Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY9723

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
04/01807
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt dat zij de

economische) eigendom van een aandelenbezit medio 1998 rechtstreeks heeft

verworven. Het Hof oordeelt dat het aandelenbezit eerst eind 1998 door de

digra aan belanghebbende zijn doorgeleverd en dat een inmiddels opgetreden

waardevermindering niet voor rekening van belanghebbende kan komen.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/4.1.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X Beheer B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is op 12 mei 2004 ter griffie van het Gerechtshof een beroepschrift ingekomen, ingediend door mr. drs. (Partners Belastingadviseurs) te als haar gemachtigde en aangevuld bij brief van gemachtigde van 9 juli 2004. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 1 april 2004, betreffende de met dagtekening 19 juli 2003 aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschaps-belasting voor het jaar 1999.

1.2. De aanslag is opgelegd en berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 236.034. Na bezwaar heeft de inspecteur de aanslag bij de bestreden beschikking gehandhaafd. In de aanslag, het daartegen ingediende bezwaar en de uitspraak op het bezwaar liggen respectie-velijk een verliesvaststellingsbeschikking, een bezwaar tegen deze verliesvaststellings-beschikking en een uitspraak op dat bezwaar besloten.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar nihil en tot vaststelling van een verlies over het jaar 1999 van – naar het Hof begrijpt – ƒ 13.966.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

1.5. Het beroep is behandeld ter zitting van 12 april 2006. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, welk proces-verbaal aan deze uitspraak is gehecht.

1.6. Van belanghebbende zijn nadere stukken ontvangen bij brief van 20 april 2006. Een kopie van deze stukken is aan de inspecteur verzonden.

1.7. Van de inspecteur is een nader stuk ontvangen bij diens brief van 24 mei 2006. Een kopie hiervan is aan belanghebbende toegezonden.

1.8. Ter nadere zitting van 7 juni 2006 heeft het Hof mr. drs. A, notaris te B (hierna: de notaris), als getuige gehoord en zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich – over en weer – over de verklaring van de getuige uit te laten. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgesteld dat aan deze uitspraak is gehecht. Tevens is aan deze uitspraak een transcriptie van het proces-verbaal van het getuigenverhoor gehecht.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende hield 25 percent van de aandelen in C B.V. (hierna: C BV), welke vennootschap zich onder meer bezighoudt met vermogensbeheer ten behoeve van derden, het beheer van een omvangrijke assurantie-portefeuille, het begeleiden van fusies en overnames, alsmede ‘estate-planning’. Directeur enig aandeelhouder van belanghebbende is mr. XX (hierna: XX).

2.2. Eind 1997 heeft belanghebbende een deel van haar belang in C BV voor ƒ 3.250.000 verkocht. Begin 1998 heeft belanghebbende aan XX een dividend uitgekeerd van (netto) ƒ 1.000.000.

2.3. Eind 1997 – begin 1998 voerde XX besprekingen met D over het nemen van een aandelenbelang in E N.V. (hierna: E NV). Deze vennootschap hield zich al dan niet via dochtervennootschappen bezig met de handel in financiële derivaten. In het kader van deze besprekingen heeft D Beheer B.V. aan belanghebbende een brief gericht, gedagtekend 16 januari 1998, welke als volgt luidt:

“X Beheer B.V.

(…)

Geachte Heer XX,

Bij deze bevestig ik van U te hebben ontvangen fl. 250.000,=

Dit is een voorschot betreffende aan U te leveren aandelen [E NV] (…).

U kunt 3 jaar na dato aanspraak maken op de aandelen, t.w. 100.000 stuks tegen de maximale prijs van fl. 10,=.

Daarentegen kan D Beheer B.V. binnen 3 jaar aanspraak maken op terugkoop van de helft, t.w. 50.000 stuks tegen een koers van fl. 15,=.”

2.4. Blijkens een dagafschrift van 26 januari 1998 heeft belanghebbende ƒ 250.000 aan D Beheer B.V. overgemaakt. In een op 11 mei 2000 gedagtekende jaarrekening 1998 van belanghebbende, opgesteld door F Accountants, is op de balans per 31 december 1998 ƒ 250.000 opgenomen ter zake van ‘Overige vorderingen’ (als onderdeel van de ‘Financiële vaste activa’). In de toelichting is vermeld dat het een ‘Lening u/g D Beheer B.V.’ betreft.

2.5. Op 14 juli 1998 is ten overstaan van Notaris A (hierna ook: de notaris) een akte van levering van 35.000 aandelen in E NV gepasseerd welke onder meer als volgt luidt:

“ten deze handelende als schriftelijk gevolmachtigde van (…):

1. [D] (…), die bij het geven van de volmacht handelde in zijn hoedanigheid van directeur van (…) D HOLDING B.V. (...): “verkoper”;

2. (...)

3. [XX] (...): “koper”.

(…)

I. INLEIDING

(…)

3. Tussen de verkoper en de koper is op twee juni negentienhonderdachtennegentig een overeenkomst van verkoop en koop ter zake van vijfendertig duizend (35.000) gewone aandelen tot stand gekomen.

(…)

B. Koopsom

1. De koopsom voor de aandelen bedraagt tweehonderdvijftig duizend gulden

(ƒ 250.000,00), welke koopsom reeds door de koper is voldaan.”

Een afschrift van deze akte is op 15 juli 1998 aan XX toegezonden.

2.6. In een brief van XX aan de notaris, gedagtekend 21 juli 1998, is onder meer het volgende vermeld:

“Betreft: foutieve tenaamstelling

(…)

Op 15 juli jl. ontving ik het afschrift van de akte van levering terzake aandelen [E NV] (…). Mijn accountant wees mij er heden op dat de aandelen ten onrechte zijn gesteld ten name van [XX] (privé). Er was besloten deel te nemen in [E NV] vanuit [belanghebbende]. Een en ander blijkt ook uit de overboeking ad

ƒ 250.000,- vanuit de B.V.

Ik heb zitten slapen en excuses daarvoor. (…) Kunt u zorg dragen voor de transactie?”

2.7. In een brief van [belanghebbende] aan de notaris, gedagtekend 18 september 1998, is onder meer het volgende vermeld:

“Gaarne refereer ik aan mijn schrijven de dato 21 juli 1998. (…) Kunt u zorg dragen voor de gevraagde transactie?”

2.8. Op 22 december 1998 is ten overstaan van de notaris een akte van levering van 35.000 aandelen in E NV gepasseerd welke onder meer als volgt luidt:

“ten deze handelende als schriftelijk gevolmachtigde van (…):

1. [XX] (…), die bij het geven van volmacht handelende:

a. voor zich in privé,

hierna te noemen: “verkoper”;

b. als directeur van [belanghebbende] (…)

hierna te noemen: “koper”;

2. (…)

I. INLEIDING

(…)

2. De aandelen zijn door de verkoper verkregen (…), welke levering door [E NV] is erkend en is ingeschreven in het register van aandeelhouders van de vennootschap.

Blijkens een aan deze akte gehechte verklaring van partijen had voormelde levering dienen te geschieden aan koper in plaats van aan de verkoper in deze, welk abuis partijen bij deze wensen te rectificeren, in die zin dat verkoper bij deze akte voormelde aandelen (door)levert aan koper ingevolge een daartoe gesloten overeenkomst.

(…)

II. UITVOERING

(…)

B. Koopsom

1. De koopsom voor de aandelen bedraagt tweehonderdvijftig duizend gulden

(ƒ 250.000,00), welke koopsom reeds door de koper is voldaan.

2. De verkoper verleent koper kwijting voor de voldoening van de koopsom.”

Aan de akte is (een kopie van) de onder 2.6 aangehaalde brief gehecht.

2.9. E NV is op 4 maart 1999 failliet verklaard. In het (eerste) verslag van de faillissementscurator, gedagtekend 10 maart 1999, is onder meer het volgende vermeld:

“Algemeen

(…)

[E NV] is in moeilijkheden geraakt door de financiële problemen, ontstaan in haar dochtervennootschap EE BV. (verder EE).

EE hield zich bezig met de daghandel op de optiebeurs. Na de scherpe koersfluctuaties op de beurs in september 1998 is zij in ernstige liquiditeits- en solvabiliteitsproblemen geraakt. Herfinanciering bleek niet mogelijk.”

2.10. In de jaarrekening 1999 van belanghebbende, gedagtekend 29 december 2000 en opgesteld door administratiekantoor R & R is de onder 2.4 vermelde Lening u/g D Beheer B.V. naar nihil afgewaardeerd.

2.11. Op 27 juni 2003 schrijft de inspecteur aan R & R onder meer het volgende inzake de onder 2.10 vermelde afwaardering:

“Onlangs heb ik de beoordeling van de aangifte vennootschapsbelasting 1999 van [belanghebbende] afgerond:

Ondanks de verstrekte informatie betreffende de aankoop van de aandelen [E NV] is het voor mij onduidelijk waarom dan de vordering op D Beheer B.V. wordt afgewaardeerd. Het blijft onduidelijk of er nu betaald is, wie betaald heeft en welke overeenkomst van koop gesloten is. Ik heb daarom besloten deze afwaardering te corrigeren.

Voorts heb ik (…) de afschrijving op een schilderij gecorrigeerd.

Cijfermatige samenvatting:

Belastbare winst op aangifte f 15.366 -/-

Correctie afwaardering vordering 250.000

Correctie afwaardering schilderij 1.400

Belastbare winst op aanslag 236.034

2.12. Op 30 juni 2003 schrijft R & R aan de inspecteur onder meer het volgende:

“Wij zijn door F Accountants op het verkeerde spoor gezet, aangezien wij uit het jaarrapport 1998 de cijfers hebben overgenomen voor ons jaarrapport 1999.

(…)

Echter naar aanleiding van uw vragen kwam naar voren dat het de aankoop van de aandelen E B.V. betrof.”

2.13. Een verklaring van D van 11 februari 2004 luidt onder meer als volgt:

“Bij deze verklaar ik (…) dat er tussen mij en [XX] vele besprekingen geweest zijn omtrent beleggingen in de aandelensfeer.

Eind ’97 kwam zo ook aan de orde het mogelijk deelnemen in [E NV]. (…) [ik] weet (…) als geen ander dat er in dit soort beleggingen grote winsten, maar ook grote verliezen geleden kunnen worden. Reden te meer om [XX] te laten weten dit te moeten ondernemen in zijn vennootschap. Zo heb ik ook geadviseerd.

Er moest een verdeling van stukken gemaakt worden. Daarom moest er bijtijds aangegeven worden hoeveel stukken (hoeveel geld iemand wilde besteden?) een geïnteresseerde wenste te kopen. Daarop werd er alvast een belang (optie) genomen in het begin van 1998.”

2.14. In een ten overstaan van de notaris op 25 februari 2004 door D, handelende als directeur van D Holding B.V., en XX, handelende als directeur van belanghebbende, afgelegde verklaring is onder meer het volgende vermeld:

“Partijen verklaren (…):

Dat de overeenkomst welk staat vermeld in de akte de dato veertien juli negentien-honderd acht en negentig, gedateerd twee juni negentienhonderd acht en negentig, een mondelinge bevestiging betreft van de tussen partijen gesloten schriftelijke overeen-komst gedateerd zestien januari negentienhonderd acht en negentig en wel de overeenkomst tot koop door [belanghebbende] van vijf en dertig duizend (35.000) aandelen in [E NV].”

2.15. In (een transcript van) het proces-verbaal van het verhoor van de notaris als getuige in de onderhavige zaak is onder meer het volgende vermeld:

“Als u mij vraagt door wie ik ben geïnstrueerd tot het opstellen van een concept-akte van levering van aandelen aan XX op 14 juli 1998, beroep ik mij op mijn geheimhoudingsplicht.

De volgende vraag is: op welke wijze bent u geïnstrueerd. Mijn antwoord is: telefonisch, ofschoon ik niet meer weet of dat met mij rechtstreeks was en met mijn kandidaat-notaris.

Ik heb ik ieder geval telefonisch daarover contact gehad met XX. Als u mij vraagt welke overeenkomst lag aan voormelde akte ten grondslag dan verwijs ik naar onderdeel I punt 3 van die akte. Beide partijen hebben mij bevestigd dat er een overeenkomst aan ten grondslag lag. Zij hebben dit bevestigd door het ondertekenen van een volmacht waaraan een bijlage is gehecht in de vorm van een ontwerpakte waarin als datum ook 2 juni 1998 als datum van die overeenkomst is vermeld.

Op de vraag of in die ontwerp-akte als koper de heer XX is vermeld antwoord ik: ja.

(…)

Op de vraag of de akte van 22 december 1998 uitvoering geeft aan de overeenkomst van 2 juni 1998 dan wel aan een nieuwe overeenkomst tussen XX en X Beheer B.V. antwoord ik dat ik er van uitging dat die akte van 22 december 1998 recht deed aan de overeenkomst van 2 juni 1998.

Vraag: de overeenkomst van 2 juni 1998 was er een tussen XX en D Holding B.V. De akte van december 1998 heeft tot gevolg dat de desbetreffende aandelen werden geleverd aan X Beheer B.V. Waarop baseert u uw verklaring van zojuist, op welk feit?

Antwoord: dat baseer ik op de brief van 21 juli 1998. Mijn indruk was bij de totstandkoming van de akte van 14 juli 1998 dat D weliswaar verwees naar de heer XX als koper maar dat het voor hem niet relevant was of dat XX dan wel zijn B.V. was aangezien te kennen was gegeven door D dat de koopsom reeds was voldaan.

Vraag over de akte van december 1998 onderdeel I punt 2: waarom zou in het licht van wat u heeft verklaard ook niet D Holding B.V. hebben moeten aangeven waartoe de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst strekte?

Antwoord: dat weet ik niet meer.

Vraag: in I punt 2 komt voor “daartoe gesloten overeenkomst”. Welke overeenkomst is dat?

Antwoord: ik heb de brief van 21 juli 1998 als de daartoe gesloten overeenkomst aangemerkt.

(…)

Vraag: heeft de heer XX u, afgezien van de brief van 21 juli 1998 en de brief van 18 september 1998, benaderd over het herstel van het hiervoor vermelde abuis?

Antwoord: op 24 september heeft de heer XX gebeld over de gang van zaken.

Vraag: heeft de heer XX toen gerappelleerd aan die brieven van 21 juli en/of 18 september 1998?

Antwoord: Ik weet het niet. Bij nader inzien kan ik ook de telefoonnotitie van 24 september niet bevestigen althans niet dat dit 1998 was.

Vraag: kunt u zich herinneren wanneer u voor het eerst kennis heeft genomen van de inhoud van de brieven van 21 juli en/of 18 september 1998?

Antwoord: ik heb het dossier heropend op 19 november 1998.

Vraag: weet u wat de concrete aanleiding was om het op dat moment ter hand te nemen?

Antwoord: ik denk een telefoongesprek met de heer XX.”

3. Geschil

In geschil is de vraag of belanghebbende terecht een afwaardering van ƒ 250.000 op een investering in aandelen E NV in mindering van haar winst heeft gebracht.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding, waaronder het proces-verbaal van de zittingen en het proces-verbaal van het getuigenverhoor.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt onder meer dat het altijd de bedoeling is geweest dat zijzelf de aandelen in E NV zou verwerven, dat de verworven aandelen weliswaar abusievelijk op naam van EE zijn gesteld en dat de desbetreffende uitgave in de jaarrekening niet geheel juist is omschreven, maar dat het economisch belang van de aandelen in E NV overeenkomstig hetgeen was bedoeld sedert 14 juli 1998 bij belanghebbende heeft gelegen. De inspecteur heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de aandelen in E NV op 14 juli 1998 niet door belanghebbende, maar door XX zijn verkregen, dat belanghebbende die verwerving van aandelen heeft gefinancierd, dat de aandelen in E NV eerst in eigendom van belanghebbende zijn gekomen nadat de waarde van die aandelen tot nihil was gedaald en dat die waardedaling ten onrechte door haar in aanmerking is genomen. Subsidiair heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat er in 1999 geen afwaardering van een vordering op D Beheer B.V. meer mogelijk is, omdat de aandelen in E NV in 1998 zijn verworven en omdat ten tijde van de (door)levering van die aandelen aan belanghebbende de verkrijgingsprijs ervan voor haar nihil bedroeg.

5.2. Naar het oordeel van het Hof kan de onder 2.3 aangehaalde brief van D, gelet op de bewoordingen ervan, niet worden opgevat als een bevestiging van een overeenkomst tot de verwerving van aandelen in E NV door belanghebbende. Zo is uit de brief niet op te maken voor welke prijs belanghebbende de aandelen in E NV zou verkrijgen; er is slechts sprake van een maximale prijs. Het Hof beschouwt de brief van D als niet meer dan een bevestiging van de verwerving door belanghebbende van het recht om (gedurende) drie jaren na 16 januari 1998 tegen een nog nader te bepalen prijs van ten hoogste ƒ 10,- per aandeel 100.000 aandelen in E NV te verkrijgen. Daarmee verband houdt een met het oog op deze optie reeds in januari 1998 voldaan voorschot van ƒ 250.000. Het Hof ziet deze lezing van de brief van D bevestigd in de verklaring van D van 11 februari 2004 en in de verklaring van gemachtigde ter zitting van 12 april 2006. Voorzover D Holding B.V. en belanghebbende met de onder 2.14 aangehaalde verklaring van 25 februari 2004 hebben bedoeld dat belanghebbende reeds in januari 1998 een obligatoire overeenkomst tot koop van de aandelen in TTS NV heeft gesloten acht het Hof deze verklaring met het hiervoor overwogene in strijd en gaat het daaraan derhalve voorbij.

5.3. De akte van levering van 14 juli 1998 brengt tot uitdrukking dat er een overeenkomst tot koop van de aandelen in E NV is tot stand gekomen tussen D Holding B.V. en EE. Voor de stelling dat er, voorafgaand aan die levering, eigenlijk een obligatoire overeenkomst was tot stand gekomen tussen D Holding B.V. en belanghebbende, ontbreekt het naar het oordeel van het Hof aan bewijs. Er is geen enkel schriftelijk stuk voorhanden waarin een overeenkomst van koop van aandelen E NV door belanghebbende is vastgelegd. De in 2004 door D en XX afgelegde verklaring (2.14) acht het Hof voor het bestaan van evenbedoelde overeenkomst niet voldoende als bewijs. In dit verband bevestigt de verklaring die de notaris als getuige heeft afgelegd dat aan de akte van levering een aan XX toegezonden concept is voorafgegaan, waarin eveneens XX als koper was aangeduid en dat dit niet tot een verzoek om wijziging heeft geleid. Bovendien heeft EE in dat kader een op zijn eigen naam gestelde volmacht ondertekend en aan de notaris geretourneerd. Voor D Holding B.V. was het overigens om het even aan wie de aandelen E NV zouden worden verkocht, aan XX dan wel zijn vennootschap, aangezien de koopsom door verrekening met het door belanghebbende betaalde voorschot reeds was voldaan.

5.4. Met betrekking tot de stelling dat het altijd de bedoeling (van XX en van belanghebbende) is geweest dat belanghebbende de aandelen zou verwerven, oordeelt het Hof dat met een dergelijke bedoeling slechts rekening kan worden gehouden, wanneer deze tegenover de wederpartij (in dit geval D Holding B.V.) tot uiting is gebracht en wanneer daarvan voldoende bewijs voorhanden is. Op belanghebbende rust derhalve de last om te bewijzen dat de levering van 14 juli 1998 is gebaseerd op een tot die levering strekkende wilsovereenstemming tussen D Holding B.V. en belanghebbende. In dit bewijs acht het Hof belanghebbende niet geslaagd; ook in dit opzicht schiet de verklaring van D en XX van 25 februari 2004 tekort. Ervan uitgaande dat de brief van 16 januari 1998 niet als een overeenkomst tot koop van aandelen E NV door belanghebbende kan worden aangemerkt (r.o. 5.2), kan de in de akte van levering van 14 juli 1998 vermelde (mondelinge) overeenkomst van 2 juni 1998 niet als een bevestiging van voormelde brief worden beschouwd. Met betrekking tot de inhoud van de gestelde (mondelinge) overeenkomst van 2 juni 1998 is verder geen bewijs geleverd. Onder deze omstandigheden gaat het Hof ervan uit dat de in de akte van levering van 14 juli 1998 vermelde mondelinge overeenkomst van 2 juni 1998 met de inhoud van die akte overeenstemt. Dat aan de akte van levering van 14 juli 1998 – in plaats van een overeenkomst tussen XX en D Holding B.V. – een overeenkomst tussen belanghebbende en D Holding B.V. ten grondslag lag is derhalve niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is aannemelijk geworden dat aan de akte van levering van 14 juli 1998 een overeenkomst tot overdracht aan belanghebbende van de economische eigendom (of het economisch belang) van de aandelen in E NV is voorafgegaan.

5.5. Het vorenstaande houdt in dat de juridische en economische eigendom van de litigieuze aandelen in E NV op 14 juli 1998 volledig bij XX kwam te berusten. Deze situatie is gewijzigd, doordat de aandelen in E NV op 22 december 1998 door XX aan belanghebbende zijn doorgeleverd. De verwerving per 14 juli 1998 van de aandelen in E NV door XX betekent naar het oordeel van het Hof voorts dat ervan moet worden uitgegaan dat de overboeking door belanghebbende van ƒ 250.000 op de rekening van D Beheer B.V. als (voor)financiering door belanghebbende van de door XX verworven aandelen in E NV moet worden beschouwd. Ofschoon deze geldverstrekking op de balans van belanghebbende is verwerkt als ‘Lening u/g D Beheer B.V.’, had deze aanvankelijk dienen te worden verwerkt als een lening aan XX, aangezien die geldverstrekking – kennelijk – heeft gefungeerd ter financiering van de verwerving van de aandelen in E NV door XX, terwijl overigens van een lening van belanghebbende aan D Beheer B.V. niets is gebleken. Na de doorlevering van de aandelen in E NV aan belanghebbende is de vordering op XX – naar het Hof begrijpt – verrekend met de uit hoofde van die doorlevering door belanghebbende aan XX verschuldigde koopprijs van ƒ 250.000 (zie ook 2.8). Op de balans van belanghebbende per eind 1998 leidt deze doorlevering tot de actiefpost aandelen in E NV (in plaats van een vordering op XX).

Zo al, niettegenstaande het hiervoor overwogene, in 1999 toch sprake zou zijn geweest van een vordering van belanghebbende op D Beheer B.V. dan wel op belanghebbende, dan zijn er naar het oordeel van het Hof geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan die lening terecht zou kunnen zijn afgewaardeerd.

5.6. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de economische eigendom van de aandelen in E NV per 21 juli 1998 op haar is overgegaan en dat uit hoofde daarvan bij haar een afwaardering van die aandelen tot uiting zou kunnen komen. Ter onderbouwing van deze stelling refereert zij aan de brief die XX op evenvermelde datum aan de notaris heeft gezonden.

5.7. Door middel van diens brief van 21 juli 1998 heeft XX aan de notaris te kennen gegeven dat hij alsnog wenst te bereiken dat de aandelen in E NV in bezit komen van belanghebbende. Gelet ook op hetgeen hiervoor is overwogen was daarvoor een (nadere) overeenkomst tussen XX en belanghebbende vereist. Anders dan belanghebbende, vermag het Hof in de brief van 21 juli 1998 niet te lezen dat een dergelijke overeenkomst reeds tot stand was gekomen en ook overigens heeft belanghebbende niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de daartoe vereiste wilsovereenstemming tussen XX en belanghebbende bestond. Met name acht het Hof daartoe onvoldoende de stelling dat XX in privé nooit een – riskante – belegging als de onderhavige zou hebben gedaan en evenmin de verklaringen van en D omtrent de bedoelingen die bij XX en/of belanghebbende zouden hebben voorgezeten. In dit verband neemt het Hof nog in aanmerking dat op geen enkele wijze is gebleken van enige bepaling van de tussen XX en belanghebbende te hanteren prijs.

5.8. De notaris heeft verklaard dat de brief van XX van 21 juli 1998 de aan de doorlevering van 22 december 1998 ten grondslag liggende overeenkomst is, ervan uitgaande dat dit een brief was van zowel XX als belanghebbende. Het Hof volgt de notaris hierin niet, omdat de tekst van de brief van 21 juli 1998 daartoe, als overwogen in 5.7., onvoldoende steun biedt. Uit deze brief kan niet worden afgeleid dat de (economische) eigendom van de aandelen in E NV op 21 juli 1998 op belanghebbende is overgegaan. De notaris heeft voorts verklaard dat het dossier betreffende de verwerving van de aandelen in E NV op 19 november 1998 is heropend. Het Hof begrijpt de verklaringen van de notaris aldus dat deze de aanwezigheid van een aan de doorlevering ten grondslag liggende overeenkomst baseert op een interpretatie van de brief van 21 juli 1998 die mede steunt op feiten en omstandigheden waarvan hij (eerst) na de heropening van het dossier heeft kennis genomen. De stelling dat de overeenkomst tot doorlevering van de aandelen in E NV tussen belanghebbende en XX is overeengekomen voordat de notaris het desbetreffende dossier heeft heropend is naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt.

5.9. Het vorenstaande betekent dat de (economische) eigendom van de aandelen in E NV niet bij belanghebbende is komen te berusten, voordat – in september 1998, zo leidt het Hof af uit het verslag van de curator van E NV van 10 maart 1999 – de waarde van die aandelen aanzienlijk is gedaald. Deze waardedaling kan derhalve niet voor rekening van belanghebbende komen. Aan belanghebbende hadden de aandelen in E NV moeten zijn vervreemd tegen een prijs die beoordeeld naar het tijdstip van die vervreemding als zakelijk is aan te merken. Nu deze vervreemding klaarblijkelijk is overeengekomen na de daling van de waarde van de aandelen in E NV vennootschap, had die waardedaling in de voor belanghebbende geldende verwervingsprijs van de aandelen in E NV tot uiting behoren te komen.

De inspecteur heeft in dit verband gesteld dat de verkrijgingsprijs voor belanghebbende nihil zou hebben bedragen. Belanghebbende heeft hieromtrent geen (nadere) stelling ingenomen. Hieraan, alsmede gelet op het verslag van de curator van E NV, verbindt het Hof als conclusie dat ter zake van het bezit van aandelen in X NV geen waardevermindering aannemelijk is gemaakt die ten laste van het resultaat van belanghebbende kan komen en dat de prijs (als vermeld onder 2.8) die ter zake van de doorlevering aan belanghebbende van de aandelen in E NV tussen belanghebbende en XX is overeengekomen niet als zakelijk kan worden beschouwd, maar slechts valt te verklaren door middel van de kennelijke bedoeling van belanghebbende haar enig aandeelhouder te bevoordelen.

5.10. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan de inspecteur. Aan de subsidiaire stelling van de inspecteur dat de in geschil zijnde afwaardering niet ten laste van het jaar 1999 kan komen komt het Hof verder niet toe.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

-

De uitspraak is vastgesteld op 27 september 2006 door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en J.C.M. van Sonderen, leden van de belastingkamer, in tegenwoor-digheid van mr. B.A.E.G. Geel-Cieraad als griffier. De beslissing is op die datum in het open-baar uitge-sproken.

De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.