Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2006:AY8831

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2006
Datum publicatie
26-09-2006
Zaaknummer
06/0762
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gegronde vrees dat betrokkene de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Medische en psychische problemen: progressieve geheugenachteruitgang, zou lijden aan dementieel syndroom. Eventuele verwijtbaarheid buiten beschouwing gelaten.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 28 juli 2006 in de zaak met rekestnummer 06/0762 van:

[APPELLANT],

wonende aan [...]

te Amsterdam,

APPELLANT,

procureur: mr. M.E. Mungroop.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellant – [...] - is bij per fax op 16 mei 2006 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 mei 2006 met rekestnummer 335789/FT-RK 06.310, waarbij het verzoek van [appellant] tot van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.

1.2 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 23 juni 2006. Ter zitting is [appellant] verschenen, bijgestaan door zijn procureur voornoemd. Voorts is ten behoeve van [appellant] E.J. Terburg, tolk in de Engelse taal, verschenen.

2. De gronden van de beslissing

2.1 De rechtbank heeft op de in de beslissing waarvan beroep vermelde gronden het verzoek van [appellant] om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling afgewezen overeenkomstig artikel 288 lid 2 sub b van de Faillissementswet (Fw). De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] een schuld aan de Sociale Dienst (thans de Dienst Werk en Inkomen) heeft die is ontstaan door fraude wegens het niet voldoen aan de informatieverplichting. Deze schuld bedraagt € 8.908,52. Voorts heeft [appellant] een schuld verband houdende met huur, gas en elektriciteit, ontstaan in de periodes dat hij gedetineerd is geweest, te weten respectievelijk 12 februari 1994 tot en met 1 juni 1995 en 9 mei 2001 tot en met 7 december 2001. Naar het oordeel van de rechtbank is [appellant] ook ten aanzien van deze schuld niet te goeder trouw geweest.

2.2 In hoger beroep is het volgende gebleken.

2.2.1 [Appellant] (thans 63 jaar oud) is een alleenstaande gescheiden man van Filippijnse afkomst. Volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft [appellant] zich medio 1977 in Nederland gevestigd. Hij beheerst de Nederlandse taal slecht. Naar uit de stukken is gebleken is [appellant] diabeet. Hij krijgt ondersteuning en begeleiding van het Ouderenadviesbureau van de Stichting MaDi. Zijn inkomen wordt beheerd door de stichting Stib. Thans ontvangt [appellant] een bijstandsuitkering.

2.2.2 De totale schuldenlast van [appellant] bedroeg blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder e van de Fw op 9 februari 2006 € 15.810,93, waaronder een schuld van € 11.108,75 aan de Dienst Werk en Inkomen. Deze schuld ziet op teveel ontvangen bijstand in de periode van 7 januari 2003 tot en met 7 september 2003. Bij besluit van 18 maart 2004 heeft de Dienst Werk en Inkomen een bedrag van € 8.908,52 teruggevorderd. Gelet op bedoeld terugvorderingsbesluit is de schuld – zakelijk weergegeven - ontstaan doordat [appellant] de Sociale Dienst verkeerde – of onvoldoende – informatie heeft verstrekt betreffende zijn woonadres, althans op het door hem opgegeven woonadres is hij niet woonachtig gebleken.

2.2.3 [Appellant] heeft ter zitting in hoger beroep bestreden dat de schuld aan de Dienst Werk en Inkomen door fraude is ontstaan. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat deze schuld evenwel ontstaan is door het feit dat [appellant] niet heeft voldaan aan zijn informatieverplichting. De rechtbank heeft, aldus de stelling van [appellant], bij haar oordeel echter niet onderzocht of dit [appellant] te verwijten valt. Hij heeft hiertoe gesteld dat de rechtbank in haar overwegingen geen acht heeft geslagen op de slechte gezondheidstoestand van [appellant], althans de rechtbank heeft dit in haar oordeel ter zake van de verwijtbaarheid niet betrokken. Ter adstructie van zijn (medische) problemen heeft [appellant] een poliklinisch neuropsychologisch onderzoek d.d. 9 augustus 2004 overgelegd. Hieruit blijkt, aldus [appellant], dat hij ernstige gezondheidsproblemen heeft, met als symptomen onder meer een progressieve geheugenachteruitgang en het niet meer goed kunnen beseffen wat er om hem heen gebeurt. De raadsman heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat er ten aanzien van [appellant] voorts sprake is van een moeizaam verloop van de communicatie. Met betrekking tot de schulden ter zake van huur, gas en licht heeft [appellant] betwist dat deze niet te goeder trouw zijn ontstaan. Naar eigen zeggen heeft hij tijdens zijn detentie zijn woning aan een huisbewaarder in gebruik gegeven – en niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, aan een onderhuurder – en daarbij overeengekomen dat deze huisbewaarder de lopende betalingsverplichtingen zou voldoen. Achteraf is evenwel gebleken dat de betreffende rekeningen niet zijn betaald, zodat [appellant] hiervoor aansprakelijk werd gesteld. In de visie van [appellant] is van het ontbreken van goede trouw ten aanzien van deze schulden derhalve geen sprake, althans de rechtbank heeft haar oordeel dienaangaande niet nader gemotiveerd.

2.3 Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep acht het hof gegronde vrees aanwezig dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. De doelstelling en strekking van bedoelde regeling komt immers hierop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te gaan, waar tegenover staat dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd. Dat [appellant] die actieve medewerking zal (kunnen) verlenen acht het hof thans – gelet op de (ernstige) medische- en psychische problemen van [appellant] – onvoldoende waarschijnlijk. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat uit het poliklinisch neuropsychologisch rapport van 9 augustus 2004 is gebleken dat - kort weergegeven - sprake is van een progressieve geheugenachteruitgang en dat [appellant] zich niet of slecht aan afspraken houdt. Verder is uit de verklaring van [...], huisarts, van 21 maart 2006 aannemelijk geworden dat [appellant] aan een dementieel syndroom lijdt, in die zin dat hij geen overzicht over zijn leven heeft en niet goed voor zichzelf kan zorgen en beslissingen kan nemen. Bovendien is door [appellant] niet betwist dat hij aan de Dienst Werk en Inkomen destijds onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt betreffende zijn woonadres. De vrees is daarom gerechtvaardigd dat [appellant] ook in de toekomst zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting om zijn medewerking te verlenen aan het verschaffen van informatie niet zal (kunnen) nakomen. Gelet op het vorenoverwogene laat het hof verder buiten beschouwing of [appellant] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Dienst Werk en Inkomen verwijtbaar heeft gehandeld. Nu ook overigens niet is gebleken van het bestaan van [appellant] persoonlijk betreffende omstandigheden, die desondanks toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen, dient de uitspraak waarvan beroep te worden bekrachtigd.

2.4 Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

3. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de uitspraak waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, P.G. Wiewel en A.M. Hol en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 28 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.