Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ1985

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2006
Datum publicatie
14-11-2006
Zaaknummer
1131/2006 OK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het besluit tot beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming van Philips Lighting B.V. te Weert is niet kennelijk onredelijk. Ook al zijn aanmerkingen te maken over de wijze waarop de ondernemer is omgegaan met zijn mededelingsplicht als bedoeld in artikel 24 lid 1 WOR, niet kan worden gezegd dat het advies niet op een zodanig tijdstip is gevraagd dat het nog van wezenlijke invloed kan zijn. Van zodanige invloed is ook daadwerkelijk sprake geweest. De gegeven toelichting kan voorts het besluit dragen. Voorzover al op inhoudelijk vlak bezwaren tegen het besluit zijn aangevoerd, hebben deze betrekking op de gevolgen van het besluit. Op dat punt is de ondernemer de ondernemingsraad tegemoet gekomen.

(WOR art. 24 lid 1, 26 lid 4)

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2007, 6
ARO 2006, 168
ROR 2006, 32
JRV 2006, 700
JAR 2006/303 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
JOR 2006/265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING van 6 oktober 2006 in de zaak met rekestnummer 1131/2006 OK van

DE ONDERNEMINGSRAAD VAN PHILIPS LIGHTING B.V. WEERT,

gevestigd te Weert,

VERZOEKER,

advocaat en procureur: MR. P.L.J. BOSCH,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHILIPS LIGHTING B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

VERWEERSTER,

advocaat: MR. R.A.A. DUK,

procureur: MR. B.J.H. CRANS.

1. Het verloop van het geding

1.1 Verzoeker (hierna de ondernemingsraad te noemen) heeft bij op 19 juli 2006 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven - bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,

1) te verklaren dat verweerster bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit van 3 juli 2006 tot beëindiging van de werkzaamheden van Philips Lighting Weert (hierna PLW te noemen) heeft kunnen komen;

2) verweerster de verplichting op te leggen dat besluit geheel in te trekken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken;

3) verweerster te verbieden uitvoering te geven aan evenbedoeld besluit.

1.2 Verweerster (hierna PL te noemen) heeft bij op 31 augustus 2006 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met één productie de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van de ondernemingsraad af te wijzen.

1.3 De ondernemingsraad heeft in een ter griffie van de Ondernemingskamer op 11 september 2006 ingekomen nader verzoekschrift het verzoek uitgebreid aldus dat het in het hiervoor in 1.1 onder 3) weergegeven onderdeel van het verzoek verzochte verbod tevens bij wijze van voorlopige voorziening zal worden opgelegd.

1.4 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 14 september 2006, alwaar de advocaten de standpunten van partijen nader hebben toegelicht, beiden aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities.

2. De vaststaande feiten

2.1 PLW is een onderdeel van PL, welke laatste een divisie uitmaakt van Koninklijke Philips Electronics N.V. PLW maakt gloeilampen (GLS) en zogenaamde HID lampen voor onder meer straatverlichting. Bij PLW zijn momenteel ruim 240 medewerkers werkzaam.

2.2 Eind 2003 is bij PLW - na een positief advies terzake van de ondernemingsraad - een organisatiewijziging doorgevoerd, onder meer daaruit bestaande dat een nieuwe teamstructuur werd ingevoerd. Voorts werd afgesproken dat het toen geldende Strategisch Plan 2004-2007 jaarlijks zou worden geactualiseerd (aldus dat in 2004 een Strategisch Plan 2005-2008 zou worden opgesteld, in 2005 een zodanig plan 2006-2009, enzovoort) en dat PLW zich zou gaan richten op het binnenhalen van nieuwe activiteiten (zowel nieuwe GLS activiteiten als nieuwe business buiten GLS om). In de daaraan voorafgegane adviesaanvraag was de organisatiewijziging als volgt gemotiveerd:

De snel veranderende interne (..) en externe (..) concurrentie en eisen van alle belanghebbenden - in het bijzonder onze klanten (…) - vereisen een meer gefocuste en business-gedreven organisatie die in staat is om het in het kader van het strategisch plan 2004-2007 geselecteerde Weert Profileert business-scenario te realiseren. Wij dienen beter dan nu in staat te zijn om de toegevoegde waarde van onze producten te vermarkten opdat wij ons bestaansrecht zeker stellen. (…).

Met het oog op de huidige financiële verliezen hebben we weinig tijd!

(…)

2.3 Op initiatief van de ondernemingsraad is nadien een zogenaamd Spoorboekje ontwikkeld, met als motto "Het verkleinen van Personele Gevolgen bij aankomende reorganisaties op zakelijk en sociaal verantwoorde wijze" (de Ondernemingskamer begrijpt dat ook dat boekje jaarlijks wordt geactualiseerd). Het spoorboekje gaat uit van twee sporen: spoor 1 is gericht op het verwerven van nieuwe business (conform het lopende Strategisch Plan) en spoor 2 is, met het oog op de te verwachten negatieve ontwikkeling van de werkgelegenheid bij PLW, gericht op het zoveel mogelijk voorkomen van gedwongen ontslagen door vrijwillig vertrek van medewerkers en begeleiding en ondersteuning van individuele medewerkers "van werk naar werk".

2.4 In een zogenaamde Townmeeting (bijeenkomsten waarin de werknemers van PLW worden geïnformeerd over de realisatie van het lopende Strategisch Plan, de ontwikkelingen in het personeelsbestand en de resultaten van het Spoorboekje) van 6 juni 2005 is - onder meer - meegedeeld dat in 2006 substantiële business aan (Aziatische) concurrentie verloren zal gaan en dat de organisatie in overeenstemming moet worden gebracht met de dalende order-intake en het dalende volume als opgenomen in het Annual Operating Plan (AOP) 2006. Gemeld werd voorts dat de conclusie moest worden getrokken dat het niet gelukt was nieuwe business binnen te halen en dat er evenmin een scenario was voor het verwerven van nieuwe business in de toekomst. Opgemerkt werd dat besloten was door te gaan met de verdere implementatie van het Strategisch Plan "zoals bekend vanaf september 2003". Aangekondigd werd dat uiterlijk in september (de Ondernemingskamer begrijpt: september 2005) met een plan gekomen zou worden voor verdere aanpassing van de organisatie aan de nieuwe businessomstandigheden.

2.5 Bij brief van 22 augustus 2005 heeft de ondernemingsraad de toenmalige bestuurder van PLW (K. Penev) in verband met de in september 2005 te verwachten adviesaanvraag onder meer als volgt geschreven:

Zoals bekend hanteert Philips Lighting een vaste systematiek bij het formuleren van toekomstplannen, het zogenaamde Strategic Review traject. Onderdeel van dit planningsproces zijn ondermeer studies en analyses op het gebied van de diverse portfolio's (productpakketten) zodat daar gericht plannen op kunnen worden ontwikkeld op het niveau van de Lighting divisie. (…) Met de aankondiging van het verstrekken van een adviesaanvrage aan de OR op 19 september willen we dan ook kunnen beschikken over de bovengenoemde plannen en analyses en de documenten mbt het overleg daarover tussen de diverse bij de besluitvorming betrokken managementlagen. (Een bekend voorbeeld is het GIBL (Global Industrial Board of Lighting) overleg zoals dat bij Philips Vitrite nog onlangs aan de orde is gesteld). (…) Los van de gevraagde documentatie zouden we uitdrukkelijk willen verzoeken - in de adviesaanvrage - op (..) langere termijn perspectieven in te gaan (..).

Verder willen wij graag met u de afspraak maken, mede in het kader van een gefaseerde afbouw, dat geen nieuwe voornemens tot afbouw van werkgelegenheid aan de orde zijn voor 1 januari 2008. (..)

2.6 Bij brief van 23 september 2005 heeft Penev op de in 2.5 aangeduide brief geantwoord. Hij schrijft in die brief onder meer:

Strategische plannen worden inderdaad op verschillende niveaus van de Licht divisie gemaakt/ontwikkeld. De inhoud/context en het abstractie niveau van deze plannen hangt af van de omgeving en de primaire focus waarin een bepaalde organisatie opereert. (…)

De Philips Plant Weert maakt deel uit van dit algemeen proces en bevindt zich al lang in een heel complexe en moeilijke situatie die mede veroorzaakt is door de verouderde technologie (GLS), toenemend concurrentie, kostprijs druk in de focus markten en geografische locatie (hoge loon land). In deze context heb ik duidelijk gecommuniceerd dat onze toekomst nu sterk afhankelijk is van het interne vermogen van de organisatie om snel(ler) te veranderen (..). (...) Vandaar blijf ik nadrukkelijk communiceren dat er geen garanties voor de toekomst mogelijk zijn en dus ook niet mbt "geen nieuwe voornemens tot afbouw van werkgelegenheid tot 01/01/2008"! Het beste voor onze organisatie is om te beginnen te leven en te werken met het voornemen dat elk (AOP) plan geen vaststaand feit is en dat deze elke drie maanden aangepast dient te worden aan de externe business dynamiek (..). (…)

De in jullie brief genoemde GIBL documenten zijn mij niet bekend en niet relevant voor het verder implementeren van Spoorboekje/ Strategisch plan Weert. Met andere woorden: het Strategisch plan Weert is leidend en ik heb op dit moment geen andere relevante informatie die haar realisatie kan belemmeren. (..)

Het brede perspectieven onderzoek in het kader van het integraal business plan is in alle fasen met jullie uitgebreid besproken en de resultaten zijn tijdens de townmeeting expliciet teruggekoppeld aan de gehele organisatie. Conform de laatste townmeeting (..) ligt de focus nu en in de komende 6 maanden tot begin Q2/2006 (..) op de volgende voornaamste prioriteiten:

1. Spoorboekje – verder implementeren en ondersteunen;

2. Realisatie van AOP 2005 en borgen condities tbv realisatie AOP 2006;

3. Voorbereiding adviesaanvraag in context van business activiteiten AOP 2006 en Strategisch plan toekomst.

Uiteraard blijven wij alert in het kader van het Strategisch plan tav alle mogelijke kansen en opportunities voor de toekomst van Philips Weert, met de wetenschap dat de mogelijkheden steeds beperkter worden. Ook hier zijn alle reële voorstellen van OR welkom (..). (…) Concreet wacht ik op jullie voorstel tav "perspectieven onderzoek (..).

Daarnaast zullen wij op verzoek van de OR en in samenwerking met de SG GLS tijd gaan besteden aan het onderwerp: "levensvatbaarheid Philips Weert". Zoals gecommuniceerd tijdens het laatste OV is de eerste indicatie dat we in Q1/2006 mogelijk hierop een antwoord kunnen hebben.

(..)

2.7 In september 2005 is de ondernemingsraad meegedeeld dat de aangekondigde adviesaanvraag (niet die maand maar) in het eerste kwartaal van 2006 zou worden ingediend.

2.8 Bij brief van 12 december 2005 heeft Penev de ondernemingsraad advies gevraagd in het kader van de voorgenomen benoeming van zijn opvolger R. de Jong. Die benoeming heeft vervolgens plaatsgevonden (de Ondernemingskamer begrijpt uit de hiervoor genoemde brief: per 1 januari 2006).

2.9 In de overlegvergadering van 18 januari 2006 zijn de resultaten over 2005 en het Strategisch Plan 2006-2009 aan de ondernemingsraad gepresenteerd.

2.10 Op 5 april 2006 heeft de bestuurder (inmiddels de in 2.8 genoemde De Jong) de ondernemingsraad advies gevraagd over het voornemen de activiteiten van PLW per eind eerste kwartaal 2007 te beëindigen. Dit voornemen wordt in een nota toegelicht. Aan het slot van die nota wordt de ondernemingsraad verzocht uiterlijk 31 mei 2006 te adviseren. In een de nota begeleidende brief schrijft de Jong onder meer:

Zoals u bekend baart de verliesgevende situatie van Philips Lighting in Weert het management, al lange tijd en in toenemende mate, grote zorgen. Wij hebben over deze situatie, de achterliggende oorzaken en het onderzoek naar mogelijkheden om het tij voor Philips Weert te keren, voortdurend overleg met u gevoerd. Het zal u daarom niet verrassen dat het management van Philips Lighting uiteindelijk tot de conclusie is gekomen dat het (dreigend) verlies aan marktaandeel in de voor Philips Weert relevante sectoren en de oplopende verliezen van Philips Weert slechts kunnen worden gestopt door herallocatie van een groot deel van de portfolio van Philips Weert naar de lage-lonen landen. Aangezien de onderzoeken naar voor Philips Weert haalbare, alternatieve productie-activiteiten niet hebben geresulteerd in een realistische oplossing, ziet het management van Philips Lighting daarom geen andere mogelijkheid meer dan over te gaan tot een beheerste, op herallocatie van de portfolio afgestemde, sluiting van de plant Weert.

In de bewuste nota valt onder meer te lezen

- dat en waarom in de voorafgaande jaren steeds meer volume bij PLW is verdwenen, dat de organisatie op dit lagere volume is aangepast, maar daarmee niet heeft kunnen voorkomen dat zij steeds duurder is geworden ten opzichte van haar concurrenten;

- dat de financiële resultaten van PLW (zowel GLS als HID) de afgelopen vijf jaar zwaar negatief geweest zijn (waarbij wordt verwezen naar een bijlage waarin een en ander cijfermatig wordt toegelicht) en dat voor 2006 en de jaren daarna een verslechtering wordt verwacht als gevolg van verder dalende volumes en de onmogelijkheid om de vaste kostenstructuur van PLW hierop één op één aan te passen;

- dat het management van PLW de afgelopen jaren (onder andere) samen met de ondernemingsraad diverse alternatieven heeft onderzocht om het voortdurende proces van inkrimpen en de personele gevolgen daarvan zo goed mogelijk op te vangen, in welk verband worden genoemd (i) onderzoek van nieuwe business en nieuwe technologieën, (ii) verkoop aan externe partners, (iii) samengaan met andere Philips organisaties in de regio, (iv) oprichten van een businesspark samen met derden en (v) maximaal benutten van de huidige productplatforms en de portfolio; uiteengezet wordt dat en waarom de conclusie getrokken is moeten worden dat ook op langere termijn met de bestaande productfolio en industriële platforms van PL geen levensvatbare business activiteit in Weert gehandhaafd dan wel verkregen kan worden;

- dat vanaf 2002 aanzienlijk is geïnvesteerd om de employability van de PLW-medewerkers te vergroten;

- dat het voornemen is de beëindiging van de activiteiten van PLW in drie stappen te laten plaatsvinden (in tijd: per 1 oktober 2006 voor de HP-ML productie, per 1 december 2006 voor de GLS productie en per 1 april 2007 voor de PAR productie) en dat zulks betekent dat zich drie momenten van boventalligheid zullen voordoen;

- dat de totale personeelsreductie 262 medewerkers (247,4 fte) zal bedragen (de Ondernemingskamer begrijpt, als het onderzoek naar een alternatieve vestiging van de productie van QL-lampen positief uitpakt: minus de 12 bij die productie betrokken medewerkers).

2.11 De adviesaanvraag is besproken in de overlegvergadering van 16 april 2006.

2.12 De ondernemingsraad heeft bij brief van 21 april 2006 een negatief advies uitgebracht. Hij stelde dat de adviesaanvraag "als een bom (is) ingeslagen". De ondernemingsraad liet weten een adviesaanvraag voor een gedeeltelijke beëindiging van de activiteiten van PLW verwacht te hebben en zette uiteen op basis waarvan die verwachting bij hem leefdee. Onder meer wordt in dat verband verwezen naar de presentatie en de laatste update van het nieuwe Strategisch Plan (SP 2006-2009) op 18 januari 2006, waarin nog steeds van een fasering tot 2009 sprake is. De ondernemingsraad schreef tijdens het adviestraject, hiervoor genoemd in 2.2, een "samenwerkingsdeal" met de bestuurder te zijn overeengekomen (later in het advies ook "pact" genoemd) en stelde dat de adviesaanvraag zich hiermee niet verdraagt. In de brief wees de ondernemingsraad er verder op voorafgaand aan de adviesaanvraag meer keren om (andere) relevante informatie aangaande de toekomst van PLW gevraagd te hebben (waarbij onder meer naar de hiervoor in 2.5 genoemde brief wordt verwezen), maar die niet verkregen te hebben. De ondernemingsraad stelde inmiddels de beschikking te hebben over stukken waaruit volgens hem blijkt dat al in september 2005 voor de sluitingsvariant was gekozen. Volgens de ondernemingsraad is in het voorgenomen besluit geen sprake van een beheerste en integere aanpak jegens de medewerkers van PLW. Het advies van de ondernemingsraad is dat (i) het oorspronkelijk strategisch plan 2006 - 2009, met het daarbij behorende tempo van afbouw (te weten: einde van de afbouw in 2009), wordt uitgevoerd, (ii) wordt gezorgd voor een goed mobiliteitsplan (flankerend sociaal beleid) en (iii) in het met de vakbonden te sluiten sociaal plan extra aandacht wordt besteed aan de categorie "moeilijk plaatsbaren". Ten slotte adviseerde de ondernemingsraad "helderheid te creëren in het goed toepassen van de WOR binnen de Philips context".

2.13 Met een nota van 16 mei 2006 is de bestuurder op het advies van de ondernemingsraad ingegaan. In de nota staat - zakelijk weergegeven - onder meer:

- dat sinds eind 2003 is gezocht naar alternatieve activiteiten voor PLW, maar dat medio 2005 duidelijk werd dat die niet konden worden gevonden;

- dat daarop intensief naar andere alternatieven is gezocht en in maart 2006 - en niet al in september 2005 - duidelijk werd dat die alternatieven er niet waren, waarop het voorgenomen besluit is geformuleerd;

- dat PLW bij de ondernemingsraad niet de (gerechtvaardigde) verwachting heeft gewekt dat bij het ontbreken van alternatieven sluiting van PLW niet (reeds nu) aan de orde zou kunnen zijn;

- dat het door de ondernemingsraad bedoelde stuk van 8 september 2005 ("Weert (GLS/HID): update and follow up, September, 2005") geen "besluitdocument" is, maar een intern discussiestuk, bedoeld om behulpzaam te zijn bij het bepalen van een keuze inzake het inrichten van het reorganisatieproces;

- dat, toen in juni 2005 duidelijk werd dat het onderzoek naar alternatieven niet resulteerde in levensvatbare businessactiviteiten voor PLW en naarmate de naar aanleiding daarvan in gang gezette levensvatbaarheidstudie vorderde, het sluitingsscenario in beeld is gekomen en dat dit toen ook aan de ondernemingsraad is meegedeeld, in welk verband de nota vermeldt dat in december 2005 met de leden van de ondernemingsraad zogenaamde Key Position Holder gesprekken zijn gevoerd waarin een inkomensgarantie tot eind 2007 is gegeven (mogelijk inclusief opzegtermijn), dat op 21 februari 2006 aan een delegatie van (onder anderen leden van de ondernemingsraad en de vakbonden is gezegd dat een beëindiging van de activiteiten van PLW in 2007 waarschijnlijk is en dat de ondernemingsraad op 3 maart 2006 is meegedeeld dat op dat moment het sluitingsscenario de meest waarschijnlijke uitkomst vormde van het lopende besluitvormingsproces inzake de toekomst van PLW;

- dat waar de ondernemingsraad het heeft over een met de bestuurder gesloten "pact" het in feite gaat om de constructieve wijze waarop de ondernemingsraad en de bestuurder tijdens en na het adviestraject ter zake van de organisatiewijziging eind 2003 met elkaar hebben samengewerkt;

- dat ook in de tweede helft van 2005 geen "new business" noch "building blocks" zijn gevonden en zulks evenmin begin 2006;

- dat eind 2005, begin 2006 de laatste alternatieven zijn onderzocht, in welk verband de nota onder meer vermeldt (i) dat de ondernemingsraad op 9 november 2005 is gemeld dat in oktober 2005 een feasibility studie is gestart (de Ondernemingskamer neemt aan dat daarmee wordt gedoeld op de hiervoor reeds genoemde levensvatbaarheidstudie) met als doel in het eerste kwartaal van 2006 duidelijkheid te creëren over de toekomst van PLW en dat in die periode ook in samenwerking met de ondernemingsraad een alternatievenonderzoek heeft plaatsgevonden, (ii) dat in de overlegvergadering van 7 december 2005 is gemeld dat van de alternatieven nog slechts een management buy out is overgebleven en (iii) dat de kandidaat voor die buy out zich op 29 maart 2006 heeft teruggetrokken vanwege de financiële onhaalbaarheid van de plannen, waarna het voorgenomen besluit is geformuleerd en aan de ondernemingsraad is voorgelegd.

De nota sluit met de volgende conclusie af:

Met een en ander is aangegeven waarom het advies van de OR de ondernemer geen aanleiding geeft op het voorgenomen besluit terug te komen. Zoals reeds in de inleidende opmerkingen van deze Reactie naar voren is gebracht, berust het uitgebrachte advies op twee misvattingen. De eerste misvatting is dat het voorgenomen besluit in strijd zou zijn met een tussen ondernemer en OR gesloten “pact”. De tweede onjuiste veronderstelling is dat de OR begin april met een voldongen feit zou zijn geconfronteerd en dat zijn advies niet meer van wezenlijke invloed zou kunnen zijn. Er is geen reeds voorgenomen besluit van september 2005, maar slechts een op 5 april ter advisering voorgelegd voorgenomen besluit van 31 maart 2006.

(..) Omdat het advies van de OR punten aan de orde stelt die in de adviesaanvraag niet aan de orde zijn geweest, stel ik het op prijs daarop met het bovenstaande afzonderlijk te reageren en de OR de gelegenheid te geven zijn visie op die inhoudelijke bespreking van zijn advies te geven. (..)

2.14 De ondernemingsraad heeft bij brief van 7 juni 2006 op de in 2.13 bedoelde nota gereageerd. Daarin wijst de ondernemingsraad op artikel 24 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR), aan welke bepaling de bestuurder naar zijn inzicht niet heeft voldaan. In dat verband stelde de ondernemingsraad wel geïnformeerd te zijn over het voornemen om, in plaats van meer adviesaanvragen in de tijd (gekoppeld aan een gefaseerde afbouw van PLW), met één adviesaanvraag te komen voor de jaren 2006 en 2007, maar niet over een definitieve sluiting op korte termijn. De ondernemingsraad achtte zich buiten de discussie gehouden over dat voornemen en handhaafde zijn visie dat in september 2005 "er wel degelijk besluiten in voorbereiding (waren), nog sterker, men had al een duidelijke keus gemaakt". Behalve naar het document van 8 september 2005 verwees de ondernemingsraad daartoe naar een tweetal andere documenten, die als bijlagen bij de brief zijn bijgesloten ("BU Lamps Europe/Consumer, HR-processes, Hr-Department Weert, 22 august 2005" en "Project status PAR 38, Prologic, Version Draft, September, 2005"). Voorts wees de ondernemingsraad er nogmaals op dat hij destijds uitdrukkelijk om relevante nadere informatie met betrekking tot de toekomst van PLW heeft gevraagd. De in de nota genoemde mededelingen op 21 februari en 3 maart 2006zijn gedaan in bijeenkomsten in informele sfeer, aldus de ondernemingsraad. Gesteld werd in dit verband verder: "(..) wij kunnen ons dergelijke mededelingen ook niet voor de geest halen. Er is niet gesproken over sluiting". De ondernemingsraad besloot met de opmerking zijn eerdere advies onverkort te handhaven.

2.15 Naar aanleiding van de in 2.14 bedoelde brief van de ondernemingsraad heeft de bestuurder een conceptbesluit aan de ondernemingsraad voorgelegd. Dit concept is in overlegvergaderingen van 27 en 29 juni 2006 besproken.

2.16 Op 3 juli 2006 heeft de bestuurder zijn definitieve besluit aan de ondernemingsraad kenbaar gemaakt. Dat besluit is conform het voornemen, met dien verstande dat naar aanleiding van het overleg met de ondernemingsraad:

a) de ontslagdata worden verschoven naar 1 april 2007 voor de HP-ML-medewerkers en de GLS-medewerkers en naar 1 juli 2007 voor de PAR-medewerkers;

b) de moeilijk te bemiddelen groep medewerkers drie maanden extra begeleiding en specifieke bemiddeling (ten opzichte van het met de vakbonden overeengekomen sociaal plan) aangeboden zal krijgen;

c) alle medewerkers desgewenst na hun oorspronkelijke datum van boventalligheid gedurende twee werkdagen per week worden vrijgesteld van werk voor sollicitaties, trainingen et cetera in het kader van het proces "werk naar werk".

In het bewuste document wordt voorts nog (nader) ingegaan op de bezwaren van de ondernemingsraad. De bestuurder wijst er nogmaals op dat (en waarom) het stuk van 8 september 2005 ("Weert (GLS/HID): update and follow up, September, 2005") geen "besluitdocument" is. Met betrekking tot een van de door de ondernemingsraad bij zijn laatste brief overgelegde nadere stukken ("Project status PAR 38, Prologic, Version Draft, September, 2005") wijst de bestuurder er op dat dit (slechts) de productgroep PAR betreft, dat het stuk onderdeel uitmaakte van de levensvatbaarheidstudie en dat uit het bewuste document blijkt dat toen nog diverse alternatieve mogelijkheden met betrekking tot die productgroep werden bestudeerd. Via het perspectievenonderzoek (de Ondernemingsraad neemt aan dat dit een andere bewoording is voor het hiervoor in 2.13 genoemde alternatievenonderzoek) heeft de ondernemingsraad alle mogelijkheden gekregen invloed te hebben op het toekomstig scenario, aldus de bestuurder. Verder constateert de bestuurder dat de ondernemingsraad noch in zijn advies noch in zijn reactie op het commentaar daarop van de bestuurder inhoudelijk op het voorgenomen besluit is ingegaan (maar slechts op de wijze van besluitvorming).

3. De gronden van de beslissing

3.1 In het verzoekschrift heeft de ondernemingsraad twee gronden voor zijn verzoek aangevoerd. Het besluit van 3 juli 2006 (hierna het besluit te noemen) heeft PL volgens de ondernemingsraad bij afweging van alle belangen in redelijkheid niet kunnen nemen omdat (i) het besluit "zonder dwingende grond afwijkt van het met de ondernemingsraad vanaf 2003 ingezette traject van geconsolideerde en gefaseerde afbouw, waarbij het Strategisch Plan Weert leidend is" en (ii) PL "heeft nagelaten de ondernemingsraad te informeren over de voorbereiding van het besluit (...) dat aanmerkelijk afwijkt van het besluit (reorganisatie 2006/2007) waarvan de voorbereiding wel was meegedeeld, een en ander zelfs niet nadat de ondernemingsraad uitdrukkelijk heeft geïnformeerd naar mogelijke beleidsvoornemens ter zake van PLW".

3.2 De Ondernemingskamer zal eerst de tweede grond beoordelen.

3.3 De ondernemingsraad heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat het besluit tot sluiting van PLW in 2007 in feite al in september 2005 was genomen. Hij heeft daartoe naar een drietal documenten verwezen. Uit die documenten kan die conclusie naar het oordeel van de Ondernemingskamer echter allerminst worden getrokken. In het verzoekschrift wordt terzake allereerst verwezen naar een citaat uit "Project status PAR 38, Prologic, Version Draft, September, 2005", (waarin te lezen valt dat de optie "Weert langer open" niet in overeenstemming met het "managementbesluit" zou zijn). Dit document gaat echter, zoals de bestuurder in zijn reactie op dat bezwaar heeft opgemerkt (en de ondernemingsraad nadien ook niet heeft betwist), slechts over de productgroep PAR. Dit wordt ook bevestigd door hetgeen is vermeld op het voorblad van het desbetreffende stuk. Overigens kan ook op het vlak van genoemde productgroep uit het document niet worden opgemaakt dat al een beslissing was genomen, waar verschillende opties de revue passeren en een keuze daarin niet valt te lezen. Genoemd citaat is onvoldoende voor een ander oordeel. Het document van 8 september 2005 ("Weert (GLS/HID): update and follow up, September, 2005") kan meerbedoelde conclusie van de ondernemingsraad evenmin schragen. Het is evident een (intern) discussiestuk, waarin diverse varianten van mogelijk te doorlopen adviestrajecten (met alles wat daarbij komt kijken, zoals de communicatie met de ondernemingsraad en de vakbonden) worden besproken. Het citaat waarnaar in het verzoekschrift (sub 21) wordt verwezen ziet op de daarboven verwoorde conclusie dat de adviesaanvraag aan de ondernemingsraad beter pas in het eerste kwartaal van 2006 kan worden gevraagd. Vaststaat dat de ondernemingsraad, toen die conclusie door de bestuurder was overgenomen, daaromtrent ook tijdig is geïnformeerd. Het derde document ("BU Lamps Europe/Consumer, HR-processes, Hr-Department Weert, 22 august 2005") is een voorganger van het document van 8 september 2005 en daarvoor geldt het vorenstaande evenzo, zo niet in nog sterkere mate. Overigens ontleent de ondernemingsraad aan dat stuk ook geen specifiek argument.

3.4 Ook voor het overige heeft de Ondernemingskamer, gelet op hetgeen de bestuurder in het onderhavige adviestraject naar voren heeft gebracht ten aanzien van de wijze waarop de besluitvorming heeft plaatsgevonden (de Ondernemingskamer wijst met name op zijn hiervoor in 2.13 weergegeven reactie op het advies en stelt vast dat de daarin geschetste feitelijke gang van zaken met betrekking tot het besluitvormingsproces niet, althans onvoldoende gemotiveerd door de ondernemingsraad is betwist), geen aanleiding ervan uit te gaan dat reeds in september 2005 was beslist dat het doek voor PLW (al) in 2007 zou vallen.

3.5 De ondernemingsraad meent dat, als dan in september 2005 niet al tot sluiting van PLW in 2007 was besloten, hij in ieder geval te laat bij de besluitvorming omtrent dat voornemen betrokken te zijn. Hij heeft in dat verband een beroep gedaan op artikel 24 lid 1 WOR (niet overigens, zo constateert de Ondernemingskamer, op afspraken als in de laatste volzin van die bepaling bedoeld). In de bewuste bepaling staat dat de ondernemer in de overlegvergaderingen mededeling doet over "besluiten die hij in voorbereiding heeft" met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in (onder meer) artikel 25 WOR. Naar de Ondernemingskamer begrijpt stelt PL zich op het standpunt dat de besluitvorming (die diende uit te monden in een adviesaanvraag in het eerste kwartaal 2006, zoals ook is geschied) zich richtte op de toekomst van PLW, dat de ondernemingsraad dat wist en bij die besluitvorming ook nauw betrokken is geweest en is het standpunt van de ondernemingsraad dat hem in de maanden die aan het adviestraject voorafgingen nooit is gemeld dat ook de optie aan de orde was dat tot eerdere sluiting zou worden overgegaan dan voorzien in het Strategisch Plan (te weten: in 2009). Beide standpunten worden gedragen door de hiervoor weergegeven feitelijke gang van zaken. Wat betreft het standpunt van PL geldt dat in juni 2005 was komen vast te staan dat spoor 1 uit het Spoorboekje (het verwerven van nieuwe business) niet het gewenste resultaat opleverde en dat er een plan moest komen "voor verdere aanpassing van de organisatie aan de nieuwe business-omstandigheden". In september 2005 heeft de bestuurder gemeld dat het onderwerp "levensvatbaarheid Philips Weert" bestudeerd zal gaan worden en dat de adviesaanvraag eerst in het eerste kwartaal van 2006 zou worden ingediend en in het najaar van 2005 is de ondernemingsraad bij de voorbereidingen van de aangekondigde adviesaanvraag betrokken. Het standpunt van de ondernemingsraad vindt bevestiging in de in 2.8 bedoelde brief en in de in 2.9 bedoelde overlegvergadering gehouden presentatie, uit welke stukken kan worden afgeleid dat nog steeds werd gekoerst op het Strategisch Plan 2006-2009. Volgens PL klopt dat ook in die zin dat het Strategisch Plan Weert "leidend" was en bleef, zolang nog geen ander voorgenomen besluit omtrent de toekomst van PLW was genomen en dit is - aldus PL - eerst, nadat het laatste alternatief in maart 2006 wegviel (een management buy out), einde maart 2006 gebeurd. Dit laatste moge zo zijn (de Ondernemingskamer heeft onvoldoende aanleiding er niet van uit te gaan dat tot het voornemen "sluiting PLW in 2007" eerst eind maart 2006 is gekomen), dit neemt niet weg dat genoemde brief en presentatie op zijn minst verwarrend zijn te noemen. Gelet op het feit dat, zoals PL zelf heeft gesteld, inmiddels nog slechts het alternatief van de management buy out aan de orde was, had een andere redactie van bedoelde uitingen zonder meer voor de hand gelegen. Overigens was ook heel wel denkbaar geweest dat de ondernemingsraad, die immers kon weten dat PLW zich in een uiterst kritische toestand bevond en waaraan op 7 december 2005 was meegedeeld dat van de alternatieven nog slechts de management buy out was overgebleven en met wiens leden in die maand zogenaamde Key Position Holder gesprekken waren gevoerd waaruit op te maken viel dat het doek van PLW in 2007 zou kunnen vallen, de bestuurder - tegen die achtergrond - om een nadere uitleg van die documenten had gevraagd.

3.6 Op grond van het hiervoor overwogene komt de Ondernemingskamer tot het oordeel dat het nodige heeft geschort aan de wijze waarop PL eind 2005, begin 2006 is omgegaan met haar mededelingsplicht als bedoeld in artikel 24 lid 1 WOR. De door de ondernemingsraad gewenste sanctie kan daaraan echter niet worden verbonden. Beslissend terzake in een procedure als de onderhavige is immers of het advies op een zodanig tijdstip is gevraagd dat dit (nog) van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. Dat is in het onderhavige geval naar het oordeel van de Ondernemingskamer gebeurd. Zoals is overwogen gaat de Ondernemingskamer er van uit dat het voorgenomen besluit eind maart 2006 is genomen, waarna het niet veel eerder dan op 5 april 2006 ter advisering aan de ondernemingsraad voorgelegd had kunnen worden. Ook uit het tijdens het adviestraject tussen de ondernemingsraad en de bestuurder gevoerde debat (zoals daarvan blijkt uit de hiervoor weergegeven feiten) kan de Ondernemingskamer niet opmaken dat de ondernemingsraad geen invloed meer kon uitoefenen op het voorgenomen besluit. Uiteindelijk is dat voornemen, gelet op de wensen van de ondernemingsraad, ook nog aangepast. Dat de ondernemingsraad ervoor heeft gekozen dat debat niet of nauwelijks op de inhoudelijke merites van de zaak te voeren (en de bestuurder in zoverre dus ook geen argumenten heeft gegeven zijn voornemen te wijzigen), moet vanzelfsprekend voor risico van de ondernemingsraad blijven.

3.7 Voorzover de ondernemingsraad in dit verband nog bedoeld mocht hebben te betogen dat hij in het kader van het adviestraject de beschikking had behoren te krijgen over de hiervoor in 3.3 bedoelde stukken (zeker na zijn verzoek als vervat in zijn brief van 22 augustus 2005), dan volgt de Ondernemingskamer hem niet in dat betoog. Die stukken waren daartoe immers niet geëigend.

3.8 De tweede grond van het verzoek leidt derhalve niet tot het door de ondernemingsraad gewenste resultaat. Met betrekking tot de eerste grond overweegt de Ondernemingskamer als volgt.

3.9 Hoewel de ondernemingsraad in zijn advies ten aanzien van het in 2003 ingezette traject van geconsolideerde en gefaseerde afbouw spreekt over "een pact" en deze bewoording ook in het verzoekschrift in dit verband nog wordt gebruikt, heeft de Ondernemingskamer uit de ter terechtzitting namens de ondernemingsraad gegeven nadere toelichting begrepen dat de ondernemingsraad zich niet op een door de bestuurder terzake gedane toezegging of met hem gemaakte afspraak beroept (op basis waarvan het PL niet zou hebben vrijgestaan te komen tot het besluit, althans PL daartoe niet eenzijdig zou hebben kunnen komen). De eerste grond van het verzoek van de ondernemingsraad houdt derhalve - slechts - in dat het besluit "zonder dwingende grond" afwijkt van dat eerder ingezette traject als hiervoor vermeld. Waar het voorgenomen besluit van een ampele (hiervoor in 2.10 verkort weergegeven) toelichting was voorzien en de ondernemingsraad op die toelichting als zodanig in zijn (hiervoor in 2.12 samengevat) advies niet of nauwelijks is ingegaan (voor de tweede ronde van het adviestraject geldt, voorzover daarin al enig inhoudelijk aspect van het voorgenomen besluit onderwerp van debat was, overigens hetzelfde), kan - reeds daarom - die grond niet leiden tot toewijzing van het verzoek van de ondernemingsraad. Overigens is de Ondernemingskamer van oordeel dat bedoelde toelichting het besluit zonder meer kan dragen. Aan het vorenstaande kan nog worden toegevoegd dat voorzover de ondernemingsraad al op inhoudelijk vlak bezwaren tegen het besluit heeft aangevoerd, deze betrekking hadden op de gevolgen van het besluit. Uit het hiervoor in 2.16 overwogene kan worden opgemaakt dat PL de ondernemingsraad op dit punt tegemoet is gekomen.

3.10 De slotsom is dat het verzoek van de ondernemingsraad dient te worden afgewezen.

4. De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst het verzoek van de ondernemingsraad af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Willems, voorzitter, mr. Faase en mr. Goslings, raadsheren, drs. Baart RA en mr. Van Maanen, raden, in tegenwoordigheid van mr. Van Hassel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 6 oktober 2006.

coll.:

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.