Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ0251

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
17-10-2006
Zaaknummer
279/2006 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

99 lid 12 en 107 lid 1 Wet op het notarisambt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 5 oktober 2006 in de zaak onder rekestnummer 279/2006 NOT van:

MR. [X],

notaris te [plaats],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. G.L. Maaldrink,

t e g e n

[Y],

wonende te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Namens appellant, verder te noemen de notaris, is bij een op 17 februari 2006 ter griffie ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Middelburg, verder te noemen de kamer, van 31 januari 2006, waarbij het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van 17 juni 2005 tot afwijzing van de klacht, ten aanzien van een tweetal klachtonderdelen ten dele gegrond is verklaard en – zo begrijpt het hof – waarbij voorts na deze gegrondverklaring de door geïntimeerde, verder te noemen klager, ingediende klacht tegen de notaris deels ongegrond is verklaard en voor het overige gegrond zijn verklaard onder oplegging van de maatregel van waarschuwing aan de notaris.

1.2. Van de zijde van klager is op 6 april 2006 een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Op 17 augustus 2006 is een aanvulling op het verzoekschrift van de zijde van de notaris ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 augustus 2006. Klager, de notaris en zijn gemachtigde zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van de notaris aan de hand van een pleitnotitie.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. Beoordeling van de bestreden beslissing

Het hof kan zich niet verenigen met de beslissing van de kamer en zal deze beslissing derhalve vernietigen.

4. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

5. Het standpunt van klager

5.1. Klager verwijt de notaris dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd in de zogenaamde verklaring van erfrecht gedateerd 12 februari 1996. De valsheid in geschrift zou hierin bestaan dat de heer [Z] ten onrechte is opgevoerd als executeur-testamentair en het executeursloon van f 11.720,70 door de notaris fout is berekend.

5.2. Voorts wordt de notaris verweten dat hij op 21 november 2000 zonder handtekening of volmacht van klager f 7.399,50 uit de nalatenschappen heeft weggenomen.

5.3. Ook verwijt klager de notaris dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd met betrekking tot de verklaring van erfrecht van februari 25 februari 2002 inzake de nalatenschap van mevrouw [M] en het residuo. De valsheid in geschrift zou hierin bestaan dat de machtigingen bij de bank geen beschikkingsbevoegdheid opleveren ten aanzien van het residuo en derhalve ook niet ten aanzien van de goederen van de gemeenschap.

5.4. Tevens wordt de notaris verweten dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd door in de akte van verdeling van 11 juni 2004 ten onrechte te vermelden dat klager een volmacht aan de medewerkster van de notaris verleend zou hebben.

5.5. Eveneens verwijt klager de notaris dat hij gelden uit de nalatenschappen heeft weggenomen zonder dat klager daarvoor door het plaatsen van zijn handtekening toestemming had gegeven. Het betreft de navolgende bedragen:

f 7.397,50 als honorarium van de notaris onttrokken van de boedelrekening op 21 november 2000;

€ 5.124,-- honorarium overgemaakt op 11 juni 2004;

€ 5.318,62 ter zake van honorarium ten behoeve van J. [N] en G. [B] als executeurs-testamentair;

€ 4.15,74 als honorarium voor F.C.M. [G], verder te noemen: mr. [G] als onzijdig persoon.

Klager is van mening dat dit geen boedelschulden zijn en de notaris deze gelden niet had mogen uitkeren. Daarbij komt dat de notaris zich zelf een hoger honorarium heeft toegekend dan op basis van de conceptakte was geoorloofd en, zonder hieraan voorafgaand een declaratie aan de erfgenamen te sturen. Ten slotte verwijt klager de notaris dat mr. Van Gurp niet voor klager had mogen optreden anders dan om hem te vertegenwoordigen bij de verdeling van de nalatenschappen.

6. Het standpunt van de notaris

6.1. De notaris betwist de stellingen van klagers en verweert zich als volgt.

6.2. De notaris is van mening dat de klacht beperkt dient te worden tot datgene wat er na de uitspraak van de rechtbank van 9 juli 2003 is gebeurd. De notaris brengt in dat verband naar voren dat zijn declaratie bestond uit een voorschot en een einddeclaratie, hetgeen gebruikelijk is. Ten aanzien van het executeursloon merkt de notaris op dat dit bedrag door hem naar beneden is bijgesteld naar aanleiding van een gesprek met de voorzitter van de kamer. In de conceptakte van verdeling die door de rechtbank is goedgekeurd werd het bedrag ad € 5.318, 62 ten onrechte weer opgevoerd.

6.3. Met betrekking tot de stelling dat mr. Van Gurp niet voor klager als onzijdig persoon had mogen optreden heeft de notaris betoogd dat hij zich dienaangaande van commentaar onthoudt.

6.4. Ten slotte klaagt de notaris over de behandeling in eerste aanleg. In het bijzonder beklaagt de notaris zich er over dat de fungerend voorzitter van de kamer als alleen zittend rechter het verdelingsvonnis heeft gewezen, evenals het vonnis waarbij de onzijdige persoon is vervangen. Om die reden diende de voorzitter zich te verschonen als tuchtrechter. Nu dit niet is gebeurd dient de beslissing te worden vernietigd.

7. De ontvankelijkheid van klager in zijn klachten voor zo ver de klachten betrekking hebben op de periode vóór 10 juni 2002

7.1. Het hof dient de ontvankelijkheid van de klacht te beoordelen aan de hand van het bepaalde in artikel 99 lid 12 van de Wet op het Notarisambt, hierna: Wna.

Ingevolge artikel 99 lid 12 Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen.

7.2. Ter griffie van de kamer is op 9 juni 2005 de klacht van klager ingekomen, die betrekking heeft op gedragingen van de notaris als instrumenterend notaris bij de afwikkeling van de nalatenschappen van de heer en mevrouw [M].

7.3. Gelet op voormeld artikel kon klager op 9 juni 2005 nog slechts klagen over gedragingen van de notaris waarvan hij op of na 9 juni 2002 heeft kennis genomen.

7.4. Hieruit volgt dat de klacht met betrekking tot de onterechte vermelding van de heer [Z] in de verklaring van erfrecht van 12 februari 1996 en het daarmee verbonden executeursloon (zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 5.1) reeds op 6 juni 2001 ter kennis van klager is gekomen gelet op de beslissing van de kamer op de klacht van klager dienaangaande. Klager is dan ook niet ontvankelijk in dit klachtonderdeel. Het hoger beroep van de notaris slaagt.

8. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

8.1. In het algemeen staat – op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wet op het notarisambt, verder te noemen WNA – tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel hoger beroep bij dit hof open. Artikel 99 leden 2, 6 en 10 WNA bepalen echter, verkort weergegeven en voor zover hier van belang, dat de (plaatsvervangend) voorzitter kennelijk niet ontvankelijke en kennelijk ongegronde klachten alsmede klachten die naar zijn oordeel van onvoldoende gewicht zijn, kan afwijzen, dat tegen een dergelijke beslissing verzet kan worden gedaan bij de kamer en dat tegen de beslissing van de kamer dat het verzet ongegrond is geen rechtsmiddel openstaat.

8.2. Op grond van het voorgaande is het hoger beroep niet ontvankelijk ten aanzien van de klachtonderdelen zoals hiervoor omschreven in de rubrieken 5.2., 5.3. 5.4. en 5.5., behoudens voor zover dit laatste klachtonderdeel ziet op de inhouding van een hoger bedrag aan honorarium dan op grond van de conceptakte was geoorloofd.

9. De beoordeling voor zover thans aan de orde

9.1. Voor zover de notaris bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg en in het bijzonder de fungerend voorzitter van de kamer verwijt dat hij zich diende te verschonen als tuchtrechter nu hij reeds als alleensprekend rechter het verdelingsvonnis en het vonnis inzake de vervanging van de onzijdige persoon had gewezen, behoeft dit bezwaar van de notaris geen nadere bespreking, nu deze door hem gesteld tekortkoming tengevolge van de behandeling in hoger beroep zijn hersteld.

9.2. Ter beoordeling van het hof ligt thans het klachtonderdeel met betrekking tot het honorarium van de notaris. Het hof is van oordeel dat de notaris ter zake van de door hem verrichte werkzaamheden met betrekking tot de verdeling – daaronder begrepen het verlijden van de akte van verdeling – gerechtigd is tot het berekenen van een honorarium. Weliswaar is het door de notaris berekende honorarium in het concept van de akte van verdeling lager dan in de akte van verdeling zelf, doch de bij die akte verschenen personen hebben met dit hogere honorarium ingestemd, zodat de klacht hierover geen doel treft en het appel van de notaris tegen de desbetreffende beslissing van de kamer mitsdien gegrond is.

9.3. Nu het hof de klacht deels niet-ontvankelijk acht en voor het overige ongegrond acht kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven.

9.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

9.5. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

10. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing en, opnieuw rechtdoende;

- verklaart de klacht met betrekking tot de klachtonderdelen zoals genoemd in rubriek 5.2, 5.3., 5.4 en 5.5. - behoudens ten aanzien van het honorarium van de notaris – niet ontvankelijk

- verklaart de klacht met betrekking tot het klachtonderdeel zoals genoemd in rubriek 5.5 ten aanzien van het honorarium van de notaris ongegrond;

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, A.L.G.A. Stille en J.C.W. Rang en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 5 oktober 2006 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE MIDDELBURG

Beslissing van 31 januari 2006 inzake het verzet van:

KvT 3/2005

[X],

wonende te [plaats],

klager,

in persoon,

gericht tegen de beslissing van de voorzitter van de Kamer van Toezicht d.d. 17 juni 2005 inzake de klacht van [X] voornoemd tegen:

mr. [Y],

notaris te [plaats],

in persoon.

1. Het verloop van de procedure

Partijen worden verder aangeduid als klager respectievelijk de notaris.

Klager heeft zich bij brief van 12 juni 2005 gewend tot de Kamer van Toezicht over notarissen en kandidaat-notarissen te Middelburg - verder de Kamer -, met een uit twaalf onderdelen bestaande klacht tegen de notaris. De voorzitter van de Kamer heeft bij beschikking van 17 juni 2005 de klacht afgewezen.

Klager is bij brief van 27 juni 2005 in verzet gekomen tegen de beschikking van 17 juni 2005. De notaris heeft bij brief, ingekomen op 27 juli 2005, op het verzet gereageerd.

Het verzet is mondeling behandeld op 29 november 2005. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

2. De feiten

2.1. Op 24 mei 1993 zijn ten overstaan van de notaris de testamenten verleden van de, in algehele gemeenschap van goederen gehuwde, echtelieden de heer J.Th. [M] en mevrouw A.N. [M] te [plaats].

2.2. De heer [M] heeft in zijn testament - voor het geval hij mocht komen te overlijden voor zijn echtgenote - zijn echtgenote benoemd tot enige erfgename van zijn nalatenschap, onder de last van een fideï-commis de residuo.

In beide testamenten is door de heer/mevrouw [M] - voor het geval hij of zij als langstlevende zou overlijden - benoemd als executeur-testamentair de heer J. [Z], accountant van beroep.

2.3. De heer [M] is op 22 januari 1996 - voor mevrouw [M] - overleden.

2.4. Bij boedelvolmacht van 31 januari 1996 opgemaakt door de notaris hebben mevrouw [M] en de heer [Z] elkaar volmacht verleend om hen zowel tezamen als ieder afzonderlijk te vertegenwoordigen in de nalatenschap van de heer [M].

2.5. In een verklaring van erfrecht opgemaakt door de notaris op 12 februari 1996 staat vermeld dat de heer [M] in zijn testament de heer [Z] tot executeur-testamentair heeft benoemd. Tevens is, onder verwijzing naar de boedelvolmacht genoemd onder 2.4., opgenomen dat mevrouw [M] en de heer [Z] zowel tezamen als ieder afzonderlijk bevoegd en gerechtigd zijn tot de ontvangst van alle goederen en gelden die tot de algehele gemeenschap van goederen en de daarin vervatte nalatenschap behoren of daarvan deel gaan uitmaken en om daarvoor te kwiteren.

2.6. Bij boedelvolmacht van juli 1996 opgemaakt door de notaris heeft mevrouw [M] volmacht verleend aan de heren J. [N] en G. [B], erfgenamen, om haar te vertegenwoordigen in de nalatenschap van de heer [M].

2.7. Op 28 oktober 1997 is mevrouw [M] overleden.

2.10. Bij akte van 25 november 1997 heeft de heer [Z] de executele van de nalatenschap van mevrouw [M] overgedragen aan de heren [N] en [B].

2.11. In een “verklaring van erfrecht met volmacht” opgemaakt door de notaris op 26 november 1997 is opgenomen dat mevrouw [M] in haar testament de heer [Z] heeft benoemd tot executeur-testamentair en voorts dat deze executeur-testamentair in die hoedanigheid bij een onderhandse boedelvolmacht volmacht heeft gegeven aan de heer J. [N] en de heer G. [B] om namens hem over de nalatenschap te beschikken.

2.12. Er zijn in totaal 18 erfgenamen c.q. verwachters.

2.13. Bij de overgelegde stukken bevinden zich twee conceptakten van verdeling, opgemaakt in 1998. In het concept dat is gevoegd bij een brief van de notaris aan klager van 16 september 1998 is opgenomen dat er vijf onderhandse boedelvolmachten zijn, waarin in totaal 17 erfgenamen - inclusief klager - volmacht verlenen aan een medewerkster van de notaris.

In het andere concept dat is gevoegd bij de hierna onder r.o. 2.16. genoemde brief van 10 januari 2003 wordt gesproken van zes volmachten, waarbij onder andere klager volmacht verleend aan de medewerkster van de notaris.

2.14. Klager heeft eerder een klacht tegen de notaris ingediend. De Kamer heeft hierop bij uitspraak van 6 juni 2001 beslist.

2.15. In een “Proces-verbaal (verklaring van erfrecht)” opgemaakt door de notaris op 25 februari 2002 is onder meer de volgende zinsnede opgenomen:

“Volmacht.

De sub A.1, A.3, A.4, A.5, A.6, A.7, A.8, B.1, B.2, B.3, C.1, C.2, C.3, C.4, C.5 en C.7 genoemde erfgenamen hebben - met genoemde Heer [Z] – blijkens zeven aan deze akte gehechte onderhandse akten van volmacht, volmacht gegeven aan de sub A.2, genoemde erfgenaam [N] om voor en namens hen de nalatenschap af te wikkelen.

Beschikkingsbevoegdheid.

Mitsdien zijn, naast alle gerechtigden tezamen, de genoemde gerechtigden Govert Cornelis [X] sub C.6 genoemd, voor zich, en de gerechtigde Jacob [N] sub A.2 genoemd voor zich en als gevolmachtigde van de overige gerechtigden, tezamen, bevoegd tot de ontvangst van alle goederen en gelden, tot de algehele gemeenschap van goederen waarin de echtelieden [M][adres] waren gehuwd en hun daarin vervatte nalatenschappen, behorende of die aankomende, zomede om daarvoor te kwiteren en te dechargeren.”

2.16. Brief van 10 januari 2003 heeft de notaris aan klager een rekeningoverzicht met betrekking tot de “driesterrenrekening” nr. 6900.92.849 inzake de nalatenschappen bij de Regiobank doen toekomen.

2.17. Bij verstekvonnis van deze rechtbank van 9 juli 2003 is de verdeling bevolen van de litigieuze nalatenschappen overeenkomstig het aan de dagvaarding gehechte concept d.d. december 1998 en is onder meer een onzijdig persoon benoemd ter vertegenwoordiging van klager. Deze onzijdig persoon, mr. P. Feenstra, is bij vonnis van 18 februari 2004 vervangen door mr. F.C.M. van Gurp.

2.18. In de akte van verdeling, opgemaakt door de notaris op 11 juni 2004 staat onder meer vermeld:

“Blijkens proces-verbaal op veertien mei tweeduizend vier opgemaakt door mij, notaris is de deelgenoot [X], hoewel behoorlijk opgeroepen en te mijnen kantore verschenen, niet overgegaan tot tekening van de door de rechtbank vastgestelde akte van verdeling, weshalve ter vervanging van hem optreedt de comparant mr. F.C.M. van Gurp als onzijdig persoon, door de rechtbank aangewezen.

De door de rechtbank vastgestelde verdeling luidt conform het door en namens zestien erfgenamen ingediende verzoekschrift welke is vastgelegd in het bij de rechtbank ingediende concept.”

2.19. Bij voornoemde akte is een slotafrekening gevoegd. Daaruit blijkt onder meer dat op 18 november 2000 van de “driesterrenrekening” nr. 6900.92.849” bij de Regiobank een bedrag van € 7.397,50 naar de notaris is overgemaakt als voorschot voor klager.

Voorts blijkt daaruit dat uit de nalatenschappen op grond van de conceptakte d.d. december 1998 een bedrag van € 5.318,62 aan executeursloon is betaald ten behoeve van de heren [Z], [B] en [N], alsmede de nota van de notaris ad ƒ 12.009,- minus voorschot van ƒ 5.875,- = ƒ 6.134,-- of € 2.783,48.

Daarnaast is aan extra kosten voor de notaris vanaf december 1998 een bedrag van

€ 2.159,99 in rekening gebracht.

De kosten voor de onzijdig persoon (€ 415,74) ter vertegenwoordiging van klager zijn door de notaris verrekend met het erfdeel van klager.

3. Het standpunt van klager

3.1. Bij de weergave van het standpunt van klager alsmede de beoordeling van het verzet zal de Kamer de nummering aanhouden zoals gehanteerd in de beslissing van de voorzitter d.d. 17 juni 2005 onder punt 2.2.

3.2. Klager persisteert bij de volgende klachtonderdelen:

1. Valsheid in geschrifte in de “verklaring van erfrecht” d.d. 12 februari 1996.

6. Het door de notaris op 21 november 2000 zonder handtekening of volmacht van klager wegnemen van ƒ 7.399,50 uit de nalatenschappen.

8. Valsheid in geschrifte in de “verklaring van erfrecht” d.d. 25 februari 2002 inzake de nalatenschap van mevrouw [M] en het residuo.

11. Valsheid in geschrifte door de notaris in de akte van verdeling d.d. 11 juni 2004.

12. Het door de notaris wegnemen van gelden - die op zijn bankrekening stonden - uit de nalatenschappen zonder handtekening van klager.

Ter toelichting voert hij het volgende aan:

3.3. Klachtonderdeel 1.

Klager stelt dat dit onderdeel reeds in de eerdere klachtbehandeling door de Kamer aan de orde is geweest.

De Kamer heeft bij beslissing van 6 juni 2001 geoordeeld dat de heer [Z] in de verklaring van erfrecht d.d. 12 februari 1996 ten onrechte als executeur-testamentair staat vermeld over het fideï-commisvermogen na het overlijden van de heer [M] en dat - daarmee verbonden - het executeursloon van ƒ 11.720,70 (€ 5.318,62) door de notaris fout is berekend. De notaris heeft destijds ook toegegeven dat de heer [Z] ten onrechte als executeur-testamentair staat vermeld en dat het executeursloon fout was berekend. Desondanks heeft de notaris in de akte van verdeling van 11 juni 2004 aan executeursloon het bedrag van € 5.318,62 opgenomen.

Klager is het niet eens met de beslissing van de voorzitter dat dit onderdeel van de klacht verjaard is. Hij stelt dat hij pas op 11 juni 2004 kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de notaris de eerdere uitspraak van de Kamer naast zich neer heeft gelegd.

3.4. Klachtonderdeel 6.

Klager stelt dat ook dit onderdeel reeds in de eerdere klachtbehandeling door de Kamer aan de orde is geweest. Volgens klager heeft de notaris blijkens het proces-verbaal van de behandeling destijds meegedeeld dat het bedrag van € 7.397,50 voor klager bestemd was.

Klager kan zich niet vinden in de beslissing van de voorzitter dat dit onderdeel van de klacht verjaard is. Hij stelt dat hij pas bij brief van 10 januari 2003, met als bijlage het rekeningoverzicht van de rekening van de nalatenschappen, kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de notaris het bedrag van € 7.397,50 volledig voor zichzelf heeft weggenomen.

3.5. Klachtonderdeel 8.

Klager stelt dat de executeur-testamentair in de nalatenschap van mevrouw [M], de heer [Z], niet blijkens een onderhandse akte van volmacht volmacht heeft verleend aan erfgenaam [N]. De heer [Z] heeft bij onderhandse akte van 25 november 1997 het beheer, het regelen en het afwikkelen van deze nalatenschap overgedragen aan de heren [B] en [N].

Verder bestaan er niet zes maar vijf onderhandse akten van volmacht van de erfgenamen inzake (alléén) de nalatenschap van mevrouw [M]. Deze vijf volmachten geven de heer [N] niet de beschikkingsbevoegdheid tot de algehele gemeenschap van goederen en de daarin vervatte nalatenschappen, samen met klager.

Bij de bank zijn zestien machtigingen van de erfgenamen/verwachters aanwezig, vervat in vijf volmachten inzake de nalatenschap van mevrouw [M]. Deze machtigingen leveren geen beschikkingsbevoegdheid op ten aanzien van het residuo, en derhalve niet tot de goederengemeenschap en de daarin vervatte nalatenschappen, aangezien er bij de bank daarnaast geen zestien verklaringen zijn dat het residuo tot de nalatenschap van mevrouw [M] behoort.

Klager voert aan dat de betreffende verklaring van erfrecht door de notaris bij brief van 23 mei 2002 aan zijn zwager is toegezonden, niet aan klager zelf. Klager heeft kort voor 23 januari 2003 kennis genomen van de inhoud van voornoemde brief, zoals blijkt uit de door hem overgelegde brief aan de notaris van 24 januari 2003. Klager is dan ook van mening dat artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt niet van toepassing is op dit klachtonderdeel.

3.6. Klachtonderdeel 11.

Volgens klager is er, anders dan de voorzitter heeft beslist, wel degelijk sprake van valsheid in geschrifte. De door de notaris ondertekende akte van verdeling kan namelijk op het punt van het onjuist vernoemen van het bestaan van een volmacht van klager aan de medewerkster van de notaris als oogmerk van de notaris gezien worden bestemd te zijn tot bewijs van enig feit (het bestaan van die volmacht van klager aan zijn medewerkster), waaraan dan ook nog enig recht is verbonden, hetgeen tot enig nadeel voor klager zal leiden. De akte van verdeling is door de comparanten door het ondertekenen gebruikt, tegelijk met het opmaken en ondertekenen van de akte door de notaris.

Ten aanzien van de overweging van de voorzitter dat het op de weg van klager had gelegen om bij het opmerken van onjuistheden in de akte de notaris te verzoeken deze te herstellen voert klager het volgende aan. De notaris heeft bij brief van 5 mei 2004 aan klager meegedeeld dat er niet meer gediscussieerd kan worden over de inhoud van de akte, nu de rechtbank de verdeling heeft vastgesteld.

3.7. Klachtonderdeel 12.

Klager stelt dat blijkens het vonnis van de rechtbank de onzijdig persoon alleen bevoegd was om klager te vertegenwoordigen bij de verdeling van de nalatenschappen. Dat is een op zichzelf staande verrichting. Mr. Van Gurp was alleen bevoegd om voor de verdeling te tekenen van de verdelingsgereedgemaakte nalatenschappen. Klager blijft derhalve zelf bevoegd met betrekking tot werkzaamheden in verband met de afwikkeling van de nalatenschappen. Klager dient daar dan ook zelf voor te tekenen.

Bovendien vallen formeel niet tot de nalatenschap behorende boedelkosten, zoals het honorarium van de notaris, buiten de nalatenschappen en derhalve buiten de verdeling daarvan.

Klager stelt dat de notaris zijn honorarium uit eigen beweging voor zichzelf heeft achtergehouden. De slotafrekening is niet getekend door klager, alleen door de heren [B] en [N].

Tenslotte stelt klager ten aanzien van de betaling door de notaris van het honorarium van mr. Van Gurp uit het erfdeel van klager dat het voldoen van het honorarium van de onzijdig persoon een zaak is tussen de rechtbank, de onzijdig persoon en klager. De notaris staat daar buiten. De medewerkster van de notaris is niet door klager gemachtigd om die betaling te verrichten.

4. Standpunt van de notaris

Alvorens inhoudelijk in te gaan op de punten van klager voert de notaris het volgende aan. De notaris heeft de uitspraak van de Kamer van 6 juni 2001 overgebracht aan de boedelbehandelaars [B] en [N]. Zij hebben, bevreesd voor verder uitstel, een advocaat in de arm genomen om de rechter de verdeling te laten vaststellen. Daarbij hebben zij gebruik gemaakt van het door de overige erfgenamen goedgekeurde concept. Vanaf dat moment heeft de notaris zich op het standpunt gesteld dat de nalatenschappen niet meer bij hem in behandeling waren. Bij vonnis van 9 juli 2003 is klager veroordeeld mee te werken aan de verdeling van de nalatenschappen, welke verdeling door de rechtbank in dat vonnis is vastgesteld. Bij vonnis van 18 februari 2004 heeft de rechtbank de benoeming van de onzijdig persoon ter vertegenwoordiging van klager gewijzigd in de benoeming van mr. Van Gurp. De boedelbehandelaars hebben de notaris verzocht de akte van verdeling te verlijden conform de door de rechtbank vastgestelde verdeling. Op 14 mei 2004 is klager op het kantoor van de notaris verschenen en weer huiswaarts gekeerd zonder ondertekening van de door de rechtbank vastgestelde akte van verdeling. De akte van verdeling is vervolgens op 11 juni 2004, met daarin optredend mr. Van Gurp voor klager, gepasseerd. De overige erfgenamen, behoudens de in de akte optredende heren [B] en [N], werden vertegenwoordigd door een medewerkster van de notaris op grond van een volmacht.

In eerste instantie is naar iedereen, zoals gebruikelijk, een conceptakte van verdeling gezonden, waarin was opgenomen dat de heren [B] en [N] in de akte zouden compareren en dat de overige gerechtigden vertegenwoordigd zouden worden door iemand die namens de betreffende gerechtigden de akte zou ondertekenen; dat is op zichzelf niet ongewoon. Na het gesprek op 4 oktober 2004 met de destijds fungerend voorzitter, waarin aan klager werd meegedeeld dat hij geen volmacht behoefde af te geven, is in de volgende concepten opgenomen dat de heren [B], [N] en klager zelf zouden compareren en dat de overigen vertegenwoordigd zouden worden. Klager zou dus, onvoorziene omstandigheden daargelaten, zelf de akte mogen ondertekenen.

De notaris betwist vervolgens de stellingen van klager als volgt.

Hij is van mening dat de klacht beperkt moet worden tot datgene wat er na de uitspraak van de rechtbank d.d. 9 juli 2003 is gebeurd. Klager heeft tijdens de betreffende procedure geen verweer gevoerd.

De notaris stelt ten aanzien van het executeursloon ad € 5.318,62 dat dat bedrag door hem - naar beneden - is bijgesteld na 4 oktober 2000, de datum waarop een gesprek tussen klager en de notaris met de destijds fungerend voorzitter van de Kamer heeft plaatsgevonden. In de conceptakte die door de rechtbank is goedgekeurd kwam het bedrag van € 5.318,62 abusievelijk weer terug. Dat bedrag is door de notaris na 11 juni 2004 uitgekeerd, na het passeren van de akte van verdeling.

De notaris voert verder aan dat de betalingen van de rekeningen van de nalatenschappen altijd zijn verricht door de boedelbehandelaars, niet door de notaris. Wel is het zo dat het geld uit de nalatenschappen op de rekening van de notaris werd gestort. Ter ondersteuning van zijn stelling heeft de notaris een brief van de heer [B] van april 2001 overgelegd, waarin deze uiteenzet wat er is gebeurd.

Ten aanzien van zijn declaratie merkt de notaris op dat deze bestond uit een voorschot en een einddeclaratie. Volgens de notaris is het gebruikelijk om zelf een voorschot te nemen op de declaratie.

Omtrent de stelling van klager dat mr. Van Gurp op grond van het vonnis van de rechtbank niet voor klager had mogen optreden merkt de notaris slechts op dat het gezien de zorgvuldigheid waarmee van de zijde van het kantoor Quarles en Jurgens het optreden van de onzijdig persoon is omkleed, hij zich van nader commentaar onthoudt. Dat geldt ook voor de uitspraak van de rechtbank.

Tenslotte voert de notaris aan dat het niet de bedoeling is van het instituut van onzijdig persoon om de nota eerst naar klager te sturen en deze niet gelijk te verrekenen.

5. De beoordeling

5.1. Klachtonderdeel 1.

De Kamer acht, anders dan de voorzitter heeft geoordeeld, klager ontvankelijk in dit onderdeel van zijn klacht, nu klager onweersproken heeft gesteld dat hij pas op 11 juni 2004 kennis heeft kunnen nemen van het handelen van de notaris waarover hij thans klaagt.

Vaststaat dat de notaris uitvoering heeft gegeven aan het vonnis van de rechtbank van 9 juli 2003. Dit vonnis betrof (de uitvoering van) een conceptakte waarvan de notaris wist, althans behoorde te weten dat die op het punt van het executeursloon onjuist was in verband met de eerdere uitspraak van de Kamer. Gelet op het feit dat de notaris nog steeds boedelnotaris was, had het op zijn weg gelegen om na de uitspraak van de Kamer een nieuwe conceptakte aan alle erfgenamen toe te sturen, met daarin het aangepaste bedrag aan executeursloon, zodat de verdeling volgens het juiste concept door de rechtbank zou worden vastgesteld. Door dit na te laten heeft de notaris onzorgvuldig gehandeld. Hem treft in dezen een verwijt.

5.2. Klachtonderdeel 6.

Voorzover de klacht van klager betrekking heeft op het feit dat de notaris zonder handtekening of volmacht van klager een bedrag van € 7.397,50 heeft weggenomen, overweegt de Kamer dat uit de stukken blijkt dat klager al bij brief van 26 februari 2001 aan de notaris heeft meegedeeld dat het betreffende bedrag teruggestort moest worden op de rekening bij de Regiobank. Gelet hierop kan de Kamer zich vinden in de beslissing van de voorzitter dat klager niet-ontvankelijk is in dit onderdeel van zijn klacht.

Voorzover de klacht van klager de stelling behelst dat de notaris het bedrag van

€ 7.397,50 voor zichzelf heeft weggenomen, overweegt de kamer als volgt.

Klager heeft onweersproken gesteld dat hij pas bij brief van 10 januari 2003 kennis heeft kunnen nemen van het handelen van de notaris waarover hij thans klaagt. De Kamer kan zich derhalve niet vinden in het oordeel van de voorzitter dat de klacht op dit punt verjaard is. Klager is derhalve ontvankelijk in dit onderdeel van zijn klacht.

Naar het oordeel van de Kamer is van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de notaris op dit punt echter niets gebleken. Gelet op de inhoud van de door klager overgelegde stukken, waaronder de slotafrekening behorende bij de akte van verdeling van 11 juni 2004, alsmede gelet op de gemotiveerde betwisting door de notaris op dit punt, is klager er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de notaris het bedrag van

€ 7.397,500 voor zichzelf heeft weggenomen. Integendeel, voornoemde stukken bieden steun voor het verweer van de notaris dat het desbetreffende bedrag naar hem is overgemaakt teneinde dit door te kunnen betalen aan klager. De klacht is op dit punt ongegrond.

5.3. Klachtonderdeel 8.

Klager heeft onweersproken gesteld dat hij pas kort voor 23 januari 2003 van het handelen van de notaris waarover hij thans klaagt heeft kennisgenomen. Klager wordt derhalve, anders dan de voorzitter heeft beslist, ontvankelijk geacht in dit onderdeel van zijn klacht.

Klager voert ter onderbouwing van zijn stelling dat de heer [Z] geen volmacht heeft verleend aan [N] aan, dat [Z] bij onderhandse akte van 25 november 1997 het beheer, het regelen en het afwikkelen van de nalatenschap heeft overgedragen aan [B] en [N]. Dit laatste sluit echter niet uit dat er bij de verklaring van erfrecht van 25 februari 2002 een onderhandse akte van volmacht van de heer [Z] is gevoegd en dat er dus door de heer [Z] volmacht is verleend. Klager heeft zijn stelling op dit punt dan ook onvoldoende onderbouwd.

Voorzover klager bedoelt te stellen dat in het proces-verbaal (verklaring van erfrecht) van 25 februari 2002 een fout staat, is dat juist. In die verklaring is onder het kopje volmacht op pagina 3 opgenomen dat sprake is van zeven aan de akte gehechte onderhandse akten van volmacht, hetgeen zeventien moet zijn. In de conclusie, onder de kop beschikkingsbevoegdheid, wordt deze fout echter correct hersteld. Voorzover de klacht ziet op deze fout is deze dan ook gegrond. De Kamer acht de ernst van het dienaangaande aan de notaris te maken verwijt echter niet zodanig dat deze enige straf of maatregel rechtvaardigt.

De stelling van klager dat geen sprake is van zes maar van vijf volmachten heeft kennelijk betrekking op de bij de verklaring van erfrecht gevoegde conceptakte van verdeling van 1998. De notaris heeft gemotiveerd aangegeven dat in de conceptakte in eerste instantie tot uitgangspunt is genomen dat alle erfgenamen zouden worden vertegenwoordigd door een medewerkster van het kantoor, doch dat dit concept later is aangepast in die zin dat klager zelf zou compareren.

Wat er ook zij van hetgeen overigens door klager ter ondersteuning van zijn klacht is aangevoerd, namelijk dat de bij de bank aanwezige machtigingen van de (overige) erfgenamen geen beschikkingsbevoegdheid opleveren ten aanzien van het residuo, dit rechtvaardigt evenmin de conclusie dat sprake is van valsheid in geschrifte, zoals door klager is gesteld. De klacht is op dit onderdeel eveneens ongegrond.

5.4. Klachtonderdeel 11.

Op zich is de stelling van klager dat de rechtbank de verdeling niet vaststelt, maar dat verdeling wordt bevolen conform de conceptakte, aan welke akte uitvoering dient te worden gegeven, juist. Niettemin kan de Kamer zich vinden in de conclusie van de voorzitter dat er ten aanzien van de door klager genoemde vermeldingen in de akte van verdeling geen sprake is van valsheid in geschrifte, nu niet aan de daartoe gestelde vereisten is voldaan.

De stelling van klager dat de notaris bij brief van 5 mei 2004 aan klager heeft meegedeeld dat er niet meer gediscussieerd kon worden over de inhoud van de akte kan evenmin leiden tot de conclusie dat de notaris op dit punt klachtwaardig heeft gehandeld. Klager heeft in de procedure bij de rechtbank de gelegenheid gehad verweer te voeren doch heeft verstek laten gaan.

5.5. Klachtonderdeel 12.

Bij vonnis van 9 juli 2003 is een onzijdig persoon benoemd om klager te vertegenwoordigen bij de verdeling van de nalatenschappen. Deze vertegenwoordiging betreft naar het oordeel van de Kamer niet alleen het tekenen van de verdelingsakte, maar tevens de (meeromvattende) handelingen die nodig zijn om uitvoering te geven aan de verdeling. Mr. van Gurp] was derhalve als onzijdig persoon bevoegd klager te vertegenwoordigen bij de handelingen zoals die zijn verricht.

De Kamer kan zich voorts vinden in het oordeel van de voorzitter dat het honorarium van de notaris en het executeursloon als boedelschulden moeten worden beschouwd. In principe is de notaris, indien het honorarium in de conceptakte van verdeling is opgenomen, bevoegd het betreffende bedrag voor zichzelf in te houden. In casu heeft de

notaris aan zichzelf echter een hoger bedrag aan honorarium doen toekomen dan op basis van de conceptakte geoorloofd was. Uit de slotafrekening blijkt dat de notaris aan extra kosten vanaf december 1998 nog een bedrag van € 1.815,12 in rekening heeft gebracht. Het had op de weg van de notaris gelegen om alvorens tot uitkering aan zichzelf van dit hogere bedrag over te gaan een declaratie aan alle erfgenamen te sturen. Door dit na te laten heeft de notaris naar het oordeel van de kamer onzorgvuldig gehandeld. De klacht is op dit punt gegrond.

Met betrekking tot de betaling van het salaris van de voor klager optredende onzijdig persoon uit het erfdeel van klager oordeelt de Kamer dat zij zich kan vinden in de beslissing van de voorzitter dat deze betaling moet worden gerekend tot de normale door de notaris in het kader van de afwikkeling van een nalatenschap te verrichten handelingen.

5.6. Uit het voorgaande volgt dat het verzet op twee onderdelen (deels) gegrond is. De Kamer acht de ernst van het dienaangaande aan de notaris te maken verwijt zo ernstig dat dit de maatregel van waarschuwing rechtvaardigt, mede gelet op het feit dat de notaris naar aanleiding van de vorige uitspraak van de Kamer met betrekking tot onderhavige kwestie extra alert had moeten zijn.

6. De beslissing

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Middelburg:

- verklaart het verzet gegrond, voorzover het betreft de klachtonderdelen 1 en 12, dit laatste voorzover dit ziet op de inhouding van een hoger bedrag aan honorarium dan op grond van de conceptakte geoorloofd was;

- legt de notaris de maatregel van waarschuwing op, door de voorzitter uit te spreken in de vergadering van deze Kamer te houden nadat de beslissing in kracht van gewijsde zal zijn gegaan.

Deze beslissing is gegeven door mr. H.A. Witsiers, plaatsvervangend voorzitter, mrs. A.L.R. Melens, J. van den Berg, D. Oostinga en H. Quispel, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.A.C.M. Maandag-Leussink, secretaris, en uitgesproken op 31 januari 2006.

de plaatsvervangend voorzitter is buiten staat te tekenen

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam (Prinsengracht 436, correspondentieadres Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen dertig dagen na dagtekening van de aangetekende brief waarbij deze beslissing aan u is toegezonden.