zijn klacht tegen geïntimeerde, verder te noemen de oud-notaris, niet-ontvankelijk is verklaard.

1.2. Van de zijde van de oud-notaris is op 13 juli 2006 een verweerschrift met bijlagen ter griffie van het hof ingekomen. Op het verweerschrift is door klager bij brief van 26 juli 2006 gereageerd. Hierop is een reactie van de notaris bij het hof ingekomen op 26 september 2006.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 28 september 2006. Verschenen is klager, hij heeft het woord gevoerd. De oud-notaris is – met bericht van verhindering – niet verschenen.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie als mede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1. In het algemeen staat – op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna) - tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open. Artikel 99 leden 2, 6 en 10 Wna bepaalt echter, verkort weergegeven en voor zover hier van belang, dat de voorzitter van de kamer klachten die naar zijn oordeel kennelijk niet-ontvankelijk, dan wel kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht zijn, kan afwijzen, dat tegen een dergelijke beslissing verzet kan worden gedaan bij de kamer en dat tegen de beslissing van de kamer dat het verzet ongegrond is geen rechtsmiddel openstaat.

3.2. Op grond van het voorgaande is het hoger beroep met betrekking tot het eerste klachtonderdeel – dat betreft het ongegrond bevonden deel van het verzet - niet ontvankelijk.

4. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer daaromtrent heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen deze vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

5. Het standpunt van klager

5.1. Klager verwijt de oud-notaris, voor zover thans nog van belang (klachtonderdeel 2), dat, blijkens de inhoud van de dagvaarding van J.S. de Boer, verder te noemen: De Boer, medewerkers van het kantoor van de oud-notaris als getuigen wilden optreden in de civiele procedure tussen klager en De Boer betreffende de eigendom van een stuk grond die aanhangig was bij de rechtbank Leeuwarden, sector civiel recht onder rolnummer: 51457/ HA ZA 02-0201.

5.2. Ten slotte wordt de oud–notaris – voor het eerst in hoger beroep – verweten dat ook hij in de eerder vermelde procedure als getuige is opgevoerd en dat hij met betrekking tot de levering en de eigendomsoverdracht van de stukken grond een standpunt inneemt dat niet in overeenstemming is met de ware gang van zaken.

6. Het standpunt van de oud-notaris

De oud - notaris betwist de stelling van klager. Hij voert daartoe onder meer aan dat de dagvaarding en de procedure bij de rechtbank Leeuwarden volledig buiten hem om zijn gegaan. Hij is nooit als getuige gevraagd en heeft zich ook niet als zodanig aangemeld. De oud-notaris acht het onbegrijpelijk dat medewerkers van zijn toenmalige kantoor als getuigen gehoord zouden kunnen worden, aangezien er geen stuk grond is afgesplitst in het voordeel van De Boer.

7. De beoordeling voor zover thans aan de orde

7.1. In beginsel kan het hof geen kennis nemen van klachten die voor het eerst in hoger beroep naar voren worden gebracht. Nu klager zijn verwijt inzake het ongevraagd opvoeren van de oud-notaris in de eerder vermelde procedure als getuige en het verwijt dat de oud-notaris met betrekking tot de levering en de eigendomsoverdracht van de stukken grond een standpunt inneemt dat niet in overeenstemming is met de ware gang van zaken, voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan, zal het hof reeds om die reden niet tot behandeling van deze klachten overgaan.

7.2. Met betrekking tot het tweede deel van de klacht is het hof – met de kamer - van oordeel dat de oud-notaris niet meer kan worden aangesproken op feiten die zich na zijn defungeren hebben voorgedaan. Per 1 april 1997 is aan de oud-notaris op zijn verzoek ontslag verleend. De dagvaarding waarop klager zijn klacht heeft gebaseerd is op 12 maart 2002 uitgebracht, ver na de datum van defungeren van de oud-notaris. Gelet op het bepaalde in artikel 98, vierde lid is de oud-notaris niet aan tuchtrechtspraak onderworpen met betrekking tot zijn handelen of nalaten na zijn defungeren. Gelet op het voorgaande is klager terecht niet –ontvankelijk verklaard in dit klachtonderdeel.

7.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

7.4. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

8. De beslissing

Het hof:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep voor wat betreft het ongegrond bevonden deel van het verzet;

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn voor het eerst in hoger beroep ingediende klacht;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, J.W.C. Rang en P.J.N. van Os en in het openbaar uitgesproken op donderdag 9 november 2006 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE LEEUWARDEN

Reg.nr.: KvT 10-2005

UITSPRAAK

van de Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden, hierna te noemen de Kamer, in de zaak van:

[X],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: klager,

tegen

mr. [Y],

oud-notaris te [plaats],

hierna te noemen: de oud-notaris.

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij brief van 7 december 2004, ingekomen bij de Kamer op 9 december 2004, heeft klager een klacht ingediend tegen de oud-notaris. Bij beslissing van 3 maart 2005 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de Kamer de klacht van klager niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beslissing is klager in verzet gekomen. De oud-notaris heeft schriftelijk verweer gevoerd bij brief van 14 oktober 2005. De mondelinge behandeling van het verzet en de klacht heeft plaatsgevonden op 8 november 2005 ter vergadering van de voltallige Kamer. Klager, zijn echtgenote en de oud-notaris zijn daarbij verschenen.

2. ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZET

Uit artikel 99, zesde lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) volgt dat klager binnen veertien dagen na verzending van het afschrift van de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van 3 maart 2005 schriftelijk verzet kon doen bij de Kamer. De beslissing van de plaatsvervangend voorzitter is op 4 maart 2005 naar klager verzonden. Op 16 maart 2005 heeft de Kamer van klager een aangetekende lege envelop ontvangen. Ervan uitgaande dat klager vergeten was het verzetschrift in te voegen, heeft de Kamer hem een extra termijn gegund om alsnog het verzetschrift in te dienen. Bij brief van 30 maart 2005 heeft klager zijn verzetschrift met gronden aan de Kamer doen toekomen. Gelet op het voorgaande is de Kamer van oordeel dat klager kan worden ontvangen in zijn verzet.

3. DE FEITEN

In 1985 is het boerderijtje, plaatselijk bekend als Klokhuisdijk 3 te [plaats], met bijgebouwen, erf cum annexis, bouwland en bos, in twee percelen geveild. Beide percelen zijn op 18 juni 1985 toegewezen aan Anne Dijkstra. Perceel 2 is meteen doorverkocht aan Jannes de Boer, die het in 1996 heeft verkocht aan zijn zoon, klagers buurman De Boer. Op of omstreeks 20 september 1985 heeft klager perceel 1 van Dijkstra gekocht, de akte van levering is verleden voor mr. M. [A] als plaatsvervanger voor de oud-notaris.

De Boer en klager hadden een geschil over de eigendom van een strook grond. Dit stuk grond werd sinds 1985 gebruikt door Jannes de Boer en daarna door De Boer. Medio mei 2001 heeft klager het kadaster de ligging van de kadastrale grens van zijn perceel laten bepalen. Op 12 maart 2002 heeft De Boer klager een dagvaarding doen toekomen. Blijkens het hierop volgende vonnis van de rechtbank Leeuwarden, sector civiel recht, afdeling handelsrecht, van 26 november 2003 behoort de strook grond toe aan klager.

4. DE BEOORDELING VAN HET VERZET

Klager is van mening dat hij zijn klacht tegen de oud-notaris binnen de

termijn van drie jaren, zoals bepaald in artikel 99, twaalfde lid, Wna, heeft ingediend. De plaatsvervangend voorzitter van de Kamer heeft in zijn beslissing van 3 maart 2005 echter overwogen dat de klacht van klager inhoudt dat de oud-notaris in 1985 bij de verkoop van perceel 1 aan klager niet heeft geregeld dat het verkochte correct in het kadaster werd beschreven, alsmede dat hij uit de brieven met bijlagen van klager heeft kunnen afleiden dat klager vijftien jaren na de aankoop van "kavel 1" in 1985 en in ieder geval in het jaar 2001 op de hoogte is geraakt van de omstandigheid dat het aan hem verkochte niet correct was beschreven in het kadaster. Blijkens een toelichting van klager in zijn verzetschrift en ter zitting richt zijn klacht zich echter tegen het gestelde in de dagvaarding van De Boer over enerzijds de betrokkenheid van medewerkers van het notariskantoor van de oud-notaris bij de afpaling van de percelen en anderzijds de bereidheid van medewerkers van het notariskantoor van de oud-notaris om in de civiele procedure tussen klager en De Boer over de eigendom van de strook grond te getuigen.

Met betrekking tot het eerste onderdeel van de klacht (de betrokkenheid bij de afpaling van de percelen) overweegt de Kamer dat klager ter zitting heeft verklaard dat hij begin 2001 van De Boer heeft gehoord dat afpaling van de percelen zou zijn gebeurd door medewerkers van het notariskantoor van de oud-notaris. Klager was op het moment van indienen van de klacht, 9 december 2004, derhalve reeds meer dan drie jaren op de hoogte van het gestelde handelen van de oud-notaris, waarover hij klaagt. In zoverre heeft klager zijn klacht naar het oordeel van de Kamer niet tijdig ingediend en dient het verzet van klager ongegrond te worden verklaard. Ten overvloede voegt de Kamer hieraan toe dat dit onderdeel van de klacht, indien tijdig ingediend, ongegrond zou zijn verklaard. Uit niets is namelijk gebleken dat een deel van het door klager in eigendom verkregen perceel is afgesplitst en gevoegd bij het perceel van De Boer en dat het notariskantoor van de oud-notaris betrokken is geweest bij een afpaling van de percelen.

Met betrekking tot het tweede onderdeel van de klacht (de bereidheid van medewerkers van het notariskantoor van de oud-notaris om te getuigen) overweegt de Kamer dat klager onweersproken heeft gesteld dat die bereidheid hem uit de dagvaarding van 12 maart 2002 is gebleken. In zoverre heeft klager zijn klacht, die is ontvangen op 9 december 2004, naar het oordeel van de Kamer wel tijdig ingediend. De Kamer zal het verzet van klager, voor zover dat zich richt op het tweede onderdeel van de klacht, dan ook gegrond verklaren en klagers klacht in zoverre overeenkomstig het bepaalde in artikel 99, elfde lid, Wna in verdere behandeling nemen.

5. DE KLACHT

Klager verwijt de oud-notaris dat medewerkers van zijn notariskantoor blijkens de dagvaarding van De Boer wilden komen getuigen voor De Boer in de civiele procedure tussen klager en De Boer over de eigendom van de strook grond.

6. HET STANDPUNT VAN DE OUD-NOTARIS

De dagvaarding en de procedure bij de rechtbank van De Boer en klager zijn geheel buiten de oud-notaris omgegaan. De oud-notaris is nooit als getuige gevraagd en heeft zich ook niet als zodanig aangemeld. Het is voor de oud-notaris en de heer Schoemaker onbegrijpelijk dat De Boer bij zijn bewijsaanbod in de dagvaarding stelt dat ook "personen die destijds werkzaam waren op het notariskantoor te [plaats] van notaris [X] als getuigen gehoord kunnen worden". Er is immers geen sprake van dat er grond van het perceel I is afgesplitst ten voordele van De Boer. De oud-notaris noch zijn medewerkers kunnen verantwoordelijk worden gehouden voor fouten in de dagvaarding van De Boer.

7. DE BEOORDELING VAN DE KLACHT

7.1 Op grond van art. 98 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrecht onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen of kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degene te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De Kamer dient te onderzoeken of de handelwijze van de oud-notaris in deze klachtzaak een verwijtbare handeling in de zin van dit artikel oplevert.

7.2 De klacht brengt de Kamer tot het volgende oordeel. Uit artikel 98, vierde lid, van de Wna volgt dat notarissen en kandidaat-notarissen die niet meer als zodanig werkzaam zijn aan de tuchtrechtspraak onderworpen blijven ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de tuchtnorm, zoals beschreven onder 7.1, gedurende de tijd dat zij als notaris of kandidaat-notaris werkzaam waren. De Kamer stelt vast dat de oud-notaris op zijn verzoek per 1 april 1997 ontslag als notaris is verleend. Per die datum is hij derhalve niet meer als notaris werkzaam. Gelet hierop staat het handelen dan wel nalaten van de oud-notaris van na deze datum niet ter beoordeling van de Kamer. De klacht van klager ziet op het handelen dan wel nalaten van de oud-notaris van na 1 april 1997. Gelet op het voorgaande is de Kamer van oordeel dat klager ter zake van deze klacht niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

7.3 Ten slotte stelt de Kamer vast dat klager zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat de oud-notaris na de dagvaarding ten onrechte niet De Boer heeft benaderd om hem uit te leggen hoe het in werkelijkheid zat met de eigendom van de grond en om De Boer te adviseren de civiele procedure te stoppen. Nu klager deze klacht eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, en de oud-notaris derhalve niet in de gelegenheid is geweest hieromtrent verweer te voeren, zal de Kamer deze klacht buiten beschouwing laten. Ten overvloede wordt overwogen dat de Kamer deze klacht, indien ontvankelijk, ongegrond zou verklaren, omdat de Kamer hierin geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen of nalaten van de oud-notaris kan zien.

8. DE BESLISSING

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Leeuwarden:

- verklaart het verzet van klager gedeeltelijk gegrond;

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Deze beslissing is genomen te Leeuwarden door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzitter, mrs. J.E. Huisman en E.M.W. de Lange, leden, mrs. P. Schulting en S. ter Heide, plaatsvervangend leden, bijgestaan door mr. M.J.C. ten Hoopen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2005.

De beslissing is verzonden op

Binnen dertig dagen na de dag van verzending van de aangetekende brief waarin van bovenstaande beslissing wordt kennisgegeven, kan hoger beroep tegen deze beslissing worden ingesteld. Dit dient te geschieden door middel van een verzoekschrift bij de griffie van het Gerechtshof te Amsterdam, Prinsengracht 436, correspondentieadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.