Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ2183

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2006
Datum publicatie
14-11-2006
Zaaknummer
1288/05 GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatieverzoek aan gerechtsdeurwaarders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BIJ VERVROEGING

Beslissing van 19 oktober 2006 in de zaak onder rekestnummer 1288/05 GDW van:

MR. [...],

advocaat te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

1. [...]

2. [...]

gerechtsdeurwaards te [plaats],

GEÏNTIMEERDEN,

gemachtigde: mr. N.P.M. Haas.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 18 augustus 2005 ingekomen een verzoekschrift - met één bijlage - van de zijde van appellant, verder te noemen klager, waarbij hij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 19 juli 2005, verzonden op 22 juli 2005, waarbij de klacht tegen geïntimeerden, verder te noemen de gerechtsdeurwaarders, gedeeltelijk gegrond is verklaard en aan beide gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping is opgelegd. Voor het overige is de klacht ongegrond verklaard.

1.2. Van de zijde van de gerechtsdeurwaarders is op 22 september 2005 een verweerschrift - met bijlagen - ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 28 september 2006. Klager, de gerechtsdeurwaarders, alsmede de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, de gemachtigde aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie, alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

4.1. De klacht van klager jegens de gerechtsdeurwaarders bestaat uit de volgende onderdelen:

A. De gerechtsdeurwaarders hebben niet met de nodige voortvarendheid gehandeld nadat klager het verzoek had gedaan om beslag te leggen op de AOW-uitkering en de bankrekeningen van de debiteur van zijn cliënt.

B. De gerechtsdeurwaarders handelen in strijd met de gemaakte afspraken door te onderzoeken of een beslag op roerende zaken mogelijk is.

C. De gerechtsdeurwaarders reageren niet adequaat op de herhaalde herinneringen van de zijde van klager.

D. De gerechtsdeurwaarders hadden ambtshalve alle gegevens en documenten moeten overleggen, doch zelfs na herhaald aandringen van de kant van klager, doen zij dit niet. Klager betoogt dat dit in strijd is met artikel 7: 403 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

E. De gerechtsdeurwaarders hebben beslagpogingen uitgevoerd die uitdrukkelijk in strijd met de met klager gemaakte afspraken zijn.

F. De gerechtsdeurwaarders hebben hun informatieplicht jegens klager geschonden.

G. De gerechtsdeurwaarders moeten het aan hun opdrachtgever overlaten, in casu klager, wat er dient te gebeuren.

H. De gerechtsdeurwaarders voeren in hun brief van 22 november 2002 een schaamteloos stuk onwaarachtig theater op met een minimaal waarheidsgehalte. Met een grote mond wordt geprobeerd de opdrachtgever te intimideren en af te bluffen.

I. De gerechtsdeurwaarders hebben na hun toezegging van 22 november 2002 geen overzichten van de stand van zaken aan klager gezonden.

J. De gerechtsdeurwaarders hebben het afgedragen geld onrechtmatig lang onder zich gehouden. Elke specificatie van de stand van zaken van de afdrachten ontbreekt.

K. De gerechtsdeurwaarders reppen met geen woord over te vergoeden rente over de veels te lang vastgehouden bedragen.

4.2. In hoger beroep heeft klager zich beklaagd over de gang van zaken in eerste aanleg. Klager stelt dat een van de gerechtsdeurwaarders lid is van de kamer, waardoor geen eerlijke procedure is gevolgd, en dat hij onheus bejegend is door de kamer. Voorts heeft klager ter zitting van het hof aangegeven dat zijn hoger beroep zich beperkt tot die onderdelen van de klacht die door de kamer ongegrond zijn verklaard.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarders

5.1. De gerechtsdeurwaarders komen, in reactie op de klacht, tot de conclusie dat op de brieven van klager niet altijd adequaat is gereageerd en dat er tussen het moment van opdrachtverlening en het moment van daadwerkelijke beslaglegging een periode is gelegen die ook door de gerechtsdeurwaarders als te lang wordt gekwalificeerd. In dit verband wijzen zij er wel op dat het vonnis dat ten grondslag lag aan het te verrichten executoriaal beslag bijna zeven jaar oud was. Dat er vervolgens onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid van beslag op roerende zaken is, volgens de gerechtsdeurwaarders, een vorm van extra service aan klager. Voorts is door een administratief verzuim binnen hun kantoor aan het dossier de verkeerde code van beslag op roerende zaken gegeven. In zijn brief van 22 augustus 2002 aan klager heeft de gerechtsdeurwaarder sub 2 zijn excuses aangeboden voor de hiervoor beschreven gang van zaken. De gerechtsdeurwaarders merken hierbij nog op dat de toonzetting van de brieven van klager wel enige wrevel bij hen opwekte.

5.2. De gerechtsdeurwaarders wijzen erop dat de opdracht van klager uiteindelijk wel is uitgevoerd welke uitvoering heeft geleid tot de gewenste beslaglegging. Op 5 november 2002 is klager hierover bericht. Dat dit niet met de nodige voortvarendheid is gebeurd heeft niet tot enige schade bij de cliënt van klager geleid. Vervolgens heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 bij brief van 22 november 2002 toegezegd dat hij klager eens per kwartaal zou informeren over de stand van zaken indien hij daartoe een schriftelijk verzoek van klager zou ontvangen. Klager heeft dat verzoek nimmer gedaan.

5.3. In hoger beroep nemen de gerechtsdeurwaarders het standpunt in dat het beroepschrift van klager na het verstrijken van de beroepstermijn bij het hof is binnengekomen, aangezien op het stempel van het hof 23 augustus 2005 staat vermeld. Voorts wijzen zij erop dat de procedure bij de kamer is verlopen volgens de daarop van toepassing zijnde normen.

6. De beoordeling

6.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep wijst het hof erop dat uit de handgeschreven aantekening op het stempel blijkt dat het beroepschrift van klager op 18 augustus 2005 is overhandigd aan de dienstdoende functionaris bij de receptie van het paleis van justitie. Het beroepschrift is mitsdien tijdig ingediend.

6.2. Voor zover klager bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg, in het bijzonder het verwijt dat hij onheus is bejegend door de kamer en dat de kamer de procedure niet zou hebben gevolgd, wat daar verder van zij, behoeven deze bezwaren geen nadere bespreking, nu deze gestelde tekortkomingen tengevolge van de behandeling in hoger beroep zijn hersteld.

6.3. Nu klager ter zitting in hoger beroep heeft gesteld dat de klacht zich in wezen beperkt tot die onderdelen van de klacht die door de kamer ongegrond zijn verklaard en ook overigens in hetgeen door de gerechtsdeurwaarders ten aanzien van de gegrond verklaarde klachtonderdelen is aangevoerd voor het hof geen aanleiding is om tot een ander standpunt te komen, verenigt het hof zich met het standpunt van de kamer ten aanzien van de gegrond verklaarde klachtonderdelen.

6.4. Ten aanzien van de klachtonderdelen die de kamer ongegrond heeft verklaard overweegt het hof ten aanzien van klachtonderdeel I dat de toezegging van de gerechtsdeurwaarders in hun brief van 22 november 2002 niet toereikend is. In reactie op een informatieverzoek van klager hebben de gerechtsdeurwaarders immers geantwoord dat klager eens per kwartaal zal worden geïnformeerd indien hij daarom schriftelijk verzoekt. Het hof is echter van oordeel dat het verzoek van 6 november 2002 reeds een (herhaald) informatieverzoek was en dat het te ver voert om van klager te verlangen dat hij elk kwartaal een dergelijk informatieverzoek schriftelijk herhaalt. Het is aan de kantoororganisatie van de gerechtsdeurwaarders om zorg te dragen voor het herhaald verstrekken van informatie aan een cliënt, indien deze dat – zoals in dit geval - in redelijkheid wenst. Het hof acht dit onderdeel van de klacht dan ook gegrond en vernietigt de beslissing van de kamer in zoverre. Voor het overige heeft het onderzoek in hoger beroep ten aanzien van de ongegrond verklaarde onderdelen van de klacht naar het oordeel van het hof niet geleid tot vaststelling van andere feiten dan wel andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich voor het overige verenigt.

6.5. Hetgeen hiervoor in paragraaf 6.3. is overwogen is voor het hof geen aanleiding om een zwaardere maatregel op te leggen. Mitsdien wordt de maatregel van berisping gehandhaafd.

6.6. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.7. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de beslissing van de kamer ten aanzien van klachtonderdeel I en opnieuw rechtdoende:

- verklaart klachtonderdeel I gegrond;

- verwerpt het beroep voor het overige;

- legt aan beide gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, P.J. N. Van Os en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 19 oktober 2006 door de rolraadsheer.

Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beschikking van 19 juli 2005 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet in de zaak met nummer 190.2004 van:

[ ],

advocaat te [ ],

klager,

tegen:

1. [ ],

2. [ ],

gerechtsdeurwaarders te [ ],

beklaagden.

Verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen van 8 juni 2004 heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna de gerechtsdeurwaarders.

Bij brief van 13 september 2004 hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd.

De klacht is behandeld ter zitting van 22 maart 2005, alwaar klager is verschenen en de zaak is aangehouden.

Bij brief van 11 mei 2005 heeft klager zijn pleitnotities overgelegd.

Bij brief van 3 juni 2005 heeft klager een reactie gegeven op de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 22 maart 2005.

De behandeling van de klacht is voortgezet op 21 juni 2005, alwaar klager en de gerechtsdeurwaarders zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op19 juli 2005

Gronden van de beslissing

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

a) Bij brief van 4 juni 2002 heeft klager de gerechtsdeurwaarders opdracht gegeven ten verzoeke van zijn cliënt en uit hoofde van een vonnis beslag te leggen op de AOW-uitkering en twee bankrekeningen van een debiteur van zijn cliënt.

b) De gerechtsdeurwaarders hebben de opdracht bevestigd bij brief van 10 juni 2002 en medegedeeld dat indien zich bijzonderheden zouden voordoen zij klager daarvan direct in kennis zouden stellen en dat klager van het verloop van de zaak op de hoogte zou worden gehouden.

c) Bij brief van 9 juli 2002 heeft klager de gerechtsdeurwaarders gevraagd hem de stand van zaken mede te delen. Bij brief van 11 juli 2002 hebben de gerechtsdeurwaarders geantwoord in afwachting te zijn van de inmiddels opgevraagde informatie bij de uitkeringsinstanties.

d) Bij brieven van 12 juli en 5 augustus 2002 heeft klager de gerechtsdeurwaarders onder meer gevraagd of de beslagen inmiddels gelegd waren en medegedeeld uitdrukkelijk geen opdracht te geven voor beslag roerende zaken.

e) Bij fax van 8 augustus 2002 hebben de gerechtsdeurwaarders medegedeeld dat de beslagen onder de Postbank en Fortisbank op 9 augustus 2002 gelegd zouden worden en het beslag onder de Sociale Verzekeringsbank op 14 augustus 2002. Tevens is klager medegedeeld dat bij het overbetekenen van de beslagen de mogelijkheden van beslag op roerende zaken bekeken zouden worden.

f) Bij brief van 9 augustus 2002 heeft klager de gerechtsdeurwaarders onder meer gevraagd waarom er niet meteen conform afspraken met de heer [ ] gehandeld was en waarom over een beslag op roerende zaken werd gesproken.

g) Bij brief van 30 augustus 2002 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1aan klager onder meer het volgende geschreven:“Bij bestudering van het dossier blijkt mij, dat in deze niet adequaat is gereageerd op Uw opdracht en latere brieven, waarvoor mijn verontschuldigingen. In plaats van meteen de concepten voor beslag onder derden gereed te maken, heeft het dossier de beslagcode roerende zaken gekregen. Zoals mijn kandidaat U inmiddels heeft laten kan ik U niet eerder dan medio september a.s. berichten of de gelegde beslagen doel hebben getroffen. (.....) Op 19 augustus jl. was mijn kandidaat ter plaatse (Camping [ ] te [ ]) om de verhaalsmogelijkheden te onderzoeken en om eventueel beslag roerende zaken te leggen. Alles bleek op naam te staan van de vriend. Mijn kandidaat heeft de notariële aktes gezien, alsmede de aankoopnota van de Volvo. Zodra daar aanleiding toe is zal ik u berichten.”

h) Bij brief van 2 oktober 2002 heeft klager de gerechtsdeurwaarders verzocht om kopieën van de p.v’s van de beslagen.

i) Bij brief van 5 november 2002 hebben de gerechtsdeurwaarders klager medegedeeld dat het beslag onder de Fortisbank een bedrag had opgeleverd van € 734,81 en dat via het beslag onder de SVB inmiddels 2 maal € 53,06 was ontvangen.

j) Bij brief van 6 november 2002 heeft klager de gerechtsdeurwaarders om kopieën van de p.v.’s van de beslagen verzocht.

k) Bij brief van 22 november 2002 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 klager kopieën doen toekomen van de p.v.’s van de beslagen en klager onder meer medegedeeld:"De reden dat zolang gewacht is gewacht met de schriftelijke beantwoording van Uw brief, is gelegen in het feit, dat ik talloze keren heb geprobeerd Uw kantoor telefonisch te bereiken. Ik wilde U bellen, omdat Uw brieven onnodig grievend en Uw eis omtrent toezending van stukken ongebruikelijk vind. Ik kan U verzekeren, dat Uw vragen ook wel beantwoord worden, wanneer U deze op een normale wijze stelt. Uit Uw brief van 6 november j.l. leid ik af, dat U weinig vertrouwen heeft in mijn kantoor. Om die reden ga ik er vanuit, dat U mijn kantoor in de toekomst niet meer zult belasten met nieuwe opdrachten. Er is genoeg keus in het Twentse. Deze zaak moet ik helaas onder mij houden. Omdat ik als eerst-beslagleggende deurwaarder belast ben met de verdeling van de ingehouden gelden. Ik zeg U toe, dat ik U eens per kwartaal zal informeren naar de stand van zaken, nadat ik daartoe een schriftelijk verzoek heb ontvangen. U zult hopelijk begrijpen, dat ik niet elke inhouding aan U kan melden."

l) Bij brief van 2 juni 2004 hebben de gerechtsdeurwaarder klager laten weten tussentijds € 1.800 naar hem over te maken.

2. De klacht

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarders:

a) de zaken niet met de nodige voortvarendheid ter hand te hebben genomen; een beslag op bankrekeningen kan en behoort zijns inziens vooral snel te worden gelegd;

b) niet alleen te hebben gehandeld in strijd met de gemaakte afspraken maar zaken ook "a-concreet" af te handelen, zulks in strijd met de eisen van professionaliteit, hetgeen weer nodeloze actie aan de zijde van klager heeft opgeroepen;

c) niet adequaat te hebben gereageerd op herinneringen van klager,

d) zelfs na herhaald aandringen de kopieën van de p.v.’s van de beslagen niet aan hem te hebben doen toekomen terwijl zij dat op grond van het bepaalde in artikel 7:402-I BW reeds "ambtshalve" zouden moeten doen;

e) dat zij beslagpogingen hebben gedaan in strijd met de afspraken;

f) dat zij volharden in het schenden van hun informatieplicht;

g) dat zij bepalen wat er gebeurt terwijl op grond van het gezegde "wie betaalt, bepaalt" het de opdrachtgever is die bepaalt wat er moet gebeuren;

h) dat in de brief van 22 november 2002 "een schaamteloos stuk onwaarachtig theater" wordt opgevoerd met een minimaal waarheidsgehalte in die zin dat wordt geprobeerd de opdrachtgever af te bluffen met intimiderende taal en dat volstrekt ongespecificeerd klachten over klager worden neergelegd met een "oprotadvies" voor de toekomst;

i) dat zij na hun toezegging van 22 november 2002 geen overzichten van de stand van zaken aan klager hebben gezonden;

j) dat zij de ontvangen gelden derhalve te lang onder zich hebben gehouden en geen financiële specificatie van de ontvangen bedragen hebben gegeven;

k) dat zij geen rente vergoeden over de veel te lang vastgehouden bedragen.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarders hebben de klachten ter zitting gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig wordt hierna op dit verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Klager heeft in zijn brief van 11 mei 2005 aangegeven het niet eens te zijn met de beslissing van de Kamer om de gerechtsdeurwaarders nogmaals in de gelegenheid te stellen ter zitting te verschijnen. Dit bezwaar behoeft geen bespreking omdat een dergelijke beslissing de Kamer toekomt en geen nadere motivatie behoeft.

4.2 Klager heeft in zijn brief van 3 juni 2005 samengevat aangegeven de klacht te hebben gericht tegen zowel gerechtsdeurwaarder [ ] als tegen gerechtsdeurwaarder [ ] en dat de inhoud van het proces-verbaal hiermee niet in overeenstemming is. Dit bezwaar behoeft geen nadere bespreking omdat de gestelde tekortkoming door de Kamer is hersteld.

4.3 De onderdelen van de klacht als hiervoor vermeld onder 2.1 worden hierna afzonderlijkbehandeld.

ad a

De Kamer constateert dat de beslagen eerst op 9 en 14 augustus 2002 zijn gelegd. Aangezien de opdracht is gegeven op 4 juni 2002 kan, gezien de aard daarvan, niet worden gezegd dat de beslagen met de nodige voortvarendheid zijn gelegd. De gerechtsdeurwaarders hebben ook erkend niet adequaat te hebben gereageerd op de gegeven opdracht. Dat de vertraging is veroorzaakt door een vakantieperiode en het geven van een verkeerde code aan de zaak, doet hieraan niet af. De klacht is terecht voorgesteld.

ad b, c en f

Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling omdat zij erop neerkomen dat de gerechtsdeurwaarders ten aanzien van de werkzaamheden die zij hebben verricht, naar klager stelt, herhaaldelijk de informatieplicht hebben geschonden.

Naar de opvatting van klager worden brieven vaak te laat en onvolledig beantwoord en moeten de gerechtsdeurwaarders te vaak door klager worden benaderd terwijl het juist andersom zou moeten zijn.

De Kamer heeft geconstateerd dat de gerechtsdeurwaarders klager een aantal malen heeft geïnformeerd, doch dat sommige brieven pas na lange tijd onvolledig of helemaal niet zijn beantwoord. Van een gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat deze, overeenkomstig het verzoek van klager, cliënten op de hoogte houdt van de werkzaamheden, zeker wanneer zoals hier een advocaat opdrachtgever is, die op zijn beurt zijn cliënt over de opdracht dient te informeren. De gerechtsdeurwaarders hebben dit nagelaten, althans zij hebben onvoldoende adequaat gereageerd op door klager verzonden brieven in de periode tussen 4 juni en 30 augustus 2002. Gerechtsdeurwaarder sub 2 heeft in zijn brief van 30 augustus 2002 ook erkend niet adequaat te hebben gereageerd op de door klager verzonden brieven. Deze onderdelen van de klacht zijn eveneens gegrond.

ad d

De gerechtsdeurwaarders hebben aangegeven dat het niet gebruikelijk is beslagstukken toe te zenden. Dit komt de Kamer niet onbegrijpelijk voor. Er bestaat geen wettelijke verplichting om dergelijke stukken aan de opdrachtgever toe te zenden. Dit laat overigens onverlet dat, indien hierom wordt verzocht, op één of andere wijze op dat verzoek moet worden gereageerd. De gerechtsdeurwaarders kan worden verweten dat zij dit laatste eerst hebben gedaan bij brief van 22 november 2002. Nu zij bij die brief de verzochte stukken alsnog hebben overgelegd, is de Kamer van oordeel dat niet dermate laakbaar is gehandeld dat sprake is van strijd met een tuchtrechtelijke norm.

ad e

Dit onderdeel van de klacht is gegrond nu klager herhaaldelijk en uitdrukkelijk gemotiveerd heeft aangegeven geen beslag op roerende zaken te wensen. Niet goed valt in te zien op grond waarvan de gerechtsdeurwaarders meenden te moeten doorgaan met onderzoek naar de mogelijkheden van een dergelijk beslag hetgeen klager weer noopte tot onnodige actie op dit punt.

ad g

De Kamer is van oordeel dat de door klager in dit klachtonderdeel bedoelde brief noch naar de inhoud, noch naar de tekst tuchtrechtelijk laakbaar is.

ad h

Klager kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat "wie betaalt, bepaalt". Een dergelijke opvatting gaat geheel voorbij aan het feit dat de gerechtsdeurwaarder zelfs in het licht van zijn ministerieplicht en een expliciete opdracht van de opdrachtgever een eigen verantwoordelijk-heid draagt waarbij hij met de belangen van zowel een schuldenaar als derden rekening moet houden.

ad i.

In zijn brief van 22 november 2002 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 meegedeeld dat hij klager per kwartaal zou informeren indien klager daarom schriftelijk zou verzoeken. Op deze brief heeft klager niet meer gereageerd. De klacht treft reeds daarom geen doel.

ad j

Ten aanzien van deze klachten geldt dat de gerechtsdeurwaarder ingevolge artikel 7 van de administratieverordening de door hem ontvangen gelden (en rente) zo snel mogelijk aan de rechthebbende dient uit te keren hetgeen in zijn algemeenheid een betaling binnen 1 a 2 weken na ontvangst met zich zal brengen behoudens andersluidende afspraken die schriftelijk dienen te worden overeengekomen. Gesteld noch gebleken is dat aan dit vereiste is voldaan, zodat de klacht op dit punt terecht is voorgesteld.

ad k.

Ten aanzien van deze klacht hebben de gerechtsdeurwaarders ter zitting verklaard dat de rente bij de eindafrekening zal worden vergoed over het bedrag dat onder het kantoor heeft berust. De klacht dat geen rente wordt vergoed, is derhalve ongegrond.

5. De klachten dienen dus deels gegrond en deels ongegrond te worden verklaard. In de gegeven omstandigheden ziet de Kamer aanleiding tot het opleggen van na te melden maatregel over te gaan zodat wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

? verklaart de klachten onder 2.a, b, c, e, f en j gegrond;

? legt aan beide gerechtsdeurwaarders de maatregel van berisping op;

? verklaart de overige klachten ongegrond.

Aldus gegeven door mr. S.G. Ellerbroek, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en J.P.J.J. Timmermans, (plaatsvervangend) leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juli 2005 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Coll.:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.