Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY9470

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
06/00193
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende was te kwade trouw bij het doen van aangifte. Door rond het opleggen van de eerste navorderingsaanslag geen opening van zaken te geven over de hoogte van de looninkomsten, was de inspecteur bevoegd ook een tweede navorderingsaanslag op te leggen met betrekking tot de meer genoten looninkomsten op te leggen en daarbij ook een boete op te leggen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, geldigheid: 2006-09-25
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67e, geldigheid: 2006-09-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 1515
FutD 2006-1893
V-N 2007/6.5

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 06/00193

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te P,

belanghebbende,

gemachtigde mr. Y,

tegen de uitspraak in de zaak nummer AWB 05/5252 van de rechtbank Haarlem van 4 april 2006, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 13 oktober 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2000 een (tweede) navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, berekend naar een belastbaar inkomen van f 344.985, waarin begrepen een belastbaar loon van f 371.745, en met verrekening van f 198.022 aan loonheffing. Bij het opleggen van deze navorderingsaanslag heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van f 3.215, zijnde 50% van de nagevorderde belasting.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak van 31 augustus 2005 het bezwaar tegen deze navorderingsaanslag en tegen de boetebeschikking ongegrond verklaard.

Bij de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft op 23 mei 2006 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Ter zitting van 11 september 2006 heeft het Hof het hoger beroep behandeld. Daarbij is verschenen de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur. De griffier heeft van het verhandelde een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

Het Hof verwijst naar de feiten zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld.

2.2. Het geschil

In hoger beroep is in geschil de vraag of

- belanghebbende te kwader trouw was ten aanzien van het feit dat de inspecteur ten grondslag heeft gelegd aan de (tweede) navorderingsaanslag en

- de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag een vergrijpboete heeft opgelegd.

Belanghebbende heeft de hoogte van de verschuldigde belasting als zodanig niet betwist.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur nader onderzoek had moeten instellen naar de verschillen tussen de door belanghebbende op zijn aangifte vermelde gegevens en de overigens bekende loongegevens en dat een nieuw feit voor het opleggen van een navorderingsaanslag daarom ontbreekt.

Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat belanghebbende reeds ten tijde van het doen van aangifte te kwader trouw was met betrekking tot het vermelden van de loongegevens in zijn aangifte en dat hij dit evenzeer was ten tijde van de het opleggen van de eerste navorderingsaanslag op 5 juli 2002. Op grond van deze oordelen heeft de inspecteur, aldus de rechtbank, de navorderingsaanslag kunnen opleggen.

De rechtbank heeft voorts een boete van 50% passend en geboden geacht.

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Ter zitting heeft de gemachtigde daaraan nog toegevoegd dat het beter zou zijn geweest als belanghebbende bij het bezwaar tegen de eerste navorderingsaanslag alle omstandigheden had vermeld, maar dat destijds de discussie met name ging om “het nieuwe feit”; dat de inspecteur tijdens een beroepsprocedure inderdaad wel onderzoek bij een derde mag doen en de daarbij verkregen informatie mag gebruiken bij het bepalen van de hoogte van de boete.

De inspecteur heeft nog verklaard dat hij in hoger beroep niet weer de stelling inneemt dat er ten aanzien van de tweede navorderingsaanslag sprake is van “een nieuw feit”.

2.5. Relevante bepalingen

Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ... tot een te laag bedrag is vastgesteld …, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting … navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.”

Artikel 67e, eerste lid, van de Awr luidt als volgt:

“Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat … te weinig belasting is geheven, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem … een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent … .

2.6. Overwegingen

2.6.1. Omtrent de strekking van het begrip “te kwader trouw” is de volgende (kort weergeven) jurisprudentie van belang:

- Een belastingplichtige is te kwader trouw indien hij de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen onthoudt of opzettelijk onjuiste inlichtingen verstrekt (Hoge Raad 11 juni 1997, BNB 1997/384).

- Indien een belastingplichtige door de inspecteur de juiste inlichtingen te onthouden zich willens en wetens blootstelt aan de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zal worden geheven, is hij te kwader trouw (Hoge Raad 14 juni 2000, BNB 2000/299).

- De tekst noch de wetsgeschiedenis van artikel 16, eerste lid, laatste volzin, van de Awr geeft reden om binnen de groep van feiten ter zake waarvan de belastingplichtige te kwader trouw is, onderscheid te maken naar de wijze waarop de inspecteur van dat feit kennis droeg of had kunnen dragen (Hoge Raad 13 juli 2001, BNB 2001/325).

2.6.2. Belanghebbende heeft op 25 maart 2001 over het jaar 2000 aangifte gedaan en daarin enkel looninkomsten vermeld tot een bruto-bedrag van f 132.219 en een bedrag van f 73.134 aan loonheffing. Deze bedragen had belanghebbende overgenomen van de jaaropgave van A Limited en betroffen feitelijk het eerste kwartaal van 2000. Op basis van enkel deze jaaropgave zou belanghebbende, die in het hele jaar 2000 in loondienst was bij achtereenvolgens A Limited en A B.V., een nettoloon (zeer globaal berekend en afgezien van andere componenten in de samenstelling van het aan belanghebbende door zijn werkgever daadwerkelijk betaalde bedrag) hebben ontvangen van circa f 59.000.

Tot de stukken behoren verklaringen van de administrateur van beide inhoudingsplichtigen, dat belanghebbende van A Limited daadwerkelijk betalingen heeft ontvangen van netto f 89.958,46 in het eerste kwartaal van 2000 en van A B.V. betalingen van netto f 51.613,23 in het tweede kwartaal en netto f 63.988,25 (exclusief de betaling over de maand december) in het tweede halfjaar van 2000.

Tot de stukken behoren voorts salarisspecificaties van A B.V. uitkomende op een nettobetaling van in totaal f 36.635,70 in het tweede kwartaal en f 81.662,03 (inclusief de betaling over december) in het tweede halfjaar van 2000. De salarisspecificatie over december van A B.V. vermeldde als cumulatief bedrag over 2000 een belastbaar loon van f 239.138,70 en f 124.887,67 aan loonheffing.

2.6.3. De gemachtigde heeft gesteld dat belanghebbende het verschil tussen het daadwerkelijk in totaal van A Limited en A B.V. genoten brutoloon ad f 371.745 en het brutoloon ad f 239.138 als begrepen in de eerste navorderingsaanslag niet onverklaarbaar achtte omdat het verschil was gelegen in het feit dat volgens de salarisopgaaf de 35%-regeling van toepassing was. De door de gemachtigde genoemde veronderstelling dat belanghebbende meende dat de 35%-regeling van toepassing was, kan echter - naar de gemachtigde ter zitting heeft erkend - geen verklaring vormen voor het feit dat belanghebbende in zijn aangifte over 2000 slechts een brutoloon van f 132.219 vermeldde op basis van enige jaaropgave van A, door de gemachtigde aan de inspecteur gestuurd op 24 april 2002.

De veronderstelde mening van belanghebbende geeft echter wel aan dat deze zich bewust is geweest van fiscale aspecten bij de berekening van zijn nettoloon.

2.6.4. Op 14 mei 2002 heeft de inspecteur, inmiddels bekend met het feit dat belanghebbende van A B.V. een brutoloon had ontvangen van f 239.138, aan de gemachtigde loonstroken (maandafschriften) en bankafschriften van deze looninkomsten opgevraagd. Daarop heeft belanghebbende geantwoord met enkel de toezending van de loonstrook van A B.V. over de maand december met daarop de cumulatieve gegevens (waaronder het genoemde brutoloon van f 239.138,70).

2.6.5. De gemachtigde heeft gesteld dat belanghebbende destijds zijn aangifte heeft gedaan met het oog op een belastingteruggave in verband met de aftrek van hypotheekrente en dat hij zich daartoe niet al te zeer heeft verdiept in de te vermelden loongegevens. Gelet op de grootte van de verschillen tussen het daadwerkelijk genoten nettoloon en de gegevens blijkens de door belanghebbende bij het doen van aangifte gehanteerde jaaropgave van A Limited heeft belanghebbende zich moeten realiseren dat de aangifte onmogelijk juist kon zijn. Door niettemin aangifte te doen zoals hij heeft gedaan, heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven. Naar het oordeel van het Hof was belanghebbende met betrekking tot de opgave van de omvang van zijn looninkomsten dan ook te kwader trouw in de zin van de onder 2.5 genoemde wettelijke bepaling. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting leidt het Hof af dat belanghebbende ook rond het opleggen van de eerste navorderingsaanslag de inspecteur niet de juiste inlichtingen met betrekking tot de looninkomsten heeft verschaft.

2.6.6. De mogelijkheid dat ook een inhoudingsplichtige in gebreke is geweest bij de aanlevering van gegevens aan de Belastingdienst, doet niet af aan belanghebbendes verplichting aangifte te doen op basis van de juiste gegevens. Daarnaast was niet zonder meer te verwachten dat de inspecteur de aangifte wel zou aanpassen op basis van het werkelijk genoten loon nu belanghebbende heeft gesteld dat hij niet over een jaaropgave van A B.V. beschikte en hij er dan ook niet zonder meer vanuit mocht gaan dat de inspecteur deze gegevens wel voorhanden had.

2.6.7. Kwade trouw impliceert dat er sprake is geweest van opzet bij belanghebbende. Gelet op de omvang van het niet aangegeven bedrag acht het Hof een vergrijpboete van 50% dan ook in beginsel passend en geboden.

Op 10 april 2002 heeft de inspecteur belanghebbende in een brief geconfronteerd met het feit dat van A gegevens waren ontvangen waaruit een hoger belastbaar loon zou blijken en heeft hij aangekondigd te zullen navorderen. In het vervolg op deze brief heeft de gemachtigde de juistheid van dat voornemen betwist en heeft hij, desgevraagd, onvolledig antwoord gegeven en niet alle stukken toegezonden.

In het geval belanghebbende of zijn gemachtigde de brief van de inspecteur zou hebben aangegrepen om nader onderzoek te doen naar de hoogte van de daadwerkelijk ontvangen betalingen en de inspecteur vervolgens volledig had geïnformeerd zou dit reden kunnen zijn geweest het opleggen van een boete achterwege te laten, dan wel op een lager bedrag vast te stellen.

Nu de gemachtigde heeft volstaan met de toezending van stukken die de veronderstelling van de inspecteur wettigden dat belanghebbende een belastbaar loon van f 239.138 had genoten en geen andere looninkomsten, ziet het Hof geen reden voor enige vermindering van de opgelegde boete.

2.6.8. De inspecteur heeft bij de eerste navorderingsaanslag belasting nagevorderd over het verschil tussen de daadwerkelijk van A B.V. genoten looninkomsten en de aangegeven looninkomsten van A en daarover een boete van 25% berekend. Bij deze eerste navorderingsaanslag was dus enkel sprake van het in de heffing begrijpen van het loon van A B.V.

Bij de tweede, thans in geschil zijnde navorderingsaanslag, heeft de inspecteur belasting nagevorderd over de van A Limited genoten looninkomsten. Reeds daarom is er geen sprake van het ten tweede male beboeten van hetzelfde vergrijp.

2.7. Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

3. De beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, D.B. Bijl en E.M. Vrouwenvelder, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.A. Brands als griffier. De beslissing is op 25 september 2006 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.