Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY8836

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
0729/06
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemeente heeft rechter-commissaris verzocht tot tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregeling; RC heeft voordracht tot beëindiging bij rechtbank ingediend. Gemeente niet als zelfstandige partij in procedure te beschouwen. Niet-ontvankelijk in hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Faillissementswet 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 28 juli 2006 in de zaak met rekestnummer 0729/06 van:

Appellante,

procureur: mr. J.F. de Groot,

tegen

geïntimeerde

procureur mr. S.L.E.M. Poll.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante is bij per fax op 10 mei 2006 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank te Amsterdam van 3 mei 2006 met insolventienummer 04.1174-R, waarbij de voordracht van de rechter-commissaris tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

1.2. Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 20 juni 2006. Ter zitting is namens appellante haar procureur voornoemd verschenen, vergezeld van een medewerker van appellante, M. de B. Voorts is namens geïntimeerde zijn procureur voornoemd verschenen. Ook is de bewindvoerder, mr. M. van Espen, verschenen.

2. De ontvankelijkheid in hoger beroep

2.1. Appellante heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende aangevoerd.

Bij brief van 23 januari 2006 heeft appellante de rechter-commissaris verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van geïntimeerde tussentijds te beëindigen, stellende dat geïntimeerde bij zijn toelatingsverzoek heeft verzuimd de fraudevordering van appellante ad in totaal € 56.624,16 als eigen schuld op te geven. De rechter-commissaris heeft zich bij het verzoek van appellante aangesloten en bij brief van 3 februari 2006 bij de rechtbank een voordracht ingediend om de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub e van de Faillissementswet (Fw.) tussentijds te beëindigen. Aan deze voordracht ligt dan ook genoemd verzoek van appellante ten grondslag. In haar vonnis heeft de rechtbank als volgt overwogen: “X heeft een verzoek gedaan om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen”. Appellante is volgens haar ingevolge artikel 351 lid 1 Fw. als zijnde degene die het verzoek tot beëindiging heeft gedaan, dan ook bevoegd in hoger beroep te gaan van genoemd vonnis. Dat genoemd verzoek van appellante is overgenomen in de voordracht van de rechter-commissaris doet hieraan niet af. In de wet is niet bepaald dat louter de indiener van het verzoekschrift bevoegd is tot het instellen van hoger beroep.

Subsidiair heeft volgens appellante te gelden dat de rechtbank het verzoek van appellante tot tussentijdse beëindiging ten onrechte niet heeft aangemerkt als een zelfstandig verzoek van haar tot beëindiging van de schuldsanering.

2.2. Het hof komt tot het volgende oordeel.

Vast staat dat appellante het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van geïntimeerde bij brief van 23 januari 2006 bij de rechter-commissaris heeft ingediend, aan welk verzoek de rechter-commissaris gevolg heeft gegeven door op grond van artikel 350 lid 3 sub e Fw. een voordracht tot beëindiging bij de rechtbank in te dienen. Door op deze wijze haar verzoek in te dienen, is appellante niet als zelfstandige partij te beschouwen, wat er ook van zij dat de rechter-commissaris dit verzoek van appellante aan zijn voordracht ten grondslag heeft gelegd. Niet is gebleken dat de rechter-commissaris ten onrechte tot het doen van de onderhavige voordracht is overgegaan. Het hof acht voorts onvoldoende aanknopingspunten aanwezig om tot het oordeel te komen dat de rechtbank het verzoek van appellante als een zelfstandig aan haar gericht verzoek had moeten aanmerken.

De conclusie moet dan ook zijn dat appellante – nu zij niet als partij in deze procedure kan worden aangemerkt - in haar hoger beroep niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.3. Beslist wordt als volgt.

3. De beslissing

Het hof:

verklaart appellante niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, R.J.F. Thiessen en M.M.M. Tillema en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 28 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.