Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ0235

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2006
Datum publicatie
17-10-2006
Zaaknummer
079/06 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling van de gemeenschap na echtscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 5 oktober 2006 in de zaak onder rekestnummer 079/06 NOT van:

[X]

wonende te [plaats],

APPELLANTE,

t e g e n

1. MR. [A],

kandidaat-notaris te [plaats],

2. MR. [B],

notaris te [plaats],

3. MR. [C],

notaris te [plaats],

4. MR. [D],

kandidaat-notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDEN,

gemachtigde: mr. J.A.M.P. Keijser.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 17 januari 2006 ingekomen een verzoekschrift van de zijde van appellante, verder te noemen klaagster, waarbij zij tijdig hoger beroep instelt tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem, verder te noemen de kamer, van 22 december 2005, waarbij de klachten van klaagster tegen geïntimeerden, verder gezamenlijk te noemen de notarissen, gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond is verklaard.

1.2. Van de zijde van de notarissen is een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen op 22 februari 2006.

1.3. Van de zijde van klaagster zijn op 18 augustus 2006 en 22 augustus 2006 brieven – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 augustus 2006. Klaagster en geïntimeerden sub 1 en 2, alsmede de gemachtigde van de notarissen zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. Klaagster en de gemachtigde hebben dit gedaan aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster heeft bij brieven van 18 april en 3 mei 2005 gericht aan de kamer klachten ingediend. In de brief van 18 april 2005 worden vier als zodanig aangeduide klachten omschreven. In de brief van 3 mei 2005 worden negenen dertig als verwijten aangeduide klachten vermeld.

4.2. De verwijten genummerd 1 tot en met 24 – waarbij verwijt 4 twee maal voorkomt – hebben betrekking op het handelen van de notarissen nadat de rechtbank Arnhem op 22 februari 1996 tussen klaagster en haar ex-echtgenoot de echtscheiding heeft uitgesproken, waarbij is bevolen dat de ex-echtgenoten met elkaar overgaan tot de verdeling van de gemeenschap ten overstaan van een door henzelf te kiezen notaris. Voor het geval zij hierover niet tot overeenstemming zouden kunnen komen werd kandidaat-notaris sub 1, destijds nog notaris, benoemd. De verwijten van klaagster hebben - kort samengevat weergegeven - betrekking op de gang van zaken op het kantoor van de genoemde (kandidaat)-notaris, de verrekening van de inboedel, de correspondentie die met klaagster is gevoerd en de partijdige opstelling die de (kandidaat-) notaris jegens klaagster zou hebben aangenomen, en zien alle op gedragingen in de periode vanaf mei 1997 tot en met februari 2002.

4.3. Op 17 juni 2004 heeft klaagster zich opnieuw tot (kandidaat-)notaris sub 1 gewend met vragen over de gang van zaken rondom de boedelverdeling. Hierop volgde een correspondentie waarin de (kandidaat-)notaris eerst weigerde inhoudelijk in te gaan op de vragen van klaagster en vervolgens mededelingen deed die voor klaagster geheel nieuw waren, doch - volgens haar - geen antwoord waren op haar eerder gestelde vragen. Per brief van 1 oktober 2004 heeft klaagster zich gewend tot de voorzitter van het dagelijks bestuur van het notariskantoor, notaris sub 3. Bij schrijven van 11 november 2004 ontving klaagster een reactie op haar brief, inhoudende dat het dagelijks bestuur het niet verstandig achtte in te gaan op de door klaagster gestelde vragen. Vervolgens heeft klaagster de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, hierna: KNB, benaderd. In de reactie van notaris sub 3 aan de KNB zijn – volgens klaagster - onjuistheden vermeld. Op het voorgaande hebben de verwijten 25 tot en met 34 betrekking.

4.4. In de verwijten 35 tot en met 38 alsmede klacht 4 beklaagt klaagster zich over de gang van zaken rondom het opstellen van de verdelingsakte, waarin met name kandidaat-notaris sub 4 en notaris sub 2 een rol hebben gespeeld. Klaagster stelt dat beiden zich niet hebben verdiept in de stukken, dat klaagster onder druk is gezet en dat de definitieve akte, voor wat betreft de pensioenrechten, afweek van de ontwerpakte.

4.5. De klachten genummerd 1 en 2 hebben betrekking op de telefonische overboeking van een bedrag van € 72.785,88 naar de rekening van klaagster. In strijd met de gemaakte afspraken is dit bedrag telefonisch overgemaakt op 31 december 2003, terwijl dit bedrag pas na 2 januari 2004 op de rekening van klaagster zou worden gestort. Notaris sub 2 is direct hiervan in kennis gesteld door klaagster en zou proberen hier wat aan te doen, echter zonder resultaat.

4.6. Ten slotte stelt klaagster in klacht 3 dat weliswaar de notarissen sub 2 en 4 met haar hebben gesproken over de gevolgen voor de inkomstenbelasting doch dat zij hebben nagelaten haar erop te wijzen dat zij als gevolg van de verdeling een belastbare vordering verkreeg en de datum van betaling daarop geen invloed had.

4.7. In hoger beroep stelt klaagster dat zij pas door de brief van de zijde van de notarissen van 14 juli 2005, gericht aan de kamer, voor het eerst informatie onder ogen heeft gekregen waaruit blijkt dat (kandidaat-)notaris sub 1 op basis van onjuiste en ontbrekende gegevens te werk is gegaan. Reeds hierom kan van verjaring van haar klacht, aldus klaagster, geen sprake zijn.

4.8. Tijdens de mondelinge behandeling door het hof heeft klaagster haar beklag gedaan over de gang van zaken in eerste aanleg. Zij stelt ter zitting van de kamer geen kennis te hebben gehad van een brief van de kamer aan de notarissen waarin hun in het bijzonder werd verzocht om in te gaan op de verwijten 25 tot en met 38. De notarissen hebben hiervan gebruik kunnen maken ter zitting van de kamer, dit ten nadele van klaagster.

Voorts heeft klaagster ter zitting erop gewezen dat in haar optiek de verjaringstermijn ex artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt, hierna Wna, niet van toepassing is nu de gedragingen van de notarissen zich ten dele hebben voorgedaan voordat de Wna in werking trad.

5. Het standpunt van de notarissen

5.1. Ten aanzien van de verwijten 1 tot en met 24 stellen de notarissen dat deze zijn verjaard, gezien het bepaalde in artikel 99 lid 12 Wna. Voor zover de verwijten 25 tot en met 38 eveneens zijn gebaseerd op de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vóór 3 mei 2002 dient klaagster eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard in deze verwijten.

5.2. Wat betreft verwijt 25 en 30 stellen de notarissen dat het (kandidaat-)notaris sub 1 vrijstond om te stellen dat hij er niets voor voelde om de zaak nogmaals door te nemen. Partijen hebben immers hun standpunten kunnen voorleggen aan de rechtbank en het hof, die vervolgens hebben beslist. Een voortgezette discussie zou verder geen toegevoegde waarde hebben.

5.3. De notarissen interpreteren de verwijten 27, 28 en 31 als het onvoldoende toepassen van hoor en wederhoor, dan wel partijdigheid. Verwijzend naar de correspondentie die de (kandidaat-)notaris sub 1 heeft gevoerd met partijen stellen zij dat het beginsel van hoor en wederhoor wel degelijk in voldoende mate is toegepast en dat daarbij onpartijdig is gehandeld.

5.4. Verwijt 29 ziet op handelingen die vóór 3 mei 2002 zijn verricht. Voorts valt uit het dossier niet meer op te maken welke stukken destijds precies door de ex-echtgenoot van klaagster zijn verstrekt.

5.5. Wat betreft de reactie van het dagelijks bestuur van het notariskantoor – verwijten 32, 33 en 34 – stellen de notarissen dat er uiteindelijk wel degelijk is gereageerd op de brieven van klaagster. De strekking van deze correspondentie is dat het dagelijks bestuur het niet nodig achtte in te gaan op een zaak van bijna 8 jaar geleden, mede gelet op het feit dat partijen in twee instanties uitvoerig hebben geprocedeerd.

5.6. De verwijten 35, 36, 37 en 38 zijn, volgens de notarissen, te beschouwen als een aanvulling op hetgeen is geformuleerd in klacht 4.

Wat betreft verwijt 37 met betrekking tot de wettelijke rente stellen de notarissen dat het onjuist is dat klaagster notaris sub 2 hierop heeft moeten wijzen. In het betrokken arrest van het hof te Arnhem wordt immers in voorwaardelijke zin gesproken over wettelijke rente, en wel ten laste van de vrouw. Vóór het passeren van de akte bleek dat er ten laste van de vrouw geen rente betalingsplicht bestond, althans dat partijen het er niet over eens waren dat deze plicht bestond. Dit heeft geleid tot de formulering zoals opgenomen in de akte van 29 december 2003.

5.7. Voorts bevestigen de notarissen dat zij positief hebben gereageerd op het verzoek van klaagster om het bedrag ad € 72.785,88 via een gewone overboeking over te maken op haar rekening, en wel zodanig dat zij het geld op 2 januari 2004 op haar rekening zou hebben. Vervolgens is het geld per telefonische overboeking op 30 december 2003 overgemaakt. Dit is het gevolg van een misverstand bij de administratie van het notariskantoor. Vervolgens heeft notaris sub 2 getracht de bank de betaling te laten terugdraaien. Dit bleek echter niet mogelijk.

5.8. Ten aanzien van klacht 3 stellen de notarissen dat het onjuist is dat zij klaagster niet gewezen zouden hebben op het feit dat de vordering op het moment van het passeren van de akte reeds bestond. Volgens de notarissen was zij zich wel degelijk bewust hiervan en wilde zij, om haar moverende redenen, de gelden pas na de fiscale peilmomenten zichtbaar op haar rekening hebben. De stelling van klaagster dat haar vordering pas zou ontstaan door ondertekening van de akte is onjuist. Deze vloeide immers voort uit het arrest van het hof Arnhem van 9 september 2003, dat ten tijde van het ondertekenen van de akte reeds in kracht van gewijsde was gegaan. De datum van de akte heeft dan ook geen invloed gehad op het ontstaan van de vordering.

De notarissen stellen dat de gang van zaken rondom de betaling geen schoonheidsprijs verdient, doch zeker niet heeft geleid tot enige schade bij klaagster.

5.9. Ten aanzien van klacht 4 – de gang van zaken rondom de akte van verdeling – stellen de notarissen dat er uitvoering overleg is gepleegd met klaagster. Het eerste ontwerp van de akte van verdeling is per aangetekende post aan klaagster gezonden. Daarop is zij op 23 december 2004 naar het notariskantoor gekomen en heeft zij met kandidaat-notaris sub 4 gesproken over de inhoud van de akte en met name over de pensioenkwestie en de finale kwijting. Naar aanleiding van dit gesprek is op 24 december 2004 een nieuw ontwerp aan klaagster gezonden. Vervolgens is op 29 december 2004 de akte getekend. De ex-echtgenoot van klaagster verbleef op dat moment in een andere ruimte van het notariskantoor in verband met het tekenen van een akte van hypotheek die zou volgen op de verdeling. Naar aanleiding van de ontwerpakte van 24 december 2004 heeft de ex-echtgenoot van klaagster laten weten dat, in zijn optiek, gelet op het arrest van het hof te Arnhem van 9 september 2003 over de peildatum ten aanzien van de omvang van de gemeenschap, pensioenverevening moest geschieden volgens de regels van “Boon -van Loon”. Dit standpunt is besproken met klaagster voorafgaand aan het passeren van de akte, en dit heeft geleid tot de tekst zoals deze uiteindelijk in de akte terecht is gekomen. Hierbij heeft kandidaat-notaris sub 4 uitvoerig uitgelegd dat, omdat partijen het niet eens waren over de te hanteren systematiek van de pensioenverdeling en onduidelijk was aan welke opgave van het ABP de rechtbank in haar vonnis van 23 december 2000 refereerde, het op dat moment voor de hand lag om het arrest van het hof te Arnhem uit te voeren en voor het overige geen definitieve standpunten in te nemen. Klaagster is hiermee akkoord gegaan. Van enige druk van de zijde van de notarissen is hierbij geen sprake geweest.

5.10. Ten aanzien van de stelling van klaagster in hoger beroep dat van verjaring geen sprake kan zijn vanwege het bij de kamer overgelegde schrijven van 14 juli 2005 van de zijde van de notarissen wijzen de notarissen erop dat klaagster geen belang heeft bij deze stelling nu de behandeling van de klacht door de kamer heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2005, ruimschoots na genoemd schrijven, zodat zij voldoende de tijd heeft gehad om zich in deze brief te verdiepen en ter zake daarvan verweer te voeren.

6. De beoordeling

6.1. Voor zover klaagster bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken in eerste aanleg, in het bijzonder het verwijt dat zij ter zitting van de kamer geen kennis heeft gehad van een brief van de kamer aan de notarissen waarin hun in het bijzonder werd verzocht in te gaan op de verwijten 25 tot en met 38, behoeft dit bezwaar van klaagster geen nadere bespreking, nu deze door haar gestelde tekortkomingen ten gevolge van de behandeling in hoger beroep zijn hersteld.

6.2. Het onderzoek in hoger beroep heeft voorts, naar het oordeel van het hof niet geleid tot vaststelling van andere feiten, dan wel andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt. Het hof tekent hierbij aan dat de stellingen van klaagster dat zij pas vanwege de brief van de zijde van de notarissen aan de kamer van 14 juli 2005 voor het eerst informatie onder ogen kreeg waaruit blijkt dat (kandidaat-)notaris sub 1 op basis van onjuiste en ontbrekende gegevens te werk is gegaan en dat reeds hierom geen sprake is van verjaring, dit oordeel niet kan veranderen.

Nu klaagster haar ongenoegen heeft geuit over de wijze waarop de notarissen de afwikkeling van de echtscheiding hebben behandeld en daarover reeds met hen heeft gecorrespondeerd in 1997 moet ervan worden uitgegaan dat klaagster reeds toen bekend was met het handelen van de notarissen waarop haar klacht betrekking heeft.

6.3. De stelling van klaagster dat de verjaringstermijn niet toepasselijk is omdat de gedragingen van de notarissen zich ten dele hebben voorgedaan voordat de Wna in werking is getreden, gaat eveneens niet op, nu de Wna onmiddellijke werking heeft en op grond daarvan de ingevoerde vervaltermijn ook geldt voor klachten over gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van de wet.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.5. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.A.M. Schipper, J.C.W. Rang en W.H.F.M. Cortenraad en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 5 oktober 2006 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE ARNHEM

Kenmerk: 07.831/2005/360

Beslissing van de Kamer van Toezicht te Arnhem in de zaak van:

[X] te [plaats],

klaagster,

tegen

[A], notaris te [plaats],

[B], notaris te [plaats],

[C], notaris te [plaats],

[D], kandidaat-notaris te [plaats],

hierna verweerders.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken

- de brief met bijlagen van klaagster van 18 april 2005, waarbij klachten zijn ingediend,

- de brief met bijlagen van mrs. [B] en [D] van 29 april 2005

- de brief van 3 mei 2005 van klaagster met aanvullende klachten en bijlagen

- de brief van mr. [B] van 8 juni 2005

- de brief van klaagster van 22 juni 2005, met bijlage

- de brief met bijlagen van mr. [B], mede namens overige verweerders, van 14 juli 2005

- brief met bijlagen van mr. J.A.M.P. Keijser, advocaat van verweerders, van 27 oktober 2005.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van de Kamer van Toezicht op 31 oktober 2005. Ter zitting is klaagster verschenen. Mr Keijser is namens alle verweerders ter zitting verschenen en heeft een pleitnota overgelegd. Verweerders mrs. [B], [C] en [D] waren ter zitting ook zelf aanwezig. [A] was niet zelf aanwezig op de zitting.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 1 oktober 1996 is het huwelijk van klaagster met de heer [Y] ontbonden. In de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Arnhem van 22 februari 1996 is voor de verdeling van de ontbonden

algehele gemeenschap van goederen van klaagster en de heer [Y] [A] benoemd tot boedelnotaris.

2.2. [A] heeft bij proces-verbaal van niet-vereniging van 30 januari 1998 geconcludeerd dat hij klaagster en de heer [Y] niet heeft kunnen verenigen terzake van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

2.3. Bij vonnis van 23 november 2000 heeft de rechtbank Arnhem de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van klaagster en de heer [Y] gelast op de wijze zoals door de rechtbank in het vonnis is bepaald. De rechtbank heeft daarbij verstaan dat de pensioenverevening zal plaatsvinden volgens de opgave van het ABP.

2.4. Het hof Arnhem heeft bij arrest van 9 september 2003 de verdeling gelast van de huwelijksgemeenschap van klaagster en de heer [Y] zoals door de rechtbank Arnhem bij vonnis van 23 november 2000 is bepaald, met dien verstande dat het hof (onder meer) voor een aantal goederen heeft bepaald voor welke waarde die in de verdeling betrokken dienen te worden. Het hof heeft vervolgens de heer [Y] uit hoofde van diens overbedeling veroordeeld aan klaagster een bedrag van € 73.342,45 te voldoen.

2.5. Naar aanleiding van het arrest van 9 september 2003 van het hof Arnhem over de verdeling, is ten overstaan van mr. [B], kantoorgenoot van [A], op 29 december 2003 de akte afwikkeling echtscheiding verleden. De akte is voorbereid door mr. [D]. In de akte, die door klaagster zelf is ondertekend, en die namens de heer [Y] door mr. [D] als diens gevolmachtigde is getekend, is de door het gerechtshof gelaste verdeling geëffectueerd. In de akte staat ten aanzien van kwijting voor één en ander:

“6.1. Kwijting

Comparanten verklaren handelend als gemeld, dat de onderhavige

verdeling geschiedt ter uitvoering van en conform het arrest van het

Gerechtshof te Arnhem van negen september tweeduizend drie (...).

Partijen verlenen elkaar ter zake van bovenstaande verdeling (althans

terzake van hetgeen daarin blijkens de het bovenstaande is betrokken) bij

deze kwijting, doch uitrdukkelijk met uitzondering van:

(...)

- de pensioenverevening (volgens Boon- Van Loon of volgens de Wet

pensioenverevening).

(...)

Comparante [X] behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om alsnog

verdeling te vorderen van zaken die (nog) niet in de tussen partijen

gewezen rechterlijke uitspraken verdeeld zijn. ”

2.6. Met (medewerkers van) mr. [B] heeft klaagster afgesproken dat het haar toekomende bedrag van € 73.342,45, na aftrek van kosten bedragende € 72.785,88, via het kantoor van mr. [B] uitbetaald zou worden na 2 januari 2004. Het bedrag van € 72.785,88 is door telefonische overboeking van het kantoor van mr. [B] al op 31 december 2003 bijgeschreven op een bankrekening van klaagster.

3. De klachten

3.1. Klaagster verwijt verweerders, die allen werkzaam zijn op hetzelfde kantoor, dat zij haar belangen niet goed hebben behartigd en daarmee hun zorgplicht jegens haar hebben geschonden, dan wel dat zij anderszins onbetamelijk jegens haar hebben gehandeld. Bij haar brief van 18 april 2005 stelt klaagster daartoe dat tegen de afspraak in al op 31 december 2003 het bedrag van € 72.785,88 aan haar is betaald, ondanks toezeggingen van de zijde van verweerders dat dit niet zou gebeuren. Volgens klaagster lijdt zij daardoor schade omdat zij door betaling van dat bedrag in 2003, een hoger bedrag aan inkomsten-belasting over 2003 heeft moeten betalen. Klaagster stelt ook dat van de zijde van verweerders is nagelaten om haar te wijzen op de belastingconsequenties met betrekking tot het haar toekomende bedrag van € 73.342,45. Volgens klaagster heeft zij de consequenties van de belastingdienst moeten vernemen en heeft die haar geadviseerd om het bedrag pas in 2004 uit te laten betalen. Klaagster stelt verder dat zonder overleg met haar de op 29 december 2003 ter ondertekening aan haar voorgelegde akte een andere tekst over de pensioenrechten bevatte dan de laatste aan haar toegestuurde ontwerpakte. Voor haar verwijt dat verweerders in strijd met hun zorgplicht of anderszins onbetamelijk hebben gehandeld tegenover haar, beroept klaagster zich bij haar brief van 3 mei 2005 op correspondentie en telefoongesprekken die tussen haar en (een of meer van) verweerders gevoerd zijn vanaf het moment dat het kantoor van verweerders betrokken raakte bij de afwikkeling van de echt-scheiding van klaagster en de heer [Y].

3.2. Verweerders voeren gemotiveerd verweer, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4. De beoordeling van de klachten

4.1. Volgens art. 98 lid 1 Wna zijn notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrecht onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk (kandidaat-)notaris niet betaamt. De Kamer dient dus te onderzoeken of de handelwijze van verweerders verwijtbare gedragingen in de zin van dit artikel oplevert.

4.2. In opvolging (met enige tijd daartussen) zijn [A] en mr. [B], de laatste gezamenlijk met mr. [D], betrokken geweest bij de afwikkeling van de echtscheiding van klaagster en de heer [Y]. Klaagster heeft over de wijze waarop zij de afwikkeling hebben behandeld haar ongenoegen geuit en daarover gecorrespondeerd met (onder andere) hen en met mr. [C], voorzitter van het bestuur van het kantoor van verweerders. Voor zover de klachten van klaagster zien op gedragingen in de periode van vóór 3 mei 2002, zijn die klachten gelet op de termijn van drie jaar in art. 99 lid 12 Wna, verjaard. De kamer kan daarom de klachten – in de brief van 3 mei 2005 verwijten genoemd – onder 1 tot en met 24 (waaronder twee keer een verwijt met nummer 4) niet in behandeling nemen. Klaagster zal wat die klachten betreft, niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.3. De klachten (verwijten) 25 tot en met 34 in de brief van 3 mei 2005 van klaagster zien op gedragingen van na 3 mei 2002, te weten op de aanvankelijke weigering van [A] om, zoals klaagster hem bij brief van 17 juni 2004 had verzocht, de gang van zaken die heeft geleid tot het proces-verbaal van niet-vereniging van 30 januari 1998 nog eens na te gaan, op de correspondentie die vervolgens met klaagster gevoerd is door [A] en (een of meer van) de andere verweerders naar aanleiding van de door [A] bij brief van 24 augustus 2004, op aandringen van klaagster, alsnog gegeven zienswijze op de gang van zaken in 1997, en zien op de correspondentie die naar aanleiding daarvan gevoerd is door (één of meer van) verweerders. Die correspondentie heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat van de zijde van verweerders bij brief van 11 november 2004 door mr. [C] aan klaagster is geschreven dat het niet meer verstandig is om verder in te gaan op de door klaagster gestelde vragen met betrekking tot de gang van zaken in 1997.

4.4. Gelet op de ratio van artikel 99 lid 12 Wna, dat het na verloop van tijd onmogelijk is om een feitelijke toedracht naar behoren vast te stellen, is de aanvankelijke weigering van [A] om de gang van zaken in 1997 nog eens na te gaan, omdat hij na zeven jaar geen helder beeld meer heeft van de zaak, zoals hij aan klaagster heeft geschreven bij brief van 2 juli 2004, niet onbehoorlijk. Omdat [A] in zijn brief van 2 juli 2004 al had aangegeven waarom hij niet meer naar de zaak uit 1997 zou kijken, is ook het feit dat hij niet direct heeft gereageerd op een brief nadien van klaagster, van 5 juli 2004, waarin klaagster naar aanleiding van de brief van 2 juli 2004 heeft aangegeven dat zij het er niet mee eens is dat [A] de zaak niet meer wilde bekijken, niet als onbetamelijk te betitelen. Uiteindelijk heeft [A] bij brief aan klaagster van 24 augustus 2004, na alsnog naar de zaak gekeken te hebben, aangegeven waarom het volgens hem niet mogelijk was om partijen in 1997 met betrekking tot de verdeling op één lijn te krijgen. Die brief kan niet als onbehoorlijk of ontijdig worden bestempeld. Dat klaagster vindt dat niet al haar vragen over de gang van zaken in 1997 beantwoord zijn in die brief, doet daar niet aan af. [A] had immers al geschreven dat hij niet meer goed op hoogte was van de zaak, en dat kan hem, gelet op de ratio van art. 99 lid 12 Wna, niet kwalijk worden genomen. In dat licht bezien was het ook niet onbehoorlijk van [A] om in zijn brief van 9 september 2004 aan klaagster te schrijven dat zijn brief van 24 augustus 2004, als reactie op een brief van klaagster van 31 augustus 2004, zijn voorlaatste brief was in deze zaak en dat hij het er verder bij zou laten na nog medegedeeld te hebben dat hij zelf bepaalt hoe hij een zaak behandelt en dat hij daarbij zorgvuldig pleegt te handelen. Voor de correspondentie die vervolgens door (een of meer van) verweerders met klaagster gevoerd is als reactie op brieven en een of meer telefoontjes van klaagster in verband met de laatste brief van [A], eindigend, althans van de zijde van verweerders, met de brief van 11 november 2004 van mr. [C], waarin zij heeft geschreven dat het niet meer verstandig is om verder in te gaan op de vragen van klaagster met betrekking tot de gang van zaken in 1997, geldt, gezien al het vorenstaande, dat ook die correspondentie niet onbetamelijk is en de beantwoording niet onaanvaardbaar lang heeft geduurd. Dit alles brengt mee dat de klachten (verwijten) 25 tot en met 34 in de brief van 3 mei 2005 van klaagster, ongegrond zijn.

4.5. De klachten (verwijten) 35 tot en met 38 in de brief van klaagster aan de Kamer van 3 mei 2005, alsmede klacht 4 in de brief aan de Kamer van 18 april 2005, hebben betrekking op de gang van zaken rond het opstellen van de verdelingsakte. Klaagster vindt dat de zorgplicht jegens haar geschonden is omdat de haar op 29 december 2003 op het kantoor van verweerders ter ondertekening voorgehouden verdelingsakte met betrekking tot de pensioenrechten was gewijzigd ten opzichte van het laatste aan haar toegezonden concept, zonder voorafgaand overleg met haar. Volgens klaagster was daarbij ook afgeweken van hetgeen het hof Arnhem in zijn arrest van 9 september 2003 heeft bepaald over de verdeling, omdat door die wijziging de pensioenrechten niet meer verevenend zouden worden conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvp), zoals volgens klaagster op grond van het arrest van het hof Arnhem van 9 september 2003 had gemoeten, maar verrekend zouden worden op de voet van het arrest Boon-Van Loon van de Hoge Raad. Klaagster verwijt verweerders daarom ook dat zij de stukken niet goed gelezen hebben. Daarbij vindt klaagster dat zij onder druk is gezet om op 29 december 2003 op kantoor te verschijnen voor de ondertekening van de verdelingsakte.

4.6. Uitgangspunt is dat het niet aan de Kamer als tuchtrechter is om te oordelen of de pensioenrechten van klaagster en de heer [Y] verevend moeten worden ingevolge de Wvp of dat die verrekend moeten worden op de voet van het arrest Boon—Van Loon. Dat oordeel zal gegeven moeten worden in de civiele procedure die daarover tussen klaagster en de heer [Y] aanhangig is. Bij de beoordeling van de gestelde schending van de zorgplicht bij het opstellen van (een of meer concepten van) de verdelingsakte zal dan ook buiten beschouwing worden gelaten of in een ontwerpakte met betrekking tot de pensioenrechten een fout is gemaakt.

4.7. In het eerste ontwerp van de verdelingsakte, die aan klaagster op 17 december 2003 bij gewone post en op 22 december 2003 per aantekende post is verzonden, was met betrekking tot de pensioenrechten opgenomen dat die verrekend zouden worden op de voet van het arrest Boon-Van Loon. Omdat klaagster het daar niet mee eens was, heeft zij op 23 december 2003 op kantoor daarover gesproken met mr. [D]. Dat gesprek heeft ertoe geleid dat het concept in die zin werd aangepast dat daarin kwam te staan dat de pensioenrechten verevend zouden worden overeenkomstig de Wvp (het tweede concept, de dato 24 december 2003). Na ontvangst van het tweede concept heeft de heer [Y] kenbaar gemaakt dat hij met de wijziging ten aanzien van de pensioenrechten niet kon instemmen. Volgens hem moeten die verrekend worden overeenkomstig het arrest Boon-Van Loon. Als gevolg van de onenigheid over hoe de pensioenrechten in de afwikkeling van de echtscheiding betrokken zouden worden, konden mr. [D] en mr. [B] niet anders dan de pensioenkwestie buiten de verdelingsakte houden, te meer omdat er twee verschillende opgaves van het ABP waren, en de tekst in de akte in die zin aanpassen. Dat die aanpassing niet eerst in concept is toegezonden aan klaagster kan in strijd zijn met de zorgplicht die (kandidaat-)notarissen hebben te betrachten. Hier is dat echter niet het geval. Gelet op de lange duur van de afwikkeling van de echtscheiding was het een terecht streven van mr. [B] en mr. [D] om in het belang van partijen in ieder geval tot verdeling te komen van die zaken waar klaagster en de heer [Y] wel overeenstemming over hadden. Daarbij past niet het blijven toesturen van gewijzigde conceptakten, maar veeleer het komen tot een gesprek over het doornemen van de mogelijkheden voor een (partiële) verdeling. Begrijpelijk is daarom dat mr. [D] er moeite voor gedaan heeft om klaagster, die inmiddels geen goed gevoel meer had over de verdeling, ertoe te bewegen wel op kantoor te komen op 29 december 2003. Dat klaagster dat als onder druk zetten heeft ervaren mag zo zijn, maar de overreding door mr. [D] was, gelet op het terechte streven om in ieder geval te komen tot een partiële verdeling, niet onzorgvuldig of onbetamelijk tegenover klaagster. Op 29 december 2003 is in een gesprek van twee en een half (in aparte kamers) met klaagster en de heer [Y] de verdelingsakte doorgesproken. Dat eindigde in de onder-tekening van de verdelingsakte, waarbij op verzoek van klaagster onder punt 6. met betrekking tot de niet verdeelde zaken nog een bepaling is opgenomen. Hieruit spreekt niet dat onzorgvuldig of onbetamelijk jegens klaagster is gehandeld op 29 december 2003. Dat blijkt ook uit de verklaring van klaagster dat zij zich ten tijde van de ondertekening van de verdelingsakte niet onder druk gezet voelde. Dit alles brengt mee dat de klachten (verwijten) 35 tot en met 38 in de brief van klaagster aan de Kamer van 3 mei 2005 en klacht 4 in de brief van 18 april 2005 ongegrond zijn.

4.8. De klachten 1 en 2 in de brief aan de Kamer van 18 april 2005 zien op de telefonische overboeking naar een rekening van klaagster op 31 december 2003 van het bedrag van € 72.785,88. Klaagster had verzocht om dat bedrag pas na 2 januari 2004 op haar bankrekening te storten. Als gevolg van een vergissing op het kantoor van verweerders is het bedrag al op 31 december 2003 door een telefonische overboeking op een rekening van klaagster bijgeschreven. Mr. [B] heeft getracht dat nog terug te draaien, maar dat bleek niet meer mogelijk.

4.9. Weliswaar is er op het kantoor van verweerders een fout gemaakt bij de uitbetaling van het bedrag, door de betaling op 31 december 2003 telefonisch te verrichten waardoor het al op die datum werd bijgeschreven op een bankrekening van klaagster, maar de wijze waarop mr. [B] na onderkenning van de fout heeft geprobeerd om die te herstellen, maakt dat de handelwijze rondom de uitbetaling van het bedrag niet dusdanig onzorgvuldig genoemd kan worden dat het klachtwaardig is. Daarbij heeft klaagster ook geen schade geleden door de fout, omdat de vordering uit overbedeling voor klaagster niet voor het eerst gevolgen voor de inkomstenbelasting heeft gekregen op het moment dat het netto bedrag door haar werd ontvangen. Voor 1 januari 2004 had immers in het andere geval een vordering op de heer [Y] van hetzelfde bedrag tot haar vermogen behoord. Klacht 1 en 2 in de brief aan de Kamer van 18 april 2005 zijn daarom ongegrond.

4.10. Resteert klacht 3 in de brief van 18 april 2005, dat van de zijde van verweerders klaagster niet zou zijn gewezen op de belasting-gevolgen die de verdeling voor klaagster heeft. Van de zijde van verweerders wordt dat bestreden. Volgens mr. [B] en mr. [D] hebben zij klaagster daar wel op gewezen en heeft zij er vervolgens zelf voor gekozen om het geld pas “zichtbaar” op een bankrekening te hebben in 2004.

4.11. Nu de verklaringen van klaagster en verweerders over het wijzen op belastinggevolgen tegenstrijdig zijn en uit de overgelegde stukken niet valt op te maken wie er gelijk heeft, maar het wel duidelijk is dat klaagster om haar moverende redenen pas in 2004 het bedrag op haar bankrekening bijgeschreven wilde hebben, is niet gebleken dat (een of meer van) verweerders nalatig en daarmee onzorgvuldig zijn geweest tegenover klaagster bij hun plicht om klaagster te wijzen op de

rechtsgevolgen van de verdeling, waaronder begrepen de belasting-consequenties. Klacht 3 in de brief van 18 april 2005 aan de Kamer is daarom ongegrond.

5. De beslissing

De Kamer van Toezicht

verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klachten (verwijten) 1 tot en met 24 (waaronder twee keer een verwijt met nummer 4) tegen verweerders, zoals verwoord in de brief van klaagster van 3 mei 2005 aan de Kamer;

verklaart voor het overige de klachten tegen verweerders ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn, plv. voorzitter, mrs. R.F.M. Brugman, J.G.T.M. Castrop en W.H. van Empel en de heer E. Bos, leden, en in tegenwoordigheid van mr. M.J. Daggenvoorde plv. secretaris, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2005.