Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ0254

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
17-10-2006
Zaaknummer
436/2006 NOT
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 99 lid 12 Wet op het notarisambt.

Verschaffen van informatie omtrent erfdienstbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 5 oktober 2006 in de zaak onder rekestnummer 436/2006 NOT van:

DR E. [X],

D.S. [X],

wonende te [plaats],

APPELLANTEN,

t e g e n

MR. [Y],

oud-notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 17 maart 2006 ingekomen een verzoekschrift - met één bijlage - van de zijde van appellanten, verder te noemen klagers, waarbij zij tijdig hoger beroep hebben ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Middelburg, verder te noemen de kamer, van 7 maart 2006, waarbij de klacht van klagers tegen geïntimeerde, verder te noemen de oud-notaris, ongegrond is verklaard.

1.2. Op 23 en 31 maart 2006 zijn aanvullingen op het verzoekschrift van de zijde van klagers ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van de notaris is een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen op 11 april 2006.

1.4. Een reactie hierop van de zijde van klagers is op 9 juni 2006 bij het hof ingekomen. Bovendien zijn op 18 juli en 18 en 22 augustus 2006 nog enige stukken van de zijde van klagers ter griffie van het hof ingekomen.

1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 augustus 2006. Klaagster en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd, de notaris aan de hand van een pleitnotitie.

1.6. Nadien zijn van de zijde van klagers nog verschillende stukken ontvangen. Nu de behandeling van het hoger beroep reeds was beëindigd en het hof niet om toezending van deze stukken heeft verzocht, zal het deze buiten beschouwing laten.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. Beoordeling van de bestreden beslissing

Het hof kan zich niet verenigen met de beslissing van de kamer en zal deze beslissing derhalve vernietigen.

4. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

5. Het standpunt van klagers

5.1. Klagers verwijten de oud-notaris dat hij onjuiste toelichtingen heeft gegeven betreffende de erfdienstbaarheid zoals opgenomen in de notariële akte van 25 februari 1998 in artikel 7. Klagers zijn pas op de hoogte geraakt van het handelen van de oud-notaris na de uitvoering van het erfdienstbaarhedenonderzoek door het Kadaster.

5.2. Voorts wordt de oud-notaris verweten dat hij een erfdienstbaarheid in de akte heeft opgenomen die naar zijn eigen mening geen betrekking heeft op het registergoed van klagers.

5.3. Ook verwijten klagers de oud-notaris dat hij het huishoudelijk reglement betreffende de ontsluiting van de wegen, verder te noemen het reglement, uit de notariële akte van de rechtsvoorganger van klagers niet aan hen heeft doorgegeven, ook niet toen klagers daarom vroegen in 2003. In dat kader verzoeken klagers het hof de oud-notaris op te dragen het reglement binnen drie weken aan klagers te overhandigen.

5.4. Ten slotte verzoeken klagers het hof de juiste samenstelling van de kamer van toezicht, verder te noemen: de kamer, alsmede de functies en lidmaatschappen van de leden van de kamer te toetsen en notarisklerk [V] en makelaar [M] te horen als getuigen.

6. Het standpunt van de oud-notaris

6.1. De oud-notaris betwist de stellingen van klagers en verweert zich als volgt.

6.2. De oud-notaris heeft allereerst betoogd dat klagers in hun klacht niet ontvankelijk zijn voor zover de termijn zoals genoemd in artikel 99 lid 12 van de Wet op het Notarisambt is overschreden.

6.3. Voorts heeft de oud-notaris naar voren gebracht dat klagers zich bij de aankoop van het registergoed hebben laten bijstaan door een makelaar, die klagers heeft medegedeeld dat er geen erfdienstbaarheid van uitbaning voor auto’s was. Bovendien waren klagers voor de koop bekend met de feitelijke situatie en zijn zij niet over een nacht ijs gegaan. Zij hebben namelijk vóór de koop nog een weekend verbleven in het aan te kopen registergoed.

De feitelijke toedracht bij de verkoop van het registergoed kan de oud-notaris zich niet meer herinneren.

6.4. Voorts heeft de oud-notaris betoogd dat de erfdienstbaarheid zoals vermeld in de akte van levering van 25 februari 1998 ziet op het totale grondstuk dat later is verkaveld. Deze erfdienstbaarheid was reeds vermeld in de aankomsttitel, de akte van 6 mei 1969. Deze akte is verleden voor notaris J.C.N. Zeelenberg te Rotterdam.

6.5. Ten aanzien van het reglement heeft de oud-notaris aangegeven niet op de hoogte te zijn van het bestaan van enig reglement. De verkopende makelaar beschikte hier niet over en het werd ook niet vermeld in de stukken van het Kadaster. De oud-notaris wijst er in dat verband op dat hij al het mogelijke heeft gedaan klagers tegemoet te komen in hun verzoek om een huishoudelijk reglement en de aanverwante regelingen.

7. De ontvankelijkheid van klagers in hun klachten voor zo ver de klachten betrekking hebben op de periode van vóór 7 juli 2002

7.1. Het hof dient de ontvankelijkheid van de klacht te beoordelen aan de hand van het bepaalde in artikel 99 lid 12 van de Wet op het Notarisambt, hierna: Wna.

Ingevolge artikel 99 lid 12 Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen.

7.2. Ter griffie van de kamer is op 7 juli 2005 de klacht van klagers ingekomen, die betrekking heeft op gedragingen van de notaris als instrumenterend notaris bij de afwikkeling van de koop van het registergoed van klagers. In het bijzonder met betrekking tot de erfdienstbaarheid betreffende het recht op overpad.

7.3. Gelet op voormeld artikel konden klagers op 7 juli 2005 nog slechts klagen over gedragingen van de notaris waarvan zij op of na 7 juli 2002 hebben kennis genomen. De transportakte met betrekking tot het registergoed is op 25 februari 1998 ten overstaan van de oud-notaris verleden. Bij het passeren van die akte waren klagers niet aanwezig. Echter waren klagers bekend met inhoud van de Duitstalige koopakte van 25 november 1997 aangezien deze koopakte door hen is ondertekend. Bovendien hebben klagers het daaraan gehechte formulier ondertekend waarin de erfdienstbaarheden staan vermeld die aanleiding zijn voor de klacht van klagers.

Ook zijn klagers op het kantoor van de oud-notaris geweest op 24 november 1997. Tijdens het onderhoud is de koopakte met klagers doorgenomen en is er een toelichting gegeven met betrekking tot de rechtstoestand van het registergoed en de erfdienstbaarheid.

De conclusie moet dan ook zijn dat klagers eerder dan 7 juli 2002 kennis hebben genomen van het handelen van de oud-notaris ter zake van de akte van 25 februari 1998, zodat hun klachten daarover te laat zijn ingediend. Daaraan doet niet af dat klagers, naar zij stellen, zelf eerst in 2002 kennis hebben genomen van de uitleg van de erfdienstbaarheid in de eerder genoemde akte.

7.4. Op grond van het voorgaande zijn de klachtonderdelen met betrekking tot de erfdienstbaarheid niet–ontvankelijk voor zover de klachtonderdelen betrekking hebben op gedragingen van de oud-notaris van vóór 7 juli 2002 en wel ontvankelijk voor zover de klachtonderdelen betrekking hebben op gedragingen van de oud-notaris op of na 7 juli 2002 tot het moment van zijn defungeren op 1 januari 2004.

8. De beoordeling voor zover thans nog aan de orde

8.1. Aan de orde is nog het klachtonderdeel met betrekking tot de gedragingen van de oud-notaris op en na 7 juli 2002 ten aanzien van het verzoek van klagers om toelichting betreffende de rechtstoestand van het registergoed van klagers. Gelet op de inhoud van de brief van de oud-notaris van 5 mei 2003 is het hof van oordeel dat de oud-notaris klagers voldoende heeft geïnformeerd met betrekking tot de situatie rondom de erfdienstbaarheid. Dit geldt te meer nu de oud-notaris in diezelfde brief klagers de suggestie aan de hand heeft gedaan om in overleg te treden met de buren om dienaangaande tot een regeling te komen en, mocht er geen regeling getroffen kunnen worden, een advocaat in de arm te nemen. Dit klachtonderdeel is onterecht voorgesteld en treft geen doel. Dit klachtonderdeel acht het hof ongegrond.

8.2. Dit geldt evenzeer voor het klachtonderdeel met betrekking tot het niet doorgeven van het reglement en eventuele regelingen betreffende de wegen uit de notariële akte van de rechtsvoorganger van klagers.

Het hof is van oordeel dat klagers onvoldoende duidelijk zijn geweest wat zij op dit punt precies van de oud-notaris verlangden. De oud-notaris is klagers voor zover het tot zijn mogelijkheden behoorde voldoende tegemoet gekomen in hun verzoek. Ter zitting heeft de oud-notaris naar voren gebracht dat hij mr. [R] als protocolopvolger heeft benaderd. Deze heeft te kennen gegeven dat de dossiers van vóór 1980 zijn vernietigd. Voorts heeft de oud-notaris navraag gedaan bij de huidige vereniging van eigenaren van het bungalowpark. Ook zij konden de oud-notaris niet verder van dienst zijn. Bovendien was de vereniging van eigenaren die het huishoudelijk reglement kennelijk destijds heeft opgesteld, ter ziele. In een geval als het onderhavige kon van de oud-notaris niet meer worden gevergd dan zoals gebleken is. Het klachtonderdeel is ongegrond.

8.3. Nu het hof de klacht deels niet-ontvankelijk acht en deels ongegrond, kan de beslissing van de kamer – zoals hiervoor onder 3 reeds is overwogen - niet in stand blijven.

8.4. Het verzoek met betrekking tot de toezending van het huishoudelijk reglement door de oud-notaris, de samenstelling van de kamer en de functies en de lidmaatschappen van de leden van de kamer zal het hof passeren, omdat deze het bestek van de onderhavige tuchtprocedure te buiten gaan.

8.5. Eveneens zal het hof het verzoek om het horen van getuigen passeren, omdat dit verzoek niet ter zake dienend is.

8.6. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

8.7. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

9. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing en, opnieuw rechtdoende;

- verklaart de klacht met betrekking tot het handelen van de oud-notaris van vóór 7 juli 2002 niet ontvankelijk;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, A.L.G.A. Stille en J.C.W. Rang en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 5 oktober 2006 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE MIDDELBURG

Beslissing van 7 maart 2006 in de zaak van:

KvT 5/2005

1. E. [X] en

2. D.S. [X],

beiden wonende te [plaats],

klagers,

D.S. [X] in persoon,

tegen:

mr. [Y],

oud-notaris te [plaats], gemeente [naam],

verweerder,

in persoon.

1. Het verloop van de procedure

Partijen worden verder aangeduid als klagers en de oud-notaris.

Klagers hebben zich bij brief, ingekomen op 7 juli 2005, gewend tot de Kamer van Toezicht te Middelburg, hierna de Kamer, met een klacht tegen de oud-notaris. De oud-notaris heeft bij brief, ingekomen op 26 juli 2005, op de klacht gereageerd. Een afschrift van deze brief is verzonden aan klagers. Door de voorzitter is de klacht ter kennis van de Kamer gebracht. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden ter openbare vergadering van de Kamer van 24 januari 2006. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

2. De feiten

2.1. Bij overeenkomst van 25 november 1997 hebben klagers van mevrouw B. Linschoten gekocht het zomerhuis met tuin aan De Sprong 32 te [plaats], gemeente [naam], kadastraal bekend gemeente [naam], sectie L nummer 187, groot drie are negentig centiare. Het betreft een recreatiebungalow op een ingeklemd perceel met een afstand van meer dan veertig meter naar een parkeermogelijkheid.

2.2. De koopovereenkomst is opgesteld in het Duits. Aan de overeenkomst is een afschrift gehecht, in de Nederlandse taal, van de overeenkomst van 6 mei 1969 waarbij mevrouw B. Linschoten de woning heeft aangekocht. In laatstgenoemde overeenkomst is de hierna onder 2.3. weergegeven erfdienstbaarheid opgenomen.

2.3. De akte van levering van voornoemde woning aan klagers is op 25 februari 1998 verleden ten overstaan van de oud-notaris.

Artikel 7 van de leveringsakte luidt, voorzover hier van belang:

“Omschrijving erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen

Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar gemelde titel van aankomst waarin woordelijk staat vermeld:

“B. Ten behoeve van het kadastrale perceel gemeente [naam], sectie L, nummer 82 en ten laste van het bij deze akte verkochte perceel gemeente [naam], sectie L, nummer 81 worden gevestigd de navolgende erfdienstbaarheden:

a. om terstond te worden uitgeoefend:

die van weg van en naar de openbare weg, thans genaamd de Hoogenboomlaan, over de aangelegde of aan te leggen weg op het lijdend erf, doch uitsluitend ten behoeve van de eigenaren van het heersend erf en van hen, die in hun gezelschap zijn of een gemachtigde, welke beperking vervalt bij het eindigen van het erfpachtsrecht betreffende het heersend erf.

b. om te worden uitgeoefend vanaf het eindigen van het erfpachtsrecht betreffende het heersend erf:

1. die van weg, mede ten behoeve van de gebruikers van het heersend erf uit hoofde van het daarop uitgeoefend of uit te oefenen bedrijf en mede ten behoeve van de op het heersend erf te stichten gebouwen en zulks over de op het lijdend erf aangelegde of aan te leggen weg van en naar de openbare weg, hiervoor bedoeld, zullende de weg waarover die erfdienstbaarheid zal worden uitgeoefend voor rekening van de eigenares van het lijdend erf moeten zijn verhard over een breedte van minstens vijf meter, zulks ten genoegen van de eigenaren van het heersend erf. Deze erfdienstbaarheid van weg geeft de eigenaren van het heersend erf het recht die weg aan te leggen en te verharden indien de eigenaar van het lijdend erf in gebreke is dit te doen. Bij verkoop van- of vestiging van een zakelijk genotsrecht op het verkochte voordat de hiervoor sub B b1 bedoelde weg is aangelegd en verhard is de naamloze vennootschap “Exploitatiebedrijf Kavero N.V.”verplicht die aanleg en verharding tot stand te brengen binnen drie maanden na de verkoop of uitgifte in genotsrecht;

2. (…)”

2.4. Op verzoek van klagers heeft de bewaarder van het Kadaster en de openbare registers in oktober 2002 een onderzoek naar erfdienstbaarheden uitgevoerd met betrekking tot het perceel van klagers. De conclusie is dat er erfdienstbaarheden bekend zijn zoals neergelegd in bovengenoemde leveringsakte van 25 februari 1998.

2.5. Bij brief van 25 maart 2003 aan klagers heeft de oud-notaris nadere uitleg gegeven omtrent de erfdienstbaarheid die is opgenomen in de akte van levering van 25 februari 1998. De oud-notaris heeft onder meer meegedeeld dat het perceel van klagers geen deel uitmaakt van het in de akte van levering bedoelde lijdend erf en derhalve niet is belast met de erfdienstbaarheid. Tevens heeft de oud-notaris meegedeeld dat de erfdienstbaarheid geen betrekking heeft op het gebruik door klagers van de weg. De oud-notaris schrijft dat het recht van klagers om van hun perceel te komen en te gaan naar de Hoogenboomlaan niet berust op deze erfdienstbaarheid, maar kennelijk op (de oud-notaris niet bekende) met Patrisan Exploitatiemaatschappij B.V. gemaakte afspraken.

2.6. Bij brief van 17 juli 2003 aan klagers heeft de oud-notaris nogmaals meegedeeld dat het door klagers bedoelde recht van overpad niet berust op de in de koopakte van klagers bedoelde erfdienstbaarheden, maar wellicht op andere afspraken die de notaris niet bekend zijn.

3. De klacht en het verweer van de notaris

3.1. Klagers stellen dat de oud-notaris heeft gehandeld in strijd met de zorg die een notaris behoort te betrachten. Zij verwijten de oud-notaris onzorgvuldig handelen bij de uitleg en de opname in de leveringsakte van een erfdienstbaarheid.

Zij voeren daartoe - na intrekking van onderdeel 3 van hun klacht - het volgende aan:

1. De oud-notaris heeft onjuiste toelichtingen gegeven betreffende de erfdienstbaarheid zoals deze is opgenomen in artikel 7 van de leveringsakte van 25 februari 1998.

2. De oud-notaris heeft een erfdienstbaarheid in de akte opgenomen die naar zijn mening geen betrekking heeft op het perceel van klagers en daarom tot misverstanden leidde.

Klagers stellen dat de heer [V], klerk op het kantoor van de oud-notaris, in een gesprek op 24 november 1997 aan klagers heeft meegedeeld dat zij in geval van koop van de woning op grond van de erfdienstbaarheid een recht van overpad over een vijf meter brede weg zouden hebben over de percelen De Sprong 27, 28, 29, 30 en 31. Om klagers een begrip van de situatie te geven heeft hij de weg op het kadastrale uittreksel getekend. Klagers vertelden [V] dat er op dat moment alleen een voetpad van ca. 1.50 à 1.90 of 2 meter breedte bestond over de percelen 27, 28 en 29. Volgens [V] was de versmalling een afspraak tussen de tegenwoordige buren zonder betrekking op klagers, alsdus klagers.

Klagers stellen dat deze toelichting op de erfdienstbaarheid de grondslag vormde voor de koop van de woning, omdat zij alleen een huis met een ontsluiting over een voor auto’s geschikt pad wilden hebben in verband met de gezondheidssituatie van de heer [X]. De oud-notaris heeft tijdens een afspraak op 18 februari 1998, de datum waarop de akte van levering in eerste instantie gepasseerd zou worden, ook nog verwezen naar de toelichting door [V].

Toen klagers eind 2002 gebruik wilden maken van hun recht van overpad over een vijf meter brede ontsluitingsweg en zij de buren daarvan in kennis hadden gesteld, bleek dat de toelichting op de erfdienstbaarheid misschien foutief was geweest. Daarop hebben klagers een erfdienstbaarhedenonderzoek bij het Kadaster aangevraagd. De conclusie was dat er één erfdienstbaarheid betreffende het perceel van klagers bestaat. Voor de uitleg moest een notaris worden gevraagd. Klagers hebben zich vervolgens nog een keer tot de oud-notaris gewend. De oud-notaris heeft zich toen pas geïnformeerd over de kadastrale gegevens. Hij constateerde dat er geen erfdienstbaarheid voor het perceel van klagers bestaat, dit in tegenstelling tot de uitkomst van het eerder verrichte kadastraal onderzoek en de toelichtingen van hem en [V] vóór de koop van het huis.

Klagers stellen dat, als er feitelijk geen erfdienstbaarheid bestaat, de oud-notaris deze ook niet in de notariële akte had mogen opnemen. Door dit toch te doen heeft de oud-notaris zich schuldig gemaakt aan een poging tot misleiding. Klagers stellen dat zij, als zij vóór de koop van het huis geweten hadden dat er geen erfdienstbaarheid bestond ten behoeve van hun perceel, het huis niet gekocht hadden, omdat zij waarde hechten aan een ontsluiting over een voor auto’s geschikte weg.

3.2. De oud-notaris betwist de stellingen van klagers als volgt.

Hij voert primair aan dat klagers ingevolge artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun klachten. De klacht heeft betrekking op een akte van 25 februari 1998 en sindsdien zijn meer dan drie jaren verstreken.

Voorzover klacht 1 wel ontvankelijk is, stelt de oud-notaris dat deze ongegrond dient te worden verklaard. Hetgeen klagers aanvoeren omtrent zijn handelen op 18 februari 1998 kan hij zich niet herinneren. Voorzover nodig betwist hij hun weergave van de gang van zaken. De klacht kan naar de mening van de oud-notaris geen betrekking hebben op de in zijn brieven van 25 maart 2003 en 17 juli 2003 gegeven uiteenzettingen over de betreffende erfdienstbaarheid. Die uiteenzettingen worden gestaafd door het erfdienstbaarhedenonderzoek en zijn correct. Voorzover de klacht wel betrekking heeft op deze brieven is deze eveneens ongegrond, aldus de oud-notaris.

Voorzover klacht 2 wel ontvankelijk is voert de oud-notaris het volgende aan.

De erfdienstbaarheden waren vermeld in de aankomsttitel, de op 6 mei 1969 voor notaris Zeelenberg te Rotterdam verleden akte. Ter ondersteuning van deze stelling heeft hij een afschrift van de betreffende akte overgelegd. Alle eventuele verplichtingen die voor kopers voortvloeien uit de akte waarbij de verkoopster de eigendom heeft verkregen dienen kenbaar te zijn aan hen en zijn derhalve vermeld in de akte van 25 februari 1998.

De oud-notaris voert verder aan dat klagers, voordat zij via de bemiddelend makelaar tot koop overgingen, een weekend hebben doorgebracht in de woning. Zij hebben zich toen vergewist van de situering. Klagers is toen niet ontgaan dat hun auto moest worden geparkeerd op een parkeerplaats op 40 meter afstand van hun woning. Er was een pad naar de woning, maar zeker geen uitbaning of een ontsluiting van hun perceel over een voor auto’s geschikte weg.

Voorts kende de makelaar blijkens de stellingen van klagers geen regelingen betreffende de weg. Het was klagers toen reeds duidelijk, althans het had hen reeds duidelijk moeten zijn, dat er geen erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van auto’s was.

De oud-notaris stelt dat de uitleg door klagers over de toelichting van [V] op de in de akte vermelde dienstbaarheid door [V] wordt betwist. De oud-notaris betwist zelf eveneens dat hij op 18 februari 1998 heeft verwezen naar de toelichting door [V].

Volgens de oud-notaris spreken klagers zelf - terecht - van overpad en niet van uitweg of uitbaning. Van hun woning naar het parkeerterrein loopt een voetpad. Dat was duidelijk kenbaar; klagers hadden zelf een voetpad van ca 1.50 à 1.90 of 2 meter breedte geconstateerd. [V] ontkent dat er sprake was een versmalling op grond van een afspraak tussen toenmalige buren, aldus de oud-notaris.

De oud-notaris stelt tenslotte dat, als er al misverstanden zijn gerezen, deze dienen te worden toegerekend aan klagers.

4. De beoordeling

4.1. Naar het oordeel van de Kamer zijn klagers ontvankelijk in hun klacht. Klagers hebben gesteld dat [V] hen heeft meegedeeld dat zij in geval van koop van de woning op grond van de in de leveringsakte opgenomen erfdienstbaarheid een recht van overpad over een vijf meter brede weg zouden hebben. Klagers konden derhalve bij het passeren van de akte niet weten, en hoefden volgens hun uitleg ook niet te weten, dat de in de akte opgenomen erfdienstbaarheid niet gevestigd is ten behoeve van hun perceel.

Klagers hebben voldoende gemotiveerd gesteld dat zij pas na de uitvoering van het erfdienstbaarhedenonderzoek door het Kadaster op de hoogte zijn geraakt van het handelen van de oud-notaris waarop deze klacht betrekking heeft, dat wil zeggen in oktober 2002. Klagers hebben hun klacht ingediend op 26 juli 2005, derhalve binnen de termijn van drie jaren.

4.2. Gelet op de formulering van de klacht dient met name onderzocht te worden of de oud-notaris een verwijt kan worden gemaakt van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten en/of in strijd met de zorg die een notaris betaamt.

4.3. Ten aanzien van klachtonderdeel 1 overweegt de Kamer als volgt:

Als handelen c.q. nalaten van de notaris moet tevens worden aangemerkt het handelen c.q. nalaten van een medewerker van het notariskantoor, aangezien de notaris voor dit handelen c.q nalaten aansprakelijk is.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door de oud-notaris is niet dan wel onvoldoende komen vast te staan dat [V] aan klagers daadwerkelijk heeft meegedeeld hetgeen door klagers wordt gesteld.

Ter zitting is voorts gebleken dat mevrouw [X] voldoende mondig is om haar belangen op een juiste manier te behartigen. Dit, alsmede de omstandigheid dat klagers zich bij de aankoop van hun woning niet hebben laten bijstaan door een makelaar/adviseur, leidt tot de conclusie dat niet valt in te zien dat de oud-notaris op dit punt op enigerlei wijze verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht is op dit punt ongegrond.

4.4. Met betrekking tot klachtonderdeel 2 overweegt de Kamer dat de notaris voldoende heeft toegelicht waarom de erfdienstbaarheid in de akte is opgenomen. De erfdienstbaarheid drukte op het gehele oorspronkelijke perceel dat later is verkaveld. Hoewel er blijkbaar feitelijk geen weg meer is dient de erfdienstbaarheid toch te worden opgenomen in de akte van levering van het perceel van klagers, omdat de erfdienstbaarheid in de aankomsttitel -de koopovereenkomst van 6 mei 1969- is vermeld en ook nog steeds bij het Kadaster staat geregistreerd. De klacht is op dit punt eveneens ongegrond.

4.5. Nu klagers ter gelegenheid van de behandeling onderdeel 3 van hun klacht hebben ingetrokken, behoeft dit onderdeel geen bespreking en beslissing meer.

5. De beslissing

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Middelburg:

- verklaart de klacht in beide onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.A.M. van Dijke, voorzitter, mrs. H. Quispel, J. van den Berg en D. Oostinga, leden, en mr. C. Kool, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. F.A.C.M. Maandag-Leussink, secretaris, en uitgesproken op 7 maart 2006.

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam (Prinsengracht 436, correspondentieadres Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen dertig dagen na dagtekening van de aangetekende brief waarbij deze beslissing aan u is toegezonden.